BU.021
Begrijpen
L5
L6
Beschrijven de scheiding van machten in een democratische rechtsstaat.
Burgerschap › Democratische samenleving › Maatschappelijke basiswaarden › Democratische rechtsstaat
- Leeftijd
- 10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 5.3.1
- In de PDF
- pagina 8
Leerlijn
Beschrijven de scheiding van machten in een democratische rechtsstaat.
MIA
Scheiding van machten:
• In een democratie zijn er drie machten: de wetgevende, de uitvoerende en de
rechterlijke macht.
• De wetgevende macht maakt wetten en controleert de uitvoerende macht. De
uitvoerende macht zorgt dat wetten worden toegepast en nageleefd. De rechterlijke
macht doet uitspraken over geschillen en controleert de wettelijkheid van de daden
van de uitvoerende macht. Iedere macht controleert de andere, niemand kan alles
zelf beslissen.
• In een rechtbank worden niet enkel strafzaken behandeld maar ook burgerlijke zaken,
familiezaken, handelszaken
Te hanteren begrippen
de politie, de rechter, de rechtbank, het vonnis, de scheiding der machten, de regering, de
wetten, de democratie, het parlement
Voorbeelden
Wetgevende macht:
Het federale parlement keurt een nieuwe milieuwet goed.
Uitvoerende macht:
De federale regering voert de milieuwet uit via het ministerie van Milieu.
Rechterlijke macht:
Als een bedrijf de milieuwet overtreedt, kan een rechtbank een boete opleggen.
Hangt samen met
- Vlag GE.242 Beschrijven de relatie tussen heden, verleden en toekomst met betrekking tot de bestudeerde samenlevingen. L5,L6
- Vlag GE.243 Vergelijken de bestudeerde samenleving met hedendaagse samenlevingen. L3,L4,L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag GE.242 Beschrijven de relatie tussen heden, verleden en toekomst met betrekking tot de bestudeerde samenlevingen. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Democratische samenleving”
KO De kleuters kennen 5.3.1 de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen. De kleuters kunnen 9.3.4 volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen en beantwoorden. L4 De leerlingen kennen 9.1.17 hun voornaamste rechten en plichten onder het VN-kinderrechtenverdrag, waaronder: • recht op onderwijs; • recht op privacy; • recht op vrije tijd; • recht op eigen identiteit; • recht op veiligheid en bescherming. 5.3.1 de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid. De leerlingen weten 9.1.18 dat volwassenen met de belangen van kinderen rekening moeten houden. De leerlingen kunnen 9.1.19 in hun eigen leefwereld herkennen hoe kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden. 5.3.2 principes van een democratische rechtsstaat herkennen in de bestudeerde samenlevingen uit het verleden. L6 De leerlingen kennen 9.1.14 organisaties die zich inzetten voor kinder- en mensenrechten. 5.3.1 de begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: democratie, regering, parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet, vrijheid. De leerlingen weten 9.1.15 wat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is. 9.1.16 hoe mensenrechten en kinderrechten zich tot elkaar verhouden. <bv. Kinderen hebben geen stemrecht> De leerlingen kunnen 9.1.17 illustreren hoe kinder- en mensenrechten in de maatschappij geschonden worden en hoe mensen voor deze rechten strijd voeren.
KO
De kleuters kennen
5.3.1 de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen.
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels,
afspraken en signalen:
• zebrapad;
• verkeerslichten voor voetgangers en fietsers;
• stoppen bij een stopbord;
• niet spelen op of bij de straat;
• als voetganger op het voetpad of de berm blijven en
langs de huizenkant stappen;
• op het voetpad en de verhoogde berm fietsen tot 10
jaar;
• goed kijken bij het oversteken.
9.1.2 het belang van een veilige voetgangers- of
fietsuitrusting: fluorescerende kledij en fietshelm.
De kleuters weten
9.1.3 dat ze in een noodsituatie meteen een volwassene
moeten verwittigen.
De kleuter kunnen
9.3.4 volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen
en beantwoorden.
L4
De leerlingen kennen
5.3.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen,
vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels,
afspraken, gelijkheid.
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels en
signalen:
• hoe veilig oversteken als er geen voorzieningen zijn;
• fietsen op het fietspad rechts in de rijrichting of het
voetpad;
• auditieve signalen: fietsbel, bel, tram, claxon;
• fluitsignaal en armgebaren van een politieagent;
• handgebaren van een gemachtigd opzichter;
• bel- en lichtsignalen van hulpdiensten (brandweer,
ambulance, politie);
• waarschuwingssignalen op een spoorwegovergang:
knipperende rode lichten en een belgeluid;
• gevaarsborden waaronder A31 en A33;
• voorrangsborden waaronder B5;
• gebodsborden waaronder D1, D7, D10, D11;
• verbodsborden waaronder C3, C11, C19;
• aanwijsborden waaronder F49, F50.
9.1.2 het belang van een veilige voetgangers- of
fietsuitrusting: geen koptelefoon dragen.
9.1.3 de verplichte minimale fietsuitrusting.
9.1.6 het noodnummer 112.
9.1.17 hun voornaamste rechten en plichten onder het VN-
kinderrechtenverdrag, waaronder
• recht op onderwijs;
• recht op privacy;
• recht op vrije tijd;
• recht op eigen identiteit;
• recht op veiligheid en bescherming.
De leerlingen kunnen
L6
De leerlingen kennen
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels en
signalen:
• voetgangers op het zebrapad hebben voorrang;
• passagiers van een bus of tram hebben bij het uit- of
instappen voorrang;
• een bus, die de bushalte verlaat, heeft voorrang;
• de algemene voorrangsregel ‘voorrang van rechts’;
• de wegmarkeringen: stopstreep, haaientanden,
fietsoversteekplaats, fietsopstelvlak;
• gevaarsborden waaronder A21, A41, A47;
• voorrangsborden waaronder B1, B9, B11, B15a, B17,
B19, B21;
• gebodsborden waaronder D1a, D1b, D5;
• verbodsborden waaronder C1, C31b;
• aanwijsborden waaronder F14, F45, F111, F113;
• onderborden betreffende fietsen en bromfietsen
waaronder M2, M5bis.
De leerlingen kunnen
9.1.5 gevarenpictogrammen van materialen en
substanties en veiligheidsvoorschriften naleven.
De leerlingen weten
9.1.15 wat de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens is.
9.1.4 zich als voetganger en fietser op de openbare weg onder begeleiding verplaatsen en de verkeersregels en signalisaties naleven. 9.1.5 als voetganger en fietser anticiperen op risicovolle situaties in het verkeer: • de dode hoek; • voorrangsregels voor de tram en de bus; • voorrangsregels voor de hulpdiensten. 9.1.10 een noodoproep uitvoeren in een gesimuleerde situatie. 9.1.19 in hun eigen leefwereld herkennen hoe kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden.
KO L4 L6 De leerlingen kennen 9.1.6 de Belgische federale staatstructuur met drie gemeenschappen (Vlaams, Frans en Duitstalig) en drie gewesten (Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk). Ze weten dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen. 9.1.10 de erkende symbolen van de Vlaamse gemeenschap (feestdag, vlag, wapen, memoriaal en volkslied).