Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

69 doelen

CSV downloaden filters wissen

vak: WT ✕ Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop ✕

  1. WT.107 Begrijpen K1 GO!-doel

    Herkennen de kenmerken van grasland en bos.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken:
    • grasland: open ruimte, gras, zonlicht
    • bos: schaduwrijke plekken, dichte begroeiing, hoge bomen
  2. WT.108 Begrijpen K2 GO!-doel

    Herkennen de kenmerken van grasland en bos.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken:
    • grasland: open ruimte, gras, zonlicht
    • bos: schaduwrijke plekken, dichte begroeiing, hoge bomen
    • enkele veel voorkomende dieren en planten

    Te hanteren begrippen

    het gras, de boom, het bos, de schaduw, de open ruimte
  3. WT.109 Begrijpen K3 GO!-doel

    Illustreren kenmerken van grasland, bos en heide.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken:
    • grasland: open ruimte, gras, zonlicht
    • bos: schaduwrijke plekken, dichte begroeiing, hoge bomen
    • heide: droge grond, lage begroeiing, heideplanten
    • enkele veel voorkomende dieren en planten

    Te hanteren begrippen

    de heide, het grasland, de heideplant, de droge grond
  4. WT.110 Begrijpen L1 L2 L4 3.2.1; L4 3.2.6

    Beschrijven de kenmerken van de zee en de kust.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken zee en de kust:
    Biotische kenmerken (levend):
        Typische planten: wieren, duinplanten
        Typische ongewervelde dieren: kwallen, weekdieren, krabben
        Typische gewervelde dieren: vissen, zeevogels, zeehonden
    abiotische kenmerken (niet-levend):
        zout zeewater
        getijden (eb en vloed)
        zand
        temperatuur, zonlicht en wind
        golfslag
    relaties:
        tussen organismen onderling en hun omgeving

    Te hanteren begrippen

    de zee, de kust, het zand, het helmgras, de duinen, veel zonlicht, veel wind, het
    zeebriesje, koeler

    Voorbeelden

    Relaties tussen organismen onderling en hun omgeving:
    Zeewier groeit in zout water. Mosselen kleven vast aan stenen zodat de golven ze niet
    meenemen. Mosselen leven dicht bij elkaar.
  5. WT.111 Begrijpen L3 L4 3.2.1; L4 3.2.6

    Beschrijven kenmerken van het stadslandschap.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken stadslandschap:
    abiotische kenmerken (niet-levend):
        gebouwen en wegen
        luchtkwaliteit en temperatuur
        geluid
        verlichting
    biotische kenmerken (levend):
        mensen
        huisdieren
        stadsvogels
        planten in parken, geveltuintjes of op daken
    relaties:
        tussen organismen onderling en hun omgeving

    Te hanteren begrippen

    het stadslandschap, het huisdier, de stadsvogel, het verkeer, de verlichting, de geveltuin,
    de daktuin, de biotoop

    Voorbeelden

    relaties tussen organismen onderling en hun omgeving:
    Afval op straat trekt meeuwen, ratten of duiven aan. Bijen verzamelen nectar bij bloemen
    in een park. Mos groeit op vochtige muren of stoepen. Vogels gebruiken soms gebouwen
    als nestplaats.
  6. WT.112 Begrijpen L4 L4 3.2.1; L4 3.2.6

    Beschrijven kenmerken van het agrarisch landschap.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken agrarisch landschap:
    abiotische kenmerken (niet-levend):
        bodemsoort: zand, klei
        water: irrigatie, sloten
        temperatuur en zonlicht
        kunstmest en pesticiden
    biotische kenmerken (levend):
        gewassen: graan, aardappelen, groenten
        boerderijdieren
        boer en landarbeiders
        insecten en vogels die op de velden leven
    relaties:
        tussen organismen onderling en hun omgeving

    Te hanteren begrippen

    het agrarisch landschap, de weide, de boer, de irrigatie, de sloten, de zand- en kleigrond,
    de mest, de kunstmest, de pesticide, het gewas, het boerderijdier, de biotoop

    Voorbeelden

    relaties tussen organismen onderling en hun omgeving:
    Vogels eten insecten op akkers. Wind kan zaden verspreiden over het veld. Mest helpt
    planten groeien. Bloemenranden langs akkers trekken bijen en vlinders aan.
  7. WT.113 Begrijpen L5 L6 L6 3.2.1; L6 3.2.5

    Beschrijven kenmerken van de zoetwateromgeving.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken zoetwateromgeving:
    abiotische kenmerken (niet-levend):
        water: natuurlijk het belangrijkste onderdeel
        licht: zonlicht dat in het water schijnt
        temperatuur: hoe warm of koud het water is
        zuurstofgehalte: hoeveel zuurstof er in het water zit
        bodem: zand, slib of stenen op de bodem van het water
        stroming: in rivieren
        pH-waarde: hoe zuur of basisch het water is
    biotische kenmerken (levend):
        planten: waterlelies, riet en kroos
        dieren: vissen (snoek, karper), kikkers, salamanders
        insecten: waterjuffers, muggenlarven, kevers
        micro-organismen: bacteriën, algen
        watervogels: eenden, meerkoeten
        mensen: vissers, wandelaars, zwemmers

    Te hanteren begrippen

    het zoet water, de zoetwateromgeving, de waterkwaliteit, de waterplant, het slib, de
    waterrecreatie, de zuurtegraad, de watervogel, de vis, de amfibie, de bacterie, de alg
  8. WT.114 Begrijpen L5 L6 L6 3.2.1; L6 3.2.8

    Beschrijven het belang van biodiversiteit.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Biodiversiteit:
    verscheidenheid aan levende organismen
    
    Belang biodiversiteit:
    • Meer soorten organismen betekent meer overleving: Als er veel verschillende
        planten en dieren zijn, is de natuur sterker en beter bestand tegen ziekten of
        veranderingen.
    • Bestuiving zorgt voor variatie in plantensoorten. Dat is belangrijk voor gezonde
        ecosystemen waarin planten en dieren van elkaar afhankelijk zijn
    • De natuur houdt zichzelf in evenwicht: bepaalde dieren leven samen in een gebied
        omdat daar de juiste planten groeien of het ene dier voedsel is voor de andere.
        Elke soort heeft “een taak”. Bijen bestuiven bloemen, regenwormen maken de
        bodem gezond en bomen geven zuurstof. Als er soorten verdwijnen, raakt dat
        evenwicht verstoord.

    Te hanteren begrippen

    de biodiversiteit, de overleving, het evenwicht, het ecosysteem
  9. WT.115 Begrijpen L5 L6 L6 3.2.1; L6 3.2.5

    Herkennen relaties binnen biotopen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Biotopen:
    • grasland: enkele typische biotische en abiotische factoren
    • bos: enkele typische biotische en abiotische factoren
    • heide: enkele typische biotische en abiotische factoren
    • de zee en de kust: enkele typische biotische en abiotische factoren
    • stadslandschap: enkele typische biotische en abiotische factoren
    • agrarisch landschap: enkele typische biotische en abiotische factoren
    • zoetwateromgeving: enkele typische biotische en abiotische factoren
    
    Relaties:
    • voedselrelaties: Wie eet wie?
    • concurrentie: Planten of dieren strijden om voedsel, ruimte of licht.
    • symbiose: Samenwerken of afhankelijk zijn van elkaar.
    • Invloed van mens of klimaat op de biotoop.

    Te hanteren begrippen

    het grasland, het bos, de heide, de zee, de kust, het stadslandschap, het agrarisch
    landschap, het zoet water
  10. WT.116 Begrijpen L5 L6 L6 3.2.1; L6 3.2.3

    Illustreren ecosystemen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ecosystemen:
    Een ecosysteem is het geheel van levensgemeenschap(pen) en de niet levende omgeving.
    Wat een ecosysteem uniek maakt, zijn de interacties: voedselketens, concurrentie,
    samenwerking en kringlopen.

    Te hanteren begrippen

    het ecosysteem, de concurrentie, de samenwerking, de kringloop, de voedselketen, de
    interactie

    Voorbeelden

    Karel gaat naar het Zoniënwoud. Hij ontdekt er een gemengd ecosysteem met
    verschillende biotopen zoals loofbos, kalkhelling en beek.
  11. WT.117 Gebruiken K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 3.2.1; L4 3.2.6; L6 3.2.5

    Determineren verschillende biotopen op basis van veel voorkomende organismen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de behoefte, het probleem
  12. WT.118 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Vergelijken biotopen uit de eigen omgeving met dezelfde biotoop elders in de wereld.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

  13. WT.119 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 3.2.6; L6 3.2.4; L6 3.2.8

    Reflecteren over hun eigen zorgzaamheid voor biotopen en de biodiversiteit.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

  14. WT.120 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis over de biotopen, ecosystemen en biodiversiteit in verschillende contexten.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Belle legt tijdens een boswandeling uit dat een bos een biotoop is met een rijke
        biodiversiteit, waar bomen, paddenstoelen, vogels en insecten in balans samenleven.
        Ze wijst erop hoe elke soort een rol speelt in het ecosysteem.
    • Domien ging op reis naar Australië. In de kring bespreekt hij hoe koraalriffen een
        belangrijk ecosysteem vormen in de oceaan en hoe klimaatverandering en vervuiling
        de biodiversiteit daar bedreigen.
  15. WT.121 Begrijpen K2 KO 3.2.1

    Herkennen het principe van eten en gegeten worden.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eten en gegeten worden:
    Er zijn dieren die planten eten en dieren die andere dieren eten.

    Te hanteren begrippen

    eten

    Voorbeelden

    Eten en gegeten worden:
    • Een koe eet gras.
    • Een vogel eet rupsen.
  16. WT.122 Begrijpen K3 KO 3.2.1

    Begrijpen dat organismen in de natuur met elkaar verbonden zijn via eten en gegeten worden.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eten en gegeten worden:
    eenvoudige principe van voedselrelaties: Sommige dieren eten planten, andere dieren
    eten die dieren.
    eenvoudige voedselketen met 2 stappen
    Planten zijn het begin van de keten.

    Voorbeelden

    Eenvoudige eetketens met 2 stappen:
    bladeren – rups: De rups eet bladeren van een boom of struik.
  17. WT.123 Begrijpen L1 L2 L4 3.2.1; L4 3.2.2; L4 3.2.5; L4 3.2.6

    Beschrijven een eenvoudige voedselketen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Voedselketen:
    lineaire voorstelling van organismen
    Elk organisme in de keten wordt gegeten door het volgende organisme.
    Een voedselketen begint meestal bij een plant en eindigt bij een roofdier.

    Te hanteren begrippen

    de voedselketen

    Voorbeelden

    Voedselketen:
    • gras → konijn → vos (Het gras wordt gegeten door het konijn. Het konijn wordt
        gegeten door de vos)
    • gras → sprinkhaan → kikker → reiger
  18. WT.124 Gebruiken L1 L2 L4 3.2.2; L4 3.2.6

    Tekenen een voedselketen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

  19. WT.125 Begrijpen L3 L4 3.2.1; L4 3.2.3; L4 3.2.6

    Illustreren dat de voedselkringloop een cyclus is van eten en gegeten worden.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Voedselkringloop:
    Een voedselkringloop is het natuurlijke proces waarbij voedingsstoffen steeds opnieuw
    worden doorgegeven tussen planten, dieren, afbrekers en de bodem, zodat er geen afval
    is en niets verloren gaat.

    Te hanteren begrippen

    de voedselkringloop, doorgeven van voedingsstoffen, het natuurlijk evenwicht, eten en
    gegeten worden

    Voorbeelden

    Voedselkringloop:
    zonlicht → gras (producent) → konijn (planteneter) → vos (roofdier) → dood dier →
    bodemdiertjes en bacteriën breken af → voedingsstoffen in de bodem → nieuw gras
    groeit
  20. WT.126 Gebruiken L3 L4 3.2.1; L4 3.2.3; L4 3.2.6

    Geven een voedselkringloop.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

  21. WT.127 Begrijpen L4 L4 3.2.1; L4 3.2.5; L4 3.2.6

    Beschrijven een eenvoudige voedselpiramide.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Voedselpiramide:
    Een voedselpiramide is een schematische weergave die laat zien hoe de energie in een
    ecosysteem wordt doorgegeven van de ene soort naar de andere. Deze voorstelling
    maakt zichtbaar dat er steeds minder energie overblijft naarmate je hoger in de piramide
    komt.
    onderste laag: producenten
    middenlagen: consumenten
    top: de toppredatoren
    belangrijke kenmerken:
        De energie neemt af na elke stap, omdat dieren energie gebruiken om te bewegen,
        te groeien.
        Daarom is er minder energie beschikbaar voor elk volgend niveau.
        De basis is het breedst, want zonder veel planten is er geen energie voor de rest.

    Te hanteren begrippen

    de voedselpiramide, de consument, de producent, de (top)predator, de planteneter, de
    vleeseter, de alleseter

    Voorbeelden

    Voedselpiramide:
    Blad → rups → koolmees → sperwer
  22. WT.128 Gebruiken L4 L4 3.2.1; L4 3.2.5; L4 3.2.6

    Geven een voedselpiramide.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

  23. WT.129 Begrijpen L4 L4 3.2.1; L4 3.2.3; L4 3.2.6

    Beschrijven de rol van reducenten in de voedselkringloop.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reducent:
    Organisme dat dode planten, dieren of uitwerpselen afbreekt tot kleine stoffen die terug
    in de bodem terechtkomen. Die stoffen worden opgenomen door planten.

    Te hanteren begrippen

    de reducent, afbreken van voedsel
  24. WT.130 Begrijpen L5 L6 3.2.1; L6 3.2.2; L6 3.2.6

    Illustreren hoe voedselketens samen een voedselweb vormen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Voedselweb:
    Een voedselweb is een netwerk van meerdere voedselketens die met elkaar verbonden
    zijn binnen één ecosysteem. In de natuur eten dieren namelijk vaak meer dan één soort
    voedsel en worden ze op hun beurt ook door meerdere dieren gegeten. Een voedselweb
    laat dus zien hoe alles met elkaar samenhangt.
    Gevolgen bij verstoring van het natuurlijk evenwicht:
        invloed op andere soorten: minder voedsel, meer concurrentie, veranderingen in
        populatiegrootte en ecosysteembalans
        Wanneer een sleutelsoort verdwijnt, geraakt het voedselweb uit evenwicht.

    Te hanteren begrippen

    het voedselweb, afhankelijk zijn van, het ecosysteem

    Voorbeelden

    Een voedselweb in het bos:
    eik → rups → vogel → uil
    bessenstruik → muis → vos
    paddenstoel → slak → egel
    De muis kan ook gegeten worden door een uil. Rupsen worden gegeten door kikkers,
    vogels of egels. Al deze lijnen kruisen elkaar: als één soort verdwijnt, kan dat meerdere
    dieren beïnvloeden in het hele web.
  25. WT.131 Gebruiken L5 L6 3.2.1; L6 3.2.2; L6 3.2.6

    Tekenen een voedselweb.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekenen:
    Tekenen relaties tussen producenten, consumenten en reducenten.
  26. WT.132 Gebruiken L6 L6 3.2.1; L6 3.2.4

    Analyseren een verstoring in een ecosysteem.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Verstoring in ecosysteem:
    • Overbevissing vermindert roofdierenpopulaties.
    • Uitsterven van bestuivers beperkt voedselproductie voor planteneters.
  27. WT.133 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis over de voedselkringloop in verschillende contexten.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Camiel ziet zijn vriend een spin doodtrappen en legt hem uit dat wanneer hij dat
        doet er meer muggen zullen komen die hen kunnen prikken.
    • Charlotte leest een artikel over overbevissing en bespreekt de gevolgen voor het
        voedselweb.
  28. WT.134 Begrijpen K1 K2 K3 GO!-doel

    Herkennen dat sommige dingen opnieuw kunnen worden gebruikt.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Recyclage

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Opnieuw gebruiken:
    vanuit de basishouding: afval vermijden is goed
    sorteren: papier, plastic en restafval
  29. WT.135 Begrijpen L1 L2 L4 3.2.1; L4 3.2.4

    Beschrijven eenvoudige manieren om met afval om te gaan.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Recyclage

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Omgaan met afval:
    stappen:
    • voorkomen
    • hergebruik
    • sorteren

    Te hanteren begrippen

    het sorteren, het hergebruiken, het afval, de vuilnisbak, het plastic, het papier
  30. WT.136 Begrijpen L3 L4 L4 3.2.1; L4 3.2.4

    Beschrijven de afvalladder van Lansink.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Recyclage

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Afvalladder van Lansink:
    de preventie (voorkomen): Zorg dat er géén afval ontstaat.
    het hergebruik: Gebruik producten opnieuw.
    de recyclage (materialen hergebruiken): Grondstoffen herwinnen uit afval.
    de energieterugwinning: Afval verbranden en daarbij energie opwekken.
    het verbranden of storten: Laatste optie; als energieterugwinning niet mogelijk is wordt afval
    verbrand of, als dat niet mogelijk is, in een stortplaats gestort.

    Te hanteren begrippen

    de preventie, het hergebruik, recycleren, de recyclage, het verbranden, het storten,
    milieuvriendelijk

    Voorbeelden

    De preventie:
    Neem een herbruikbare drinkfles mee in plaats van telkens een plastic flesje te kopen.
    Het hergebruik:
    Geef kleren door aan iemand anders of gebruik een glazen potje als bewaardoosje.
    De recyclage:
    Papier, glas of plastic sorteren zodat er weer nieuw materiaal van gemaakt kan worden.
    De energieterugwinning:
    Huisvuil wordt verbrand in een afvalcentrale om stroom of warmte te produceren.
    Het verbranden of storten:
    Als energieterugwinning niet mogelijk is worden spullen die niet herbruikbaar of
    recycleerbaar zijn verbrand of als allerlaatste optie gestort.
  31. WT.137 Gebruiken K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 3.2.4

    Analyseren het omgaan met afval.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Recyclage

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Omgaan:
    • met eigen verbruik
    • met verbruik als groep
    • met verbruik in de omgeving
  32. WT.138 Begrijpen L5 L6 L6 3.2.7

    Duiden dat omgevingen kunnen veranderen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Veranderen:
    • door natuurlijke oorzaken of menselijk ingrijpen
    • tijdelijke en blijvende veranderingen
    • Biodiversiteit kan afnemen of veranderen.
  33. WT.139 Begrijpen L5 L6 L6 3.2.3

    Illustreren de diensten die het ecosysteem levert aan de mens.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Diensten:
    • Wat geeft de natuur ons? : voeding, medicijnen, grondstoffen, water
    • Wat maakt de natuur mooi en leuk? : ontspanning
    • Wat regelt de natuur voor ons? : zuivere lucht, proper water
    • Wat doet de natuur achter de schermen?

    Voorbeelden

    Wat regelt de natuur voor ons?
    zuivere lucht, proper water, het weer, CO₂ opslag in bossen, bescherming tegen
    overstroming
    Wat maakt de natuur leuk en mooi?
    vakantieplekken, ontspanningsplekken, verhalen en kunst, natuur is ook goed voor onze
    gezondheid en geluk
    Wat doet de natuur achter de schermen?
    leefgebied voor planten en vogels, planten groeien door licht en produceren zuurstof,
    biodiversiteit
  34. WT.140 Begrijpen L5 L6 L6 3.2.4

    Beschrijven hoe menselijke activiteiten het ecosysteem beïnvloeden.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beïnvloeden:
    • negatieve impact van mensen: Vervuiling, landbouw, overbevissing en ontbossing
        beïnvloeden producenten, consumenten en afbrekers.
    • positieve impact van mensen: natuur beschermen en herstellen, biodiversiteit
        bevorderen, milieuvriendelijk tuinieren en landbouw, afval vermijden en duurzaam
        omgaan met energie

    Te hanteren begrippen

    de vervuiling, de landbouw
  35. WT.141 Gebruiken L5 L6 L6 3.2.4

    Geven oplossingen om het ecosysteem in balans te houden.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu

  36. WT.142 Begrijpen L5 L6 L6 3.2.8

    Duiden het belang van zorg- en duurzaam om te gaan met het leefmilieu.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Belang:
    behoud van biodiversiteit
    afremmen van klimaatverandering
    bescherming van natuurlijke hulpbronnen
  37. WT.143 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L6 3.2.3; L6 3.2.4; L6 3.2.7; L6 3.2.8

    Reflecteren over hun eigen invloed en die van de mens op het leefmilieu.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu

  38. WT.144 Begrijpen L4 L5 L4 3.2.10; L6 3.2.15

    Beschrijven gelijkenissen en verschillen tussen ouders en nakomelingen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ouders en nakomelingen:
    • mens
    • dier
    
    Gelijkenissen en verschillen:
    Nakomelingen zijn in de regel verschillend van en niet identiek aan hun ouders

    Te hanteren begrippen

    de gelijkenis, het verschil
  39. WT.145 Begrijpen L5 L6 L6 3.1.5; L6 3.2.9; L6 3.2.14; L6 3.2.15

    Herkennen dat mensen en dieren bij het voortplanten erfelijke kenmerken doorgeven.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Doorgeven:
    Eén van de belangrijkste redenen waarom organismen zich voortplanten is het
    voortbestaan van de soort.
    
    Erfelijke kenmerken:
    • uiterlijke eigenschappen: oogkleur, haarkleur, huidskleur, lengte, lichaamsbouw,
        gezichtsvorm
    • medische en biologische eigenschappen: bloedgroep, aanleg voor ziektes,
        allergieën, kleurenblindheid, ontwikkelingsstoornissen

    Te hanteren begrippen

    erfelijk, erven, de erfelijke eigenschap, de erfelijkheid, de oogkleur, de haarkleur, de
    lengte, de bloedgroep, de huidskleur, de allergie, de kleurenblindheid, de vorm van het
    gezicht
  40. WT.146 Begrijpen L5 L6 3.2.9; L6 3.2.16

    Illustreren aangepastheid van organismen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Organismen:
    • mens
    • dier
    
    Aangepastheid:
    • Lichamelijke aangepastheid: fysieke eigenschappen die helpen overleven
    • gedragsmatige aangepastheid: gedrag van een dier of plant dat zijn overleven
        bevordert

    Te hanteren begrippen

    de aangepastheid, veranderen, de schutkleur, de aanpassing

    Voorbeelden

    Lichamelijke aangepastheid:
    Kamelen hebben vet in hun bult om energie op te slaan en sluiten hun neusgaten tegen
    zand.
    Schutkleuren en camouflage helpen dieren om niet op te vallen.
    Uilen jagen ’s nachts. Andere dieren zijn niet aangepast om ’s nachts te jagen en vormen
    dus geen concurrentie voor de uil.
    Gedragsmatige aangepastheid:
    Wolven jagen in groep waardoor ze grotere prooien kunnen vangen dan wanneer ze
    alleen zouden jagen.
    Kamerplanten groeien naar het raam toe om meer licht te vangen.
  41. WT.147 Begrijpen L5 L6 3.2.16

    Illustreren aangepastheid van organismen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Organismen:
    plant
    
    Aangepastheid:
    • aangepastheid aan droogte
    • aangepastheid aan natte of moerassige gebieden
    • aangepastheid aan schaduwrijke plekken
    • verdediging tegen dieren
    • aangepastheid voor voortplanting en verspreiding

    Voorbeelden

    Aangepastheid aan droogte:
    Vetplanten bewaren vocht in hun bladeren of stengels.
    Aangepastheid aan natte of moerassige gebieden:
    Riet heeft holle stengels waarin lucht naar de wortels gaat, zodat ze onder water toch
    kunnen ‘ademen’.
    Aangepastheid aan schaduwrijke plekken:
    Tropische planten met grote bladeren vangen meer licht op in een donkere omgeving.
    Verdediging tegen dieren:
    Doornige struiken zoals de braam, houden grazers op afstand.
    Aangepastheid voor voortplanting en verspreiding:
    Felle bloemen trekken insecten aan voor bestuiving.
  42. WT.148 Begrijpen L6 L6 3.1.5; L6 3.2.9; L6 3.2.11; L6 3.2.13

    Beschrijven evolutie.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Evolutie:
    Een soort is veranderlijk.
    Binnen een soort is er variatie, concurrentie en overerving. De omgeving bepaalt wat
    nodig is om te kunnen overleven.
    De best aangepaste individuen (binnen een populatie) voor die omgeving overleven het
    meest, kunnen dus meer en langer voortplanten en hun genetische kenmerken
    doorgeven. Die kenmerken zullen sterker naar voren komen in de populatie.
    Dit is natuurlijke selectie.

    Te hanteren begrippen

    de evolutie, de natuurlijke selectie, de variatie, de soort

    Voorbeelden

    Evolutie:
    Er zijn witte en grijze vlinders in eenzelfde populatie vlinders die leven tussen witte
    berken. De witte vlinders vallen niet op en worden weinig opgegeten, de grijze vlinders
    worden veel opgegeten door vogels. In deze omgeving zijn de witte vlinders het best
    aangepast. Er wordt een fabriek geplaatst in de omgeving en de berkenstammen
    kleuren grijs van de uitstoot: de witte vlinders vallen nu veel sterker op dan de grijze en
    worden meer opgegeten. In dat geval zijn de grijze vlinders beter aangepast aan de
    omgeving. De omgeving bepaalt of de dieren aangepast zijn of niet. De vlinders zelf
    kunnen zich niet aanpassen.
  43. WT.149 Begrijpen L6 L6 3.2.9; L6 3.2.13

    Illustreren dat soorten uitsterven.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Uitsterven:
    Door natuurlijke oorzaken of door menselijke oorzaken kan een soort uitsterven.
    Uitsterven betekent dat er geen enkel levend exemplaar van een soort meer overblijft.
    Het uitsterven kan geleidelijk of plots gebeuren.
    Het uitsterven van een soort zorgt voor minder biodiversiteit en heeft impact op
    ecosystemen.

    Te hanteren begrippen

    Uitsterven

    Voorbeelden

    Menselijke oorzaken:
    De dodo was een vogel die leefde op het eiland Mauritius. Toen de mens daar kwam,
    werd hij massaal gevangen en uitgeroeid.
    Natuurlijke oorzaken:
    De dinosauriërs stierven ongeveer 65 miljoen jaar geleden uit. Waarschijnlijk gebeurde
    dit door een grote meteorietinslag.
  44. WT.150 Gebruiken L5 L6 L4 3.2.10; L6 3.2.16

    Analyseren veranderingen in organismen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Veranderingen:
    • Sneeuwhazen leven in gebieden met sneeuw in de winter, maar zonder sneeuw in
        de zomer. Sneeuwhazen die hun vacht succesvol wisselen van bruin naar wit in de
        winter overleven meer en krijgen dus meer nakomelingen met hun genen. Na vele
        generaties zijn bijna alle hazen daar wit in de winter.
    • De voorouders van de mens hadden veel lichaamshaar. Dat hielp om warm te
        blijven in koude omgevingen. Toen mensen kleren maakten en vuur gebruikten
        werd dat dikke haar minder belangrijk. Mensen met minder lichaamshaar hadden
        geen nadeel meer en gaven hun eigenschappen door.
  45. WT.151 Gebruiken L5 L6 L4 3.2.10; L6 3.2.14

    Koppelen eigenschappen aan erfelijkheid.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

  46. WT.152 Begrijpen L5 L6 3.2.9; L6 3.2.12

    Herkennen de bouwstenen van organismen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bouwstenen:
    Een cel is het kleinste bouwsteentje van alle levende wezens.
    Cellen zie je niet met het blote oog.
    Sommige organismen bestaan uit heel veel cellen en andere uit slechts één.
    Een cel is de kleinste eenheid van leven.

    Te hanteren begrippen

    de cel, de bouwsteen
  47. WT.153 Begrijpen L6 L6 3.2.9; L6 3.2.12

    Beschrijven dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Organismen:
    die uit één cel bestaan: bacteriën en sommige schimmels
    die uit veel cellen bestaan: planten, schimmels, dieren (waaronder mensen)
    Meercellige organismen bestaan uit miljoenen cellen die samenwerken.
    
    Cellen:
    Verschillende cellen kunnen verschillende functies hebben.
    Cellen kunnen zich delen om te groeien of te herstellen.

    Te hanteren begrippen

    de ééncellige, de meercellige

    Voorbeelden

    Meercellige organismen:
    hond, mier, vinvis, spons, zonnebloem, waterlelie, champignon
  48. WT.154 Begrijpen L6 L6 3.2.12

    Illustreren hoe bij de meeste gewervelde dieren uit een bevruchte eicel een meercellig organisme ontstaat.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Hoe:
    Door celdeling: de meeste gewervelde dieren zijn meercellige organismen die
    “ontstaan” doordat één cel (een eicel), die bevrucht wordt door een andere cel (zaadcel)
    zich herhaaldelijk deelt en zo steeds meer cellen vormt. Elke mens of dier begint als een
    bevruchte cel. Die cel splitst zich in twee cellen. Die twee worden er vier, dan acht, dan
    zestien… In het begin zijn alle cellen hetzelfde maar na een tijdje krijgen ze verschillende
    functies: sommige worden spiercellen, andere zenuwcellen, enz. Cellen met dezelfde
    functie gaan samenwerken en vormen weefsels en organen.

    Te hanteren begrippen

    de celdeling, de meercellige
  49. WT.155 Begrijpen K1 KO 3.2.2

    Herkennen verschillende voedingsmiddelen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

  50. WT.156 Begrijpen K2 KO 3.2.2; KO 3.2.3

    Herkennen gezonde en minder gezonde voedingsmiddelen voor de mens.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Gezonde voedingsmiddelen (“eet regelmatig deze”):
    groenten, fruit, bruin brood, water
    Minder gezonde voedingsmiddelen (“eet niet te vaak deze”):
    snoep, chocolade, frisdrank
  51. WT.157 Begrijpen K3 L1 KO 3.2.2; L4 3.2.12

    Herkennen gezonde en minder gezonde voedingsmiddelen voor de mens.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    gezond, minder gezond, het eten, de drank, de voeding, proeven

    Voorbeelden

    Gezonde voedingsmiddelen (“eet regelmatig deze”):
    groenten, fruit, melk en yoghurt, bruin brood, eieren, water
    Minder gezonde voedingsmiddelen (“eet niet te vaak deze”):
    snoep, chocolade, chips, frisdrank, hamburger
  52. WT.158 Begrijpen K2 K3 KO 3.2.3; KO 3.2.4; KO 3.3.1

    Beschrijven de noodzaak aan voedingsstoffen bij mensen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Noodzaak aan voedingsstoffen:
    Mensen hebben eten nodig om te groeien.
    Eten en drinken geven energie om te groeien, bewegen, nadenken, spelen.
    Als je honger hebt moet je eten.
    Als je dorst hebt moet je drinken.

    Te hanteren begrippen

    groeien, bewegen, denken, het water, eten, drinken, de honger, de dorst
  53. WT.159 Begrijpen L1 L2 L4 9.1.8

    Herkennen verschillende basisvoedingsmiddelen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Basisvoedingsmiddelen:
    groenten en fruit
    brood en graanproducten
    zuivel en alternatieven
    eiwitrijke producten
    dranken

    Te hanteren begrippen

    de groente, het fruit, het brood, de melk, de kaas, de zuivel, het ei, de drank, het water
  54. WT.160 Begrijpen L3 L4 L4 3.2.11; L4 3.2.12; L4 9.1.8

    Illustreren de functies van voedingsmiddelen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Functies:
    • bouwstof: Sommige (eiwitrijke) voedingsmiddelen zorgen voor groei: kaas, melk, ei,
        peulvruchten
    • brandstof: Sommige voedingsmiddelen (koolhydraten en gezonde vetten) geven
        energie: brood, pasta.
    • beschermende stof: Sommige (vitaminerijke) voedingsmiddelen houden je gezond:
        fruit, groenten.
    Gevarieerd:
    • Het eten van verschillende soorten voeding voor een sterk en gezond lichaam.
    • Focus ligt op groenten, fruit, graanproducten, eiwitten en zuivelproducten.

    Te hanteren begrippen

    de voedingsmiddelen, de bouwstof, de brandstof, de beschermende stof, de energie,
    het volkoren brood, de peulvrucht, de noten, de zaden
  55. WT.161 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 KO 3.2.3; KO 3.2.4; L4 3.2.12; L4 9.1.8

    Analyseren de eigen eet- en voedingsgewoonten.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eet- en voedingsgewoonten:
    • frequentie van maaltijden
    • voedselkeuzes
    • mate van evenwichtige voeding
    
    Analyseren:
    reflectie op persoonlijke voorkeuren
  56. WT.162 Begrijpen L4 L4 9.1.8

    Herkennen het verschil tussen bewerkte en onbewerkte voeding.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verschil (on)bewerkte voeding:
    gebruik van bewaarmiddelen, smaakstoffen en kleurstoffen, toevoegen van suikers en
    vetten

    Te hanteren begrippen

    de voeding, de voedingsstof, het bewaarmiddel, de kleurstof, de smaakstof, de
    toegevoegde suiker
  57. WT.163 Begrijpen L4 L4 9.1.8

    Illustreren hoe je gezond en duurzaam eet.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gezond:
    • gezonde, evenwichtige keuzes: in verhouding meer plantaardige dan dierlijke
        voeding eten, minder gesuikerde dranken en vooral water drinken, minder weinig
        tot niet-voedzame voeding eten
    
    Duurzaam:
    • duurzame keuzes: belang van seizoensgroenten en lokaal eten

    Te hanteren begrippen

    de seizoensgroente, het seizoensfruit, het lokaal eten, het biologisch eten, de variatie,
    het verse product, plantaardig, duurzaam, de gezonde voeding, lokaal
  58. WT.164 Begrijpen L5 L6 GO!-doel

    Illustreren evenwichtige, gezonde voeding aan de hand van een voedingsmodel.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Voedingsmodel:
    de voedingsdriehoek (Vlaams Instituut Gezond Leven)
  59. WT.165 Gebruiken L4 L5 L6 KO 3.2.3; KO 3.2.4; L4 3.2.12; L4 9.1.8; L6 3.2.18

    Analyseren de eigen eet- en voedingsgewoonten.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen eet- en voedingsgewoonten:
    • keuze voor voldoende essentiële voedingsstoffen
    • gevarieerde voeding
    • gezonde en duurzame keuzes
  60. WT.166 Begrijpen L5 L6 L6 3.2.17; L6 3.2.18

    Illustreren de functie van de verschillende voedingsstoffen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Voedingsstoffen:
    suikers: energie
    vetten: energie, celstructuur en gezondheid
    eiwitten: spieropbouw en gezondheid
    vitaminen en mineralen: gezondheid en groei
    vezels: gezondheid
    water: niet uitdrogen, afvaltransport uit het lichaam

    Te hanteren begrippen

    de energiebron, de voedingsstof, het eiwit, de suiker, het vet, het mineraal, de
    vitamine, de vezel, het water
  61. WT.167 Begrijpen L6 GO!-doel

    Illustreren voedingsgewoonten bij de mens.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Voedingsgewoonten:
    culturele of persoonlijke eetgewoonten

    Te hanteren begrippen

    de vegetariër, de veganist, de flexitariër, halal, koosjer, glutenvrij, lactosevrij, suikervrij,
    de allergie, de intolerantie
  62. WT.168 Gebruiken L5 L6 L6 3.2.17; L6 3.2.18

    Analyseren voedingsetiketten.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Analyseren:
    ingrediëntenlijst
    tabel voedingswaarde
    nutriscore

    Te hanteren begrippen

    de nutriscore, de voedingswaarde
  63. WT.169 Engageren L4 L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren op het maken van eigen gezonde en duurzame voedingskeuzes.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren:
    • milieu-impact
    • dierenwelzijn
    • gezondheidsimpact
    • voedselverspilling

    Voorbeelden

    • Jan vertelt dat hij naar een verpakkingsvrije winkel geweest is omdat hij wil
        bijdragen aan het milieu.
    • Kimberly maakte een slaatje met de restjes van het avondmaal.
  64. WT.170 Gebruiken L1 L2 L4 3.2.13

    Voeren een groei-onderzoek uit.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderzoek:
    plant met water en zon versus zonder water en/of zonder zon
  65. WT.171 Gebruiken L3 L4 L4 3.2.13

    Voeren een groei-onderzoek uit.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderzoek:
    impact van de variabelen warmte, water en zon
  66. WT.172 Begrijpen L5 L6 3.2.17; L6 3.2.19

    Beschrijven het proces van fotosynthese.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Fotosynthese:
    Zonlicht valt op het blad en wordt dankzij bladgroen (chlorofyl) opgevangen.
    De plant neemt koolstofdioxide op uit de lucht via de huidmondjes in de bladeren.
    De wortels nemen water uit de bodem op, waarna het via de vaatbundels naar de
    bladeren wordt vervoerd.
    In het bladgroen vindt vervolgens de omzetting plaats: koolstofdioxide en water
    worden omgezet in glucose (suiker) en zuurstofgas. De plant heeft hiervoor zonlicht
    nodig als energiebron. De suiker gebruikt de plant als bouwstof (voeding), het water en
    zuurstofgas (afvalstoffen) worden uitgestoten in de lucht.
    De plant gebruikt de glucose (suiker) om te groeien. Het zuurstof wordt door dieren
    (waaronder mensen) en planten zelf gebruikt om te ademen.

    Te hanteren begrippen

    de koolstofdioxide, het bladgroen, de energie, de suiker, het zuurstofgas, de
    fotosynthese
  67. WT.173 Gebruiken L5 L6 3.2.19

    Geven het principe van fotosynthese weer.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)

  68. WT.174 Begrijpen L6 L6 3.2.20; L6 3.2.21

    Begrijpen dat de zon de primaire energiebron is voor het leven op aarde.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Primaire energiebron:
    De zon geeft licht en warmte.
    Planten gebruiken energie van de zon om hun eigen voedsel te maken (fotosynthese).
    Dieren krijgen die zonne-energie via voedsel: dieren eten planten of eten andere dieren
    die planten gegeten hebben. De energie uit voedsel komt dus oorspronkelijk van de
    zon, dus de zon staat eigenlijk aan de start van bijna elke voedselketen. (Uitzondering is
    het diepzee-ecosysteem waar geen zonlicht is)
    De zon beïnvloedt de omgeving: het weer, het klimaat en de waterkringloop.

    Te hanteren begrippen

    de energiebron, de fossiele brandstof
  69. WT.175 Gebruiken L6 L6 3.2.21

    Geven weer hoe bijna elke voedselketen start onder invloed van de energie van de zon.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)