Leerplannen Leerplandoelen
BU.085 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

Tonen een verantwoordelijke houding in een groep.

Burgerschap Democratische samenleving Maatschappelijke participatie: actief burgerschap Sociaal bewogen burgerschap

Leeftijd
4-5,5-6,6-7,7-8,8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Tonen
Verwerkingsaspect
Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
Minimumdoelen
geen — GO!-doel op populatieniveau
In de PDF
pagina 26,27

Leerlijn

Tonen een verantwoordelijke houding in een groep.

MIA
Verantwoordelijke houding:
• opnemen van taken en verantwoordelijkheden
• in functie van het leer- en leefklimaat
• op klas- en schoolniveau

Voorbeelden
Verantwoordelijke houding op niveau van de klas:
klastaken, een taak bij een groepswerk.
Verantwoordelijke houding op niveau van de school:
zorg voor dieren, onderhouden van de moestuin, het ‘milieuteam’, de redactie van de
schoolkrant, het klasdoorbrekend lezen, een buddysysteem voor nieuwe leerlingen, DJ’s
tijdens de middagspeeltijd, het opruimteam

Hangt samen met

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Democratische samenleving”
KO

De kleuters kennen
5.3.1 de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen.

De kleuters kunnen
9.3.4 volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen
en beantwoorden.

L4

De leerlingen kennen
9.1.17 hun voornaamste rechten en plichten onder het
VN-kinderrechtenverdrag, waaronder:
• recht op onderwijs;
• recht op privacy;
• recht op vrije tijd;
• recht op eigen identiteit;
• recht op veiligheid en bescherming.
5.3.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen,
vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels,
afspraken, gelijkheid.

De leerlingen weten
9.1.18 dat volwassenen met de belangen van kinderen
rekening moeten houden.

De leerlingen kunnen
9.1.19 in hun eigen leefwereld herkennen hoe
kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden.
5.3.2 principes van een democratische rechtsstaat
herkennen in de bestudeerde samenlevingen uit het
verleden.

L6

De leerlingen kennen
9.1.14 organisaties die zich inzetten voor kinder- en
mensenrechten.
5.3.1 de begrippen met betrekking tot de principes van de
democratische rechtsstaat: democratie, regering,
parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet,
vrijheid.

De leerlingen weten
9.1.15 wat de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens is.
9.1.16 hoe mensenrechten en kinderrechten zich tot
elkaar verhouden.
<bv. Kinderen hebben geen stemrecht>

De leerlingen kunnen
9.1.17 illustreren hoe kinder- en mensenrechten in de
maatschappij geschonden worden en hoe mensen voor
deze rechten strijd voeren.
KO

De kleuters kennen
5.3.1 de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen.
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels,
afspraken en signalen:
• zebrapad;
• verkeerslichten voor voetgangers en fietsers;
• stoppen bij een stopbord;
• niet spelen op of bij de straat;
• als voetganger op het voetpad of de berm blijven en
    langs de huizenkant stappen;
• op het voetpad en de verhoogde berm fietsen tot 10
    jaar;
• goed kijken bij het oversteken.
9.1.2 het belang van een veilige voetgangers- of
fietsuitrusting: fluorescerende kledij en fietshelm.

De kleuters weten
9.1.3 dat ze in een noodsituatie meteen een volwassene
moeten verwittigen.

De kleuter kunnen
9.3.4 volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen
en beantwoorden.

L4

De leerlingen kennen
5.3.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen,
vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels,
afspraken, gelijkheid.
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels en
signalen:
• hoe veilig oversteken als er geen voorzieningen zijn;
• fietsen op het fietspad rechts in de rijrichting of het
    voetpad;
• auditieve signalen: fietsbel, bel, tram, claxon;
• fluitsignaal en armgebaren van een politieagent;
• handgebaren van een gemachtigd opzichter;
• bel- en lichtsignalen van hulpdiensten (brandweer,
    ambulance, politie);
• waarschuwingssignalen op een spoorwegovergang:
    knipperende rode lichten en een belgeluid;
• gevaarsborden waaronder A31 en A33;
• voorrangsborden waaronder B5;
• gebodsborden waaronder D1, D7, D10, D11;
• verbodsborden waaronder C3, C11, C19;
• aanwijsborden waaronder F49, F50.
9.1.2 het belang van een veilige voetgangers- of
fietsuitrusting: geen koptelefoon dragen.
9.1.3 de verplichte minimale fietsuitrusting.
9.1.6 het noodnummer 112.
9.1.17 hun voornaamste rechten en plichten onder het VN-
kinderrechtenverdrag, waaronder
• recht op onderwijs;
• recht op privacy;
• recht op vrije tijd;
• recht op eigen identiteit;
• recht op veiligheid en bescherming.

De leerlingen kunnen

L6

De leerlingen kennen
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels en
signalen:
• voetgangers op het zebrapad hebben voorrang;
• passagiers van een bus of tram hebben bij het uit- of
    instappen voorrang;
• een bus, die de bushalte verlaat, heeft voorrang;
• de algemene voorrangsregel ‘voorrang van rechts’;
• de wegmarkeringen: stopstreep, haaientanden,
    fietsoversteekplaats, fietsopstelvlak;
• gevaarsborden waaronder A21, A41, A47;
• voorrangsborden waaronder B1, B9, B11, B15a, B17,
    B19, B21;
• gebodsborden waaronder D1a, D1b, D5;
• verbodsborden waaronder C1, C31b;
• aanwijsborden waaronder F14, F45, F111, F113;
• onderborden betreffende fietsen en bromfietsen
    waaronder M2, M5bis.

De leerlingen kunnen
9.1.5 gevarenpictogrammen van materialen en
substanties en veiligheidsvoorschriften naleven.

De leerlingen weten
9.1.15 wat de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens is.
9.1.4 zich als voetganger en fietser op de openbare weg
onder begeleiding verplaatsen en de verkeersregels en
signalisaties naleven.
9.1.5 als voetganger en fietser anticiperen op risicovolle
situaties in het verkeer:
• de dode hoek;
• voorrangsregels voor de tram en de bus;
• voorrangsregels voor de hulpdiensten.
9.1.10 een noodoproep uitvoeren in een gesimuleerde
situatie.
9.1.19 in hun eigen leefwereld herkennen hoe
kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden.
KO

L4

L6

De leerlingen kennen
9.1.6 de Belgische federale staatstructuur met drie
gemeenschappen (Vlaams, Frans en Duitstalig) en drie
gewesten (Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk). Ze
weten dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen
worden genomen.
9.1.10 de erkende symbolen van de Vlaamse
gemeenschap (feestdag, vlag, wapen, memoriaal en
volkslied).