Leerplannen Leerplandoelen
BU.106 Begrijpen L5 L6

Illustreren meervoudige identiteit.

Burgerschap Identiteit en diversiteit Duurzaam samenleven Identiteitsvorming

Leeftijd
10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Illustreren
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L4 9.1.13; L6 9.1.9
In de PDF
pagina 34,35

Leerlijn

Illustreren meervoudige identiteit.

MIA
Meervoudige identiteit:
• persoonlijke, collectieve en sociale identiteit
• Mensen hebben meerdere identiteiten tegelijkertijd (persoonlijke, collectieve en
    sociale identiteiten). Hierdoor heeft identiteit een gelaagdheid.
• Collectieve identiteit verbindt mensen, maar kan ook uitsluiting veroorzaken als
    men niet openstaat voor verschillen.
• In een democratische samenleving is het belangrijk dat verschillende identiteiten
    naast elkaar kunnen bestaan.

Voorbeelden
Meervoudige identiteit:
• Jouw mama is niet alleen jouw mama maar is ook het kind van jouw grootouders,
    vriendin van haar vrienden en een vrouw. Ze is misschien ook een zus, kunstenares
    en partner van haar geliefde.
• Thomas is een fiere Mechelaar en spreekt vloeiend het Mechels dialect.
• Jouw opa is jouw familielid, is een actief lid van de wandelclub en is vrijwilliger bij
    de brandweer.
• Inge is niet alleen ‘vrouw’ of ‘student’ of ‘mama’, maar kan al deze dingen tegelijk
    zijn.

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Identiteit en diversiteit”
KO

De kleuters weten
9.1.5 dat iedereen meetelt en uniek is, met eigen sterktes,
talenten en voorkeuren.
9.1.6 dat mensen kunnen verschillen in sekse, etniciteit,
geloof, uiterlijk en geaardheid.

De kleuters kunnen

L4

De leerlingen kennen
9.1.11 de volgende begrippen: racisme, discriminatie en
diversiteit.

De leerlingen weten
9.1.12 hoe racisme en discriminatie mensen schaadt.

L6

De leerlingen kennen
9.1.7 de volgende begrippen: het vooroordeel, de
gelijkwaardigheid.

De leerlingen weten
9.1.8 hoe racisme en discriminatie in de (sociale) media
voorkomen.
9.1.7 respectvol omgaan met verschillen tussen mensen
in hun omgeving en op school.
9.1.8 gelijkenissen benoemen tussen mensen.

9.1.13 dat persoonlijke identiteit een gelaagd en
dynamisch karakter heeft.

De leerlingen kunnen
9.1.15 positieve en negatieve manieren van omgaan met
diversiteit herkennen.
9.1.16 incidenten van racisme en discriminatie aangeven
aan een verantwoordelijke volwassene.

9.1.9 dat collectieve identiteit een gelaagd en dynamisch
karakter heeft.

De leerlingen kunnen
9.1.13 illustreren hoe diversiteit het samenleven
verrijkend en uitdagend maakt.