GE.143
Gebruiken
L5
Formuleren historische vragen over perspectieven.
Geschiedenis › Historisch strategisch: perspectief en chronologie › Perspectieven
- Leeftijd
- 10-11 jaar
- Handelingswerkwoord
- Formuleren
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L6 5.2.5
- In de PDF
- pagina 43
Leerlijn
Formuleren historische vragen over perspectieven.
MIA
Perspectieven:
• doel, maker
• lokaal, regionaal, mondiaal
• winnaar, verliezer
• voordeel, nadeel
Voorbeelden
Doel/maker:
• Waarom heeft een ridder dit verhaal over een veldslag zo geschreven?
• Waarom stelde Pieter Bruegel de Oude ‘De Korenoogst’ voor als erg hard werken
en armoedig?
Lokaal, regionaal, mondiaal:
Wat gebeurde er in mijn eigen dorp, mijn land, Europa tijdens de middeleeuwen?
Winnaar, verliezer:
• Hoe voelde een boer zich toen de koning meer belastingen vroeg?
• Waarom schafte de Europese clerus de Congolese bisschopszetel gauw terug af?
Voordeel, nadeel:
Wie had voordeel bij de bouw van een kasteel in de buurt?
Hangt samen met
- Schakel GE.015 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de prehistorie vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Schakel GE.035 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de oudheid vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Schakel GE.054 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de middeleeuwen vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Schakel GE.073 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de vroegmoderne tijd vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Schakel GE.091 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de moderne tijd vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Schakel GE.110 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de hedendaagse tijd vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Vlag LL.068 Verwoorden vakspecifieke leerstrategieën. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.102 Herkennen de betrouwbaarheid van bronnen bij gelezen teksten. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Schakel GE.015 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de prehistorie vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Schakel GE.035 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de oudheid vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Schakel GE.054 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de middeleeuwen vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Vlag GE.073 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de vroegmoderne tijd vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Vlag GE.091 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de moderne tijd vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
- Vlag GE.110 Formuleren redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen of ontwikkelingen uit de hedendaagse tijd vanuit verschillende perspectieven. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch strategisch: perspectief en chronologie”
KO
De kleuters kunnen
5.2.2 enkele veranderingen tussen verleden en heden
opnoemen.
5.2.4 gebeurtenissen en eigen ervaringen chronologisch
ordenen.
5.2.5 drie gegeven bronnen uit het verleden
chronologisch ordenen met behulp van de begrippen:
heel lang geleden, lang geleden, nu.
L4
De leerlingen kunnen
5.2.5 gelijken en verschillen onderscheiden binnen en
tussen bestudeerde samenlevingen.
< bv. vergelijking van Mesopotamische en Egyptische
samenlevingen; of vergelijking van ervaringen van
mannen en vrouwen, boeren en reizende kooplieden,
binnen Mesopotamië >
5.2.6 aspecten van verandering en continuïteit
bespreken.
5.2.7 oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een
ontwikkeling verklaren.
L6
De leerlingen kunnen
5.2.3 typische historische vragen stellen met betrekking tot:
• continuïteit-verandering;
< bv. wat veranderde er voor vrouwen in de 20e eeuw?
>
• oorzaak-gevolg.
< bv. welke impact had de Europese handel op het
Kongo-koninkrijk?, waarom werd de Muur van Berlijn
afgebroken? >
5.2.4 hun gedachten ordenen om typische historische
vragen te beantwoorden met betrekking tot:
2.3.18 zeggen welke dag van de week het vandaag is, welke dag het gisteren was en welke dag het morgen zal zijn. 2.3.19 gebeurtenissen tijdens de dag chronologisch ordenen (seriëren). 2.3.20 aftellen tussen nu en speciale gebeurtenissen binnen de periode van een week. De kleuters kennen 5.2.3 de volgende begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu, later, oud, nieuw. 2.3.16 de dagen van de week [F]. 2.3.17 de volgende begrippen [F]: ● eerder, vroeger, later, eerst, dan, daarna, laatst; ● (te) laat, (te) vroeg; ● straks; ● (even) lang, (even) kort; ● langer, korter; ● langst, kortst; ● vandaag, gisteren, morgen; ● de dag, de week, het jaar. 5.2.8 een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen. 5.2.11 aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen. De leerlingen kennen 5.2.9 de volgende begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis. 5.2.10 de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t. 2.3.34 de maanden van het jaar [F]. 2.3.35 het aantal dagen van de maanden [F]. 2.3.36 de volgende begrippen [F]: ● het uur, het halfuur, het kwartier, de minuut, de seconde; ● eergisteren, overmorgen; ● het jaar (365 dagen), het schrikkeljaar. • continuïteit-verandering; • oorzaak-gevolg. 5.2.5 hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden. < bv. waarom was het zo belangrijk voor Afonso I dat zijn zoon bisschop was?, waarom schafte de Europese clerus de Congolese bisschopszetel gauw terug af?, waarom stelde Pieter Bruegel de Oude “de Korenoogst” voor als erg hard werken en armoedig? > 5.2.6 redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven. De leerlingen kennen 5.2.7 de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.