69 doelen
vak: WT ✕ Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop ✕
-
Herkennen de kenmerken van grasland en bos.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Kenmerken: • grasland: open ruimte, gras, zonlicht • bos: schaduwrijke plekken, dichte begroeiing, hoge bomen
-
Herkennen de kenmerken van grasland en bos.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Kenmerken: • grasland: open ruimte, gras, zonlicht • bos: schaduwrijke plekken, dichte begroeiing, hoge bomen • enkele veel voorkomende dieren en planten
Te hanteren begrippen
het gras, de boom, het bos, de schaduw, de open ruimte
-
Illustreren kenmerken van grasland, bos en heide.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Kenmerken: • grasland: open ruimte, gras, zonlicht • bos: schaduwrijke plekken, dichte begroeiing, hoge bomen • heide: droge grond, lage begroeiing, heideplanten • enkele veel voorkomende dieren en planten
Te hanteren begrippen
de heide, het grasland, de heideplant, de droge grond
-
Beschrijven de kenmerken van de zee en de kust.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Kenmerken zee en de kust: Biotische kenmerken (levend): Typische planten: wieren, duinplanten Typische ongewervelde dieren: kwallen, weekdieren, krabben Typische gewervelde dieren: vissen, zeevogels, zeehonden abiotische kenmerken (niet-levend): zout zeewater getijden (eb en vloed) zand temperatuur, zonlicht en wind golfslag relaties: tussen organismen onderling en hun omgevingTe hanteren begrippen
de zee, de kust, het zand, het helmgras, de duinen, veel zonlicht, veel wind, het zeebriesje, koeler
Voorbeelden
Relaties tussen organismen onderling en hun omgeving: Zeewier groeit in zout water. Mosselen kleven vast aan stenen zodat de golven ze niet meenemen. Mosselen leven dicht bij elkaar.
-
Beschrijven kenmerken van het stadslandschap.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Kenmerken stadslandschap: abiotische kenmerken (niet-levend): gebouwen en wegen luchtkwaliteit en temperatuur geluid verlichting biotische kenmerken (levend): mensen huisdieren stadsvogels planten in parken, geveltuintjes of op daken relaties: tussen organismen onderling en hun omgevingTe hanteren begrippen
het stadslandschap, het huisdier, de stadsvogel, het verkeer, de verlichting, de geveltuin, de daktuin, de biotoop
Voorbeelden
relaties tussen organismen onderling en hun omgeving: Afval op straat trekt meeuwen, ratten of duiven aan. Bijen verzamelen nectar bij bloemen in een park. Mos groeit op vochtige muren of stoepen. Vogels gebruiken soms gebouwen als nestplaats.
-
Beschrijven kenmerken van het agrarisch landschap.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Kenmerken agrarisch landschap: abiotische kenmerken (niet-levend): bodemsoort: zand, klei water: irrigatie, sloten temperatuur en zonlicht kunstmest en pesticiden biotische kenmerken (levend): gewassen: graan, aardappelen, groenten boerderijdieren boer en landarbeiders insecten en vogels die op de velden leven relaties: tussen organismen onderling en hun omgevingTe hanteren begrippen
het agrarisch landschap, de weide, de boer, de irrigatie, de sloten, de zand- en kleigrond, de mest, de kunstmest, de pesticide, het gewas, het boerderijdier, de biotoop
Voorbeelden
relaties tussen organismen onderling en hun omgeving: Vogels eten insecten op akkers. Wind kan zaden verspreiden over het veld. Mest helpt planten groeien. Bloemenranden langs akkers trekken bijen en vlinders aan.
-
Beschrijven kenmerken van de zoetwateromgeving.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Kenmerken zoetwateromgeving: abiotische kenmerken (niet-levend): water: natuurlijk het belangrijkste onderdeel licht: zonlicht dat in het water schijnt temperatuur: hoe warm of koud het water is zuurstofgehalte: hoeveel zuurstof er in het water zit bodem: zand, slib of stenen op de bodem van het water stroming: in rivieren pH-waarde: hoe zuur of basisch het water is biotische kenmerken (levend): planten: waterlelies, riet en kroos dieren: vissen (snoek, karper), kikkers, salamanders insecten: waterjuffers, muggenlarven, kevers micro-organismen: bacteriën, algen watervogels: eenden, meerkoeten mensen: vissers, wandelaars, zwemmersTe hanteren begrippen
het zoet water, de zoetwateromgeving, de waterkwaliteit, de waterplant, het slib, de waterrecreatie, de zuurtegraad, de watervogel, de vis, de amfibie, de bacterie, de alg
-
Beschrijven het belang van biodiversiteit.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Biodiversiteit: verscheidenheid aan levende organismen Belang biodiversiteit: • Meer soorten organismen betekent meer overleving: Als er veel verschillende planten en dieren zijn, is de natuur sterker en beter bestand tegen ziekten of veranderingen. • Bestuiving zorgt voor variatie in plantensoorten. Dat is belangrijk voor gezonde ecosystemen waarin planten en dieren van elkaar afhankelijk zijn • De natuur houdt zichzelf in evenwicht: bepaalde dieren leven samen in een gebied omdat daar de juiste planten groeien of het ene dier voedsel is voor de andere. Elke soort heeft “een taak”. Bijen bestuiven bloemen, regenwormen maken de bodem gezond en bomen geven zuurstof. Als er soorten verdwijnen, raakt dat evenwicht verstoord.Te hanteren begrippen
de biodiversiteit, de overleving, het evenwicht, het ecosysteem
-
Herkennen relaties binnen biotopen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Biotopen: • grasland: enkele typische biotische en abiotische factoren • bos: enkele typische biotische en abiotische factoren • heide: enkele typische biotische en abiotische factoren • de zee en de kust: enkele typische biotische en abiotische factoren • stadslandschap: enkele typische biotische en abiotische factoren • agrarisch landschap: enkele typische biotische en abiotische factoren • zoetwateromgeving: enkele typische biotische en abiotische factoren Relaties: • voedselrelaties: Wie eet wie? • concurrentie: Planten of dieren strijden om voedsel, ruimte of licht. • symbiose: Samenwerken of afhankelijk zijn van elkaar. • Invloed van mens of klimaat op de biotoop.
Te hanteren begrippen
het grasland, het bos, de heide, de zee, de kust, het stadslandschap, het agrarisch landschap, het zoet water
-
Illustreren ecosystemen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Ecosystemen: Een ecosysteem is het geheel van levensgemeenschap(pen) en de niet levende omgeving. Wat een ecosysteem uniek maakt, zijn de interacties: voedselketens, concurrentie, samenwerking en kringlopen.
Te hanteren begrippen
het ecosysteem, de concurrentie, de samenwerking, de kringloop, de voedselketen, de interactie
Voorbeelden
Karel gaat naar het Zoniënwoud. Hij ontdekt er een gemengd ecosysteem met verschillende biotopen zoals loofbos, kalkhelling en beek.
-
Determineren verschillende biotopen op basis van veel voorkomende organismen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de behoefte, het probleem
-
Vergelijken biotopen uit de eigen omgeving met dezelfde biotoop elders in de wereld.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
-
Reflecteren over hun eigen zorgzaamheid voor biotopen en de biodiversiteit.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
-
Tonen hun kennis over de biotopen, ecosystemen en biodiversiteit in verschillende contexten.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Biotopen en ecosystemen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
• Belle legt tijdens een boswandeling uit dat een bos een biotoop is met een rijke biodiversiteit, waar bomen, paddenstoelen, vogels en insecten in balans samenleven. Ze wijst erop hoe elke soort een rol speelt in het ecosysteem. • Domien ging op reis naar Australië. In de kring bespreekt hij hoe koraalriffen een belangrijk ecosysteem vormen in de oceaan en hoe klimaatverandering en vervuiling de biodiversiteit daar bedreigen. -
Herkennen het principe van eten en gegeten worden.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eten en gegeten worden: Er zijn dieren die planten eten en dieren die andere dieren eten.
Te hanteren begrippen
eten
Voorbeelden
Eten en gegeten worden: • Een koe eet gras. • Een vogel eet rupsen.
-
Begrijpen dat organismen in de natuur met elkaar verbonden zijn via eten en gegeten worden.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eten en gegeten worden: eenvoudige principe van voedselrelaties: Sommige dieren eten planten, andere dieren eten die dieren. eenvoudige voedselketen met 2 stappen Planten zijn het begin van de keten.
Voorbeelden
Eenvoudige eetketens met 2 stappen: bladeren – rups: De rups eet bladeren van een boom of struik.
-
Beschrijven een eenvoudige voedselketen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Voedselketen: lineaire voorstelling van organismen Elk organisme in de keten wordt gegeten door het volgende organisme. Een voedselketen begint meestal bij een plant en eindigt bij een roofdier.
Te hanteren begrippen
de voedselketen
Voorbeelden
Voedselketen: • gras → konijn → vos (Het gras wordt gegeten door het konijn. Het konijn wordt gegeten door de vos) • gras → sprinkhaan → kikker → reiger -
Tekenen een voedselketen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
-
Illustreren dat de voedselkringloop een cyclus is van eten en gegeten worden.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Voedselkringloop: Een voedselkringloop is het natuurlijke proces waarbij voedingsstoffen steeds opnieuw worden doorgegeven tussen planten, dieren, afbrekers en de bodem, zodat er geen afval is en niets verloren gaat.
Te hanteren begrippen
de voedselkringloop, doorgeven van voedingsstoffen, het natuurlijk evenwicht, eten en gegeten worden
Voorbeelden
Voedselkringloop: zonlicht → gras (producent) → konijn (planteneter) → vos (roofdier) → dood dier → bodemdiertjes en bacteriën breken af → voedingsstoffen in de bodem → nieuw gras groeit
-
Geven een voedselkringloop.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
-
Beschrijven een eenvoudige voedselpiramide.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Voedselpiramide: Een voedselpiramide is een schematische weergave die laat zien hoe de energie in een ecosysteem wordt doorgegeven van de ene soort naar de andere. Deze voorstelling maakt zichtbaar dat er steeds minder energie overblijft naarmate je hoger in de piramide komt. onderste laag: producenten middenlagen: consumenten top: de toppredatoren belangrijke kenmerken: De energie neemt af na elke stap, omdat dieren energie gebruiken om te bewegen, te groeien. Daarom is er minder energie beschikbaar voor elk volgend niveau. De basis is het breedst, want zonder veel planten is er geen energie voor de rest.Te hanteren begrippen
de voedselpiramide, de consument, de producent, de (top)predator, de planteneter, de vleeseter, de alleseter
Voorbeelden
Voedselpiramide: Blad → rups → koolmees → sperwer
-
Geven een voedselpiramide.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
-
Beschrijven de rol van reducenten in de voedselkringloop.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Reducent: Organisme dat dode planten, dieren of uitwerpselen afbreekt tot kleine stoffen die terug in de bodem terechtkomen. Die stoffen worden opgenomen door planten.
Te hanteren begrippen
de reducent, afbreken van voedsel
-
Illustreren hoe voedselketens samen een voedselweb vormen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Voedselweb: Een voedselweb is een netwerk van meerdere voedselketens die met elkaar verbonden zijn binnen één ecosysteem. In de natuur eten dieren namelijk vaak meer dan één soort voedsel en worden ze op hun beurt ook door meerdere dieren gegeten. Een voedselweb laat dus zien hoe alles met elkaar samenhangt. Gevolgen bij verstoring van het natuurlijk evenwicht: invloed op andere soorten: minder voedsel, meer concurrentie, veranderingen in populatiegrootte en ecosysteembalans Wanneer een sleutelsoort verdwijnt, geraakt het voedselweb uit evenwicht.Te hanteren begrippen
het voedselweb, afhankelijk zijn van, het ecosysteem
Voorbeelden
Een voedselweb in het bos: eik → rups → vogel → uil bessenstruik → muis → vos paddenstoel → slak → egel De muis kan ook gegeten worden door een uil. Rupsen worden gegeten door kikkers, vogels of egels. Al deze lijnen kruisen elkaar: als één soort verdwijnt, kan dat meerdere dieren beïnvloeden in het hele web.
-
Tekenen een voedselweb.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Tekenen: Tekenen relaties tussen producenten, consumenten en reducenten.
-
Analyseren een verstoring in een ecosysteem.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Verstoring in ecosysteem: • Overbevissing vermindert roofdierenpopulaties. • Uitsterven van bestuivers beperkt voedselproductie voor planteneters.
-
Tonen hun kennis over de voedselkringloop in verschillende contexten.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Voedselkringloop
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
• Camiel ziet zijn vriend een spin doodtrappen en legt hem uit dat wanneer hij dat doet er meer muggen zullen komen die hen kunnen prikken. • Charlotte leest een artikel over overbevissing en bespreekt de gevolgen voor het voedselweb. -
Herkennen dat sommige dingen opnieuw kunnen worden gebruikt.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Recyclage
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Opnieuw gebruiken: vanuit de basishouding: afval vermijden is goed sorteren: papier, plastic en restafval
-
Beschrijven eenvoudige manieren om met afval om te gaan.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Recyclage
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Omgaan met afval: stappen: • voorkomen • hergebruik • sorteren
Te hanteren begrippen
het sorteren, het hergebruiken, het afval, de vuilnisbak, het plastic, het papier
-
Beschrijven de afvalladder van Lansink.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Recyclage
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Afvalladder van Lansink: de preventie (voorkomen): Zorg dat er géén afval ontstaat. het hergebruik: Gebruik producten opnieuw. de recyclage (materialen hergebruiken): Grondstoffen herwinnen uit afval. de energieterugwinning: Afval verbranden en daarbij energie opwekken. het verbranden of storten: Laatste optie; als energieterugwinning niet mogelijk is wordt afval verbrand of, als dat niet mogelijk is, in een stortplaats gestort.
Te hanteren begrippen
de preventie, het hergebruik, recycleren, de recyclage, het verbranden, het storten, milieuvriendelijk
Voorbeelden
De preventie: Neem een herbruikbare drinkfles mee in plaats van telkens een plastic flesje te kopen. Het hergebruik: Geef kleren door aan iemand anders of gebruik een glazen potje als bewaardoosje. De recyclage: Papier, glas of plastic sorteren zodat er weer nieuw materiaal van gemaakt kan worden. De energieterugwinning: Huisvuil wordt verbrand in een afvalcentrale om stroom of warmte te produceren. Het verbranden of storten: Als energieterugwinning niet mogelijk is worden spullen die niet herbruikbaar of recycleerbaar zijn verbrand of als allerlaatste optie gestort.
-
Analyseren het omgaan met afval.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Recyclage
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Omgaan: • met eigen verbruik • met verbruik als groep • met verbruik in de omgeving
-
Duiden dat omgevingen kunnen veranderen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Veranderen: • door natuurlijke oorzaken of menselijk ingrijpen • tijdelijke en blijvende veranderingen • Biodiversiteit kan afnemen of veranderen.
-
Illustreren de diensten die het ecosysteem levert aan de mens.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Diensten: • Wat geeft de natuur ons? : voeding, medicijnen, grondstoffen, water • Wat maakt de natuur mooi en leuk? : ontspanning • Wat regelt de natuur voor ons? : zuivere lucht, proper water • Wat doet de natuur achter de schermen?
Voorbeelden
Wat regelt de natuur voor ons? zuivere lucht, proper water, het weer, CO₂ opslag in bossen, bescherming tegen overstroming Wat maakt de natuur leuk en mooi? vakantieplekken, ontspanningsplekken, verhalen en kunst, natuur is ook goed voor onze gezondheid en geluk Wat doet de natuur achter de schermen? leefgebied voor planten en vogels, planten groeien door licht en produceren zuurstof, biodiversiteit
-
Beschrijven hoe menselijke activiteiten het ecosysteem beïnvloeden.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Beïnvloeden: • negatieve impact van mensen: Vervuiling, landbouw, overbevissing en ontbossing beïnvloeden producenten, consumenten en afbrekers. • positieve impact van mensen: natuur beschermen en herstellen, biodiversiteit bevorderen, milieuvriendelijk tuinieren en landbouw, afval vermijden en duurzaam omgaan met energieTe hanteren begrippen
de vervuiling, de landbouw
-
Geven oplossingen om het ecosysteem in balans te houden.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu
-
Duiden het belang van zorg- en duurzaam om te gaan met het leefmilieu.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Belang: behoud van biodiversiteit afremmen van klimaatverandering bescherming van natuurlijke hulpbronnen
-
Reflecteren over hun eigen invloed en die van de mens op het leefmilieu.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Relatie tussen organismen onderling en hun omgeving › Invloeden van organismen op leefmilieu
-
Beschrijven gelijkenissen en verschillen tussen ouders en nakomelingen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Ouders en nakomelingen: • mens • dier Gelijkenissen en verschillen: Nakomelingen zijn in de regel verschillend van en niet identiek aan hun ouders
Te hanteren begrippen
de gelijkenis, het verschil
-
Herkennen dat mensen en dieren bij het voortplanten erfelijke kenmerken doorgeven.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Doorgeven: Eén van de belangrijkste redenen waarom organismen zich voortplanten is het voortbestaan van de soort. Erfelijke kenmerken: • uiterlijke eigenschappen: oogkleur, haarkleur, huidskleur, lengte, lichaamsbouw, gezichtsvorm • medische en biologische eigenschappen: bloedgroep, aanleg voor ziektes, allergieën, kleurenblindheid, ontwikkelingsstoornissenTe hanteren begrippen
erfelijk, erven, de erfelijke eigenschap, de erfelijkheid, de oogkleur, de haarkleur, de lengte, de bloedgroep, de huidskleur, de allergie, de kleurenblindheid, de vorm van het gezicht
-
Illustreren aangepastheid van organismen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Organismen: • mens • dier Aangepastheid: • Lichamelijke aangepastheid: fysieke eigenschappen die helpen overleven • gedragsmatige aangepastheid: gedrag van een dier of plant dat zijn overleven bevordertTe hanteren begrippen
de aangepastheid, veranderen, de schutkleur, de aanpassing
Voorbeelden
Lichamelijke aangepastheid: Kamelen hebben vet in hun bult om energie op te slaan en sluiten hun neusgaten tegen zand. Schutkleuren en camouflage helpen dieren om niet op te vallen. Uilen jagen ’s nachts. Andere dieren zijn niet aangepast om ’s nachts te jagen en vormen dus geen concurrentie voor de uil. Gedragsmatige aangepastheid: Wolven jagen in groep waardoor ze grotere prooien kunnen vangen dan wanneer ze alleen zouden jagen. Kamerplanten groeien naar het raam toe om meer licht te vangen.
-
Illustreren aangepastheid van organismen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Organismen: plant Aangepastheid: • aangepastheid aan droogte • aangepastheid aan natte of moerassige gebieden • aangepastheid aan schaduwrijke plekken • verdediging tegen dieren • aangepastheid voor voortplanting en verspreiding
Voorbeelden
Aangepastheid aan droogte: Vetplanten bewaren vocht in hun bladeren of stengels. Aangepastheid aan natte of moerassige gebieden: Riet heeft holle stengels waarin lucht naar de wortels gaat, zodat ze onder water toch kunnen ‘ademen’. Aangepastheid aan schaduwrijke plekken: Tropische planten met grote bladeren vangen meer licht op in een donkere omgeving. Verdediging tegen dieren: Doornige struiken zoals de braam, houden grazers op afstand. Aangepastheid voor voortplanting en verspreiding: Felle bloemen trekken insecten aan voor bestuiving.
-
Beschrijven evolutie.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Evolutie: Een soort is veranderlijk. Binnen een soort is er variatie, concurrentie en overerving. De omgeving bepaalt wat nodig is om te kunnen overleven. De best aangepaste individuen (binnen een populatie) voor die omgeving overleven het meest, kunnen dus meer en langer voortplanten en hun genetische kenmerken doorgeven. Die kenmerken zullen sterker naar voren komen in de populatie. Dit is natuurlijke selectie.
Te hanteren begrippen
de evolutie, de natuurlijke selectie, de variatie, de soort
Voorbeelden
Evolutie: Er zijn witte en grijze vlinders in eenzelfde populatie vlinders die leven tussen witte berken. De witte vlinders vallen niet op en worden weinig opgegeten, de grijze vlinders worden veel opgegeten door vogels. In deze omgeving zijn de witte vlinders het best aangepast. Er wordt een fabriek geplaatst in de omgeving en de berkenstammen kleuren grijs van de uitstoot: de witte vlinders vallen nu veel sterker op dan de grijze en worden meer opgegeten. In dat geval zijn de grijze vlinders beter aangepast aan de omgeving. De omgeving bepaalt of de dieren aangepast zijn of niet. De vlinders zelf kunnen zich niet aanpassen.
-
Illustreren dat soorten uitsterven.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Uitsterven: Door natuurlijke oorzaken of door menselijke oorzaken kan een soort uitsterven. Uitsterven betekent dat er geen enkel levend exemplaar van een soort meer overblijft. Het uitsterven kan geleidelijk of plots gebeuren. Het uitsterven van een soort zorgt voor minder biodiversiteit en heeft impact op ecosystemen.
Te hanteren begrippen
Uitsterven
Voorbeelden
Menselijke oorzaken: De dodo was een vogel die leefde op het eiland Mauritius. Toen de mens daar kwam, werd hij massaal gevangen en uitgeroeid. Natuurlijke oorzaken: De dinosauriërs stierven ongeveer 65 miljoen jaar geleden uit. Waarschijnlijk gebeurde dit door een grote meteorietinslag.
-
Analyseren veranderingen in organismen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Veranderingen: • Sneeuwhazen leven in gebieden met sneeuw in de winter, maar zonder sneeuw in de zomer. Sneeuwhazen die hun vacht succesvol wisselen van bruin naar wit in de winter overleven meer en krijgen dus meer nakomelingen met hun genen. Na vele generaties zijn bijna alle hazen daar wit in de winter. • De voorouders van de mens hadden veel lichaamshaar. Dat hielp om warm te blijven in koude omgevingen. Toen mensen kleren maakten en vuur gebruikten werd dat dikke haar minder belangrijk. Mensen met minder lichaamshaar hadden geen nadeel meer en gaven hun eigenschappen door. -
Koppelen eigenschappen aan erfelijkheid.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
-
Herkennen de bouwstenen van organismen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Bouwstenen: Een cel is het kleinste bouwsteentje van alle levende wezens. Cellen zie je niet met het blote oog. Sommige organismen bestaan uit heel veel cellen en andere uit slechts één. Een cel is de kleinste eenheid van leven.
Te hanteren begrippen
de cel, de bouwsteen
-
Beschrijven dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Organismen: die uit één cel bestaan: bacteriën en sommige schimmels die uit veel cellen bestaan: planten, schimmels, dieren (waaronder mensen) Meercellige organismen bestaan uit miljoenen cellen die samenwerken. Cellen: Verschillende cellen kunnen verschillende functies hebben. Cellen kunnen zich delen om te groeien of te herstellen.
Te hanteren begrippen
de ééncellige, de meercellige
Voorbeelden
Meercellige organismen: hond, mier, vinvis, spons, zonnebloem, waterlelie, champignon
-
Illustreren hoe bij de meeste gewervelde dieren uit een bevruchte eicel een meercellig organisme ontstaat.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Hoe: Door celdeling: de meeste gewervelde dieren zijn meercellige organismen die “ontstaan” doordat één cel (een eicel), die bevrucht wordt door een andere cel (zaadcel) zich herhaaldelijk deelt en zo steeds meer cellen vormt. Elke mens of dier begint als een bevruchte cel. Die cel splitst zich in twee cellen. Die twee worden er vier, dan acht, dan zestien… In het begin zijn alle cellen hetzelfde maar na een tijdje krijgen ze verschillende functies: sommige worden spiercellen, andere zenuwcellen, enz. Cellen met dezelfde functie gaan samenwerken en vormen weefsels en organen.
Te hanteren begrippen
de celdeling, de meercellige
-
Herkennen verschillende voedingsmiddelen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
-
Herkennen gezonde en minder gezonde voedingsmiddelen voor de mens.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Gezonde voedingsmiddelen (“eet regelmatig deze”): groenten, fruit, bruin brood, water Minder gezonde voedingsmiddelen (“eet niet te vaak deze”): snoep, chocolade, frisdrank
-
Herkennen gezonde en minder gezonde voedingsmiddelen voor de mens.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
gezond, minder gezond, het eten, de drank, de voeding, proeven
Voorbeelden
Gezonde voedingsmiddelen (“eet regelmatig deze”): groenten, fruit, melk en yoghurt, bruin brood, eieren, water Minder gezonde voedingsmiddelen (“eet niet te vaak deze”): snoep, chocolade, chips, frisdrank, hamburger
-
Beschrijven de noodzaak aan voedingsstoffen bij mensen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Noodzaak aan voedingsstoffen: Mensen hebben eten nodig om te groeien. Eten en drinken geven energie om te groeien, bewegen, nadenken, spelen. Als je honger hebt moet je eten. Als je dorst hebt moet je drinken.
Te hanteren begrippen
groeien, bewegen, denken, het water, eten, drinken, de honger, de dorst
-
Herkennen verschillende basisvoedingsmiddelen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Basisvoedingsmiddelen: groenten en fruit brood en graanproducten zuivel en alternatieven eiwitrijke producten dranken
Te hanteren begrippen
de groente, het fruit, het brood, de melk, de kaas, de zuivel, het ei, de drank, het water
-
Illustreren de functies van voedingsmiddelen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Functies: • bouwstof: Sommige (eiwitrijke) voedingsmiddelen zorgen voor groei: kaas, melk, ei, peulvruchten • brandstof: Sommige voedingsmiddelen (koolhydraten en gezonde vetten) geven energie: brood, pasta. • beschermende stof: Sommige (vitaminerijke) voedingsmiddelen houden je gezond: fruit, groenten. Gevarieerd: • Het eten van verschillende soorten voeding voor een sterk en gezond lichaam. • Focus ligt op groenten, fruit, graanproducten, eiwitten en zuivelproducten.Te hanteren begrippen
de voedingsmiddelen, de bouwstof, de brandstof, de beschermende stof, de energie, het volkoren brood, de peulvrucht, de noten, de zaden
-
Analyseren de eigen eet- en voedingsgewoonten.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eet- en voedingsgewoonten: • frequentie van maaltijden • voedselkeuzes • mate van evenwichtige voeding Analyseren: reflectie op persoonlijke voorkeuren
-
Herkennen het verschil tussen bewerkte en onbewerkte voeding.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Verschil (on)bewerkte voeding: gebruik van bewaarmiddelen, smaakstoffen en kleurstoffen, toevoegen van suikers en vetten
Te hanteren begrippen
de voeding, de voedingsstof, het bewaarmiddel, de kleurstof, de smaakstof, de toegevoegde suiker
-
Illustreren hoe je gezond en duurzaam eet.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Gezond: • gezonde, evenwichtige keuzes: in verhouding meer plantaardige dan dierlijke voeding eten, minder gesuikerde dranken en vooral water drinken, minder weinig tot niet-voedzame voeding eten Duurzaam: • duurzame keuzes: belang van seizoensgroenten en lokaal etenTe hanteren begrippen
de seizoensgroente, het seizoensfruit, het lokaal eten, het biologisch eten, de variatie, het verse product, plantaardig, duurzaam, de gezonde voeding, lokaal
-
Illustreren evenwichtige, gezonde voeding aan de hand van een voedingsmodel.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Voedingsmodel: de voedingsdriehoek (Vlaams Instituut Gezond Leven)
-
Analyseren de eigen eet- en voedingsgewoonten.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Eigen eet- en voedingsgewoonten: • keuze voor voldoende essentiële voedingsstoffen • gevarieerde voeding • gezonde en duurzame keuzes
-
Illustreren de functie van de verschillende voedingsstoffen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Voedingsstoffen: suikers: energie vetten: energie, celstructuur en gezondheid eiwitten: spieropbouw en gezondheid vitaminen en mineralen: gezondheid en groei vezels: gezondheid water: niet uitdrogen, afvaltransport uit het lichaam
Te hanteren begrippen
de energiebron, de voedingsstof, het eiwit, de suiker, het vet, het mineraal, de vitamine, de vezel, het water
-
Illustreren voedingsgewoonten bij de mens.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Voedingsgewoonten: culturele of persoonlijke eetgewoonten
Te hanteren begrippen
de vegetariër, de veganist, de flexitariër, halal, koosjer, glutenvrij, lactosevrij, suikervrij, de allergie, de intolerantie
-
Analyseren voedingsetiketten.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Analyseren: ingrediëntenlijst tabel voedingswaarde nutriscore
Te hanteren begrippen
de nutriscore, de voedingswaarde
-
Reflecteren op het maken van eigen gezonde en duurzame voedingskeuzes.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van voedingsstoffen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Reflecteren: • milieu-impact • dierenwelzijn • gezondheidsimpact • voedselverspilling
Voorbeelden
• Jan vertelt dat hij naar een verpakkingsvrije winkel geweest is omdat hij wil bijdragen aan het milieu. • Kimberly maakte een slaatje met de restjes van het avondmaal. -
Voeren een groei-onderzoek uit.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Onderzoek: plant met water en zon versus zonder water en/of zonder zon
-
Voeren een groei-onderzoek uit.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Onderzoek: impact van de variabelen warmte, water en zon
-
Beschrijven het proces van fotosynthese.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Fotosynthese: Zonlicht valt op het blad en wordt dankzij bladgroen (chlorofyl) opgevangen. De plant neemt koolstofdioxide op uit de lucht via de huidmondjes in de bladeren. De wortels nemen water uit de bodem op, waarna het via de vaatbundels naar de bladeren wordt vervoerd. In het bladgroen vindt vervolgens de omzetting plaats: koolstofdioxide en water worden omgezet in glucose (suiker) en zuurstofgas. De plant heeft hiervoor zonlicht nodig als energiebron. De suiker gebruikt de plant als bouwstof (voeding), het water en zuurstofgas (afvalstoffen) worden uitgestoten in de lucht. De plant gebruikt de glucose (suiker) om te groeien. Het zuurstof wordt door dieren (waaronder mensen) en planten zelf gebruikt om te ademen.
Te hanteren begrippen
de koolstofdioxide, het bladgroen, de energie, de suiker, het zuurstofgas, de fotosynthese
-
Geven het principe van fotosynthese weer.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)
-
Begrijpen dat de zon de primaire energiebron is voor het leven op aarde.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Primaire energiebron: De zon geeft licht en warmte. Planten gebruiken energie van de zon om hun eigen voedsel te maken (fotosynthese). Dieren krijgen die zonne-energie via voedsel: dieren eten planten of eten andere dieren die planten gegeten hebben. De energie uit voedsel komt dus oorspronkelijk van de zon, dus de zon staat eigenlijk aan de start van bijna elke voedselketen. (Uitzondering is het diepzee-ecosysteem waar geen zonlicht is) De zon beïnvloedt de omgeving: het weer, het klimaat en de waterkringloop.
Te hanteren begrippen
de energiebron, de fossiele brandstof
-
Geven weer hoe bijna elke voedselketen start onder invloed van de energie van de zon.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Energiebronnen en voedingsstoffen › Energiebronnen en voedingsstoffen › Functie van energiebronnen (fotosynthese- zon)