GE.117
Begrijpen
L1
L2
L3
L4
Herkennen typische vragen over aangereikte bronnen.
Geschiedenis › Historisch strategisch: bronnen › Bronnengebruik › Historische bronnen
- Leeftijd
- 6-7,7-8,8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 5.2.2
- In de PDF
- pagina 36
Leerlijn
Herkennen typische vragen over aangereikte bronnen. MIA Typische vragen: WWWH – vragen bij het bronmateriaal Te hanteren begrip de bron
Hangt samen met
- Vlag GE.199 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. K3
- Vlag GE.203 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. L2
- Vlag GE.205 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. L3
- Vlag GE.207 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. L4
- Vlag NL.429 Gebruiken in een gesprek vragen om de gewenste informatie te bekomen. L1,L2
- Vlag NL.430 Gebruiken in een gesprek verschillende vraagsoorten om informatie in te winnen. L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag GE.026 Benoemen relevante bronnen voor de oudheid. L3,L4
- Vlag GE.045 Benoemen relevante bronnen voor de middeleeuwen. L3,L4
- Vlag GE.062 Benoemen relevante bronnen voor de vroegmoderne tijd. L3,L4
- Vlag GE.098 Benoemen bronnen uit de hedendaagse tijd. L1,L2
- Vlag GE.201 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. L1
- Vlag GE.203 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. L2
- Vlag GE.205 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. L3
- Vlag GE.207 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch strategisch: bronnen”
KO De kleuters kunnen 5.2.1 soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen benoemen: • beenderen, fossielen, werktuig, rotsschildering, graf; • standbeeld, foto, dagboek, brief. L4 De leerlingen kennen 5.2.1 het verschil tussen bron en bewijs. 5.2.2 typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen: • hoe en waarom een bron is gemaakt; • wanneer en waar een bron is gemaakt. De leerlingen weten 5.2.3 wat paleontologen, archeologen en historici doen. De leerlingen kunnen 5.2.4 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen. L6 De leerlingen kunnen 5.2.1 aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het antwoorden op historische vragen. 5.2.2 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.