NL.618
Engageren
K2
K3
Zetten geschreven taal op een speelse en creatieve manier in.
Nederlands › Literatuur › Creatieve expressie in taal › Creatief schrijven
- Leeftijd
- 4-5,5-6 jaar
- Handelingswerkwoord
- Zetten
- Verwerkingsaspect
- Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
- Minimumdoelen
- KO 1.5.5
- In de PDF
- pagina 11,12
Leerlijn
Zetten geschreven taal op een speelse en creatieve manier in. MIA Speels en creatief: • de eigen verbeelding oproepen • experimenteren met geschreven taal • talig creëren Inzetten: • in spelsituaties • bij vertelrondes • gebruik makend van tekeningen, letters, cijfers en al dan niet uitgevonden tekens
Hangt samen met
- Schakel NL.250 Gebruiken tekeningen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen om ideeën, gebeurtenissen en kennis vast te leggen. K2,K3
- Schakel NL.253 Gebruiken het schrijven geïntegreerd tijdens hun spel. K2,K3
- Vlag NL.516 Passen basiselementen van taalsysteem toe in spelsituaties. K2,K3
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.250 Gebruiken tekeningen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen om ideeën, gebeurtenissen en kennis vast te leggen. K2,K3
- Schakel NL.253 Gebruiken het schrijven geïntegreerd tijdens hun spel. K2,K3
- Schakel NL.516 Passen basiselementen van taalsysteem toe in spelsituaties. K2,K3
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Literatuur”
KO De kleuters kennen 1.5.1 auteur, illustrator, titel, kaft. De kleuters kunnen 1.5.2 gedachten of gevoelens verwoorden bij het in contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.3 een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen of personages. 1.5.4 in eigen woorden de kern van een prentenboek navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen. L4 De leerlingen kennen 1.5.1 personage, hoofdpersonage, thema. 1.5.2 plot: belangrijkste gebeurtenissen. 1.5.3 context: tijd en plaats. De leerlingen kunnen 1.5.4 voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur. 1.5.5 aangereikte en zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.6 verwoorden waarom een tekst aanspreekt. 1.5.7 verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en emoties en gedachten tijdens het lezen van de tekst. 1.5.8 complexere verhaallijnen navertellen. 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. L6 De leerling kent 1.5.1 vertelperspectief: ik-verteller. De leerling kan 1.5.2 literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non- fictie en bekroonde jeugdliteratuur. 1.5.3 zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.4 elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
KO De kleuters kunnen 1.5.5 experimenteren met taal en verhalen via spreken, tekenen en eenvoudige spelvormen. L4 De leerlingen kunnen 1.5.9 op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog > L6 De leerling kan 1.5.5 een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk presenteren. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog >