GE.114
Begrijpen
K2
K3
Verwoorden soorten bronnen.
Geschiedenis › Historisch strategisch: bronnen › Bronnengebruik › Historische bronnen
- Leeftijd
- 4-5,5-6 jaar
- Handelingswerkwoord
- Verwoorden
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- KO 5.2.1
- In de PDF
- pagina 35
Leerlijn
Verwoorden soorten bronnen. MIA Soorten bronnen: • bronnen over het eigen verleden • bronnen over de collectieve identiteit • leefomgeving Te hanteren begrippen de foto, het dagboek, de brief, het standbeeld, het gebouw, de vlag
Hangt samen met
- Schakel GE.004 Benoemen bronnen uit de prehistorie. K3
- Schakel GE.021 Benoemen bronnen uit de oudheid. K2,K3
- Schakel GE.040 Benoemen bronnen uit de middeleeuwen. K2,K3
- Schakel GE.059 Benoemen bronnen uit de vroegmoderne tijd. K2,K3
- Schakel GE.078 Benoemen bronnen uit de moderne tijd. K2,K3
- Vlag GE.198 Benoemen tijdsbegrippen om gebeurtenissen in een logische volgorde te plaatsen. K3
- Vlag GE.223 Illustreren sporen uit het verleden. K2
- Vlag GE.235 Herkennen collectieve identiteit. K2,K3
Wordt verwezen vanuit
- Schakel GE.004 Benoemen bronnen uit de prehistorie. K3
- Schakel GE.021 Benoemen bronnen uit de oudheid. K2,K3
- Schakel GE.040 Benoemen bronnen uit de middeleeuwen. K2,K3
- Schakel GE.059 Benoemen bronnen uit de vroegmoderne tijd. K2,K3
- Schakel GE.078 Benoemen bronnen uit de moderne tijd. K2,K3
- Vlag GE.197 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. K2
- Vlag GE.199 Plaatsen gebeurtenissen, fenomenen en bronnen chronologisch. K3
- Schakel GE.223 Illustreren sporen uit het verleden. K2
- Vlag GE.235 Herkennen collectieve identiteit. K2,K3
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch strategisch: bronnen”
KO De kleuters kunnen 5.2.1 soorten bronnen vanuit de bestudeerde samenlevingen benoemen: • beenderen, fossielen, werktuig, rotsschildering, graf; • standbeeld, foto, dagboek, brief. L4 De leerlingen kennen 5.2.1 het verschil tussen bron en bewijs. 5.2.2 typische vragen om te stellen over aangereikte bronnen: • hoe en waarom een bron is gemaakt; • wanneer en waar een bron is gemaakt. De leerlingen weten 5.2.3 wat paleontologen, archeologen en historici doen. De leerlingen kunnen 5.2.4 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd noemen. L6 De leerlingen kunnen 5.2.1 aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het antwoorden op historische vragen. 5.2.2 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.