WT.260
Begrijpen
L5
L6
Beschrijven de functie van het voortplantingsstelsel.
Wetenschap en techniek › Het menselijk lichaam › Fysieke functies van het menselijk lichaam › Voortplantingsstelsel
- Leeftijd
- 10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 3.3.2
- In de PDF
- pagina 83
Leerlijn
Beschrijven de functie van het voortplantingsstelsel. MIA Functie: productie van eicellen en zaadcellen, bevruchting, ontwikkeling van de baby, de geboorte
Hangt samen met
- Schakel WT.017 Beschrijven hoe eicellen en zaadcellen bijdragen aan de voortplanting bij de mens. L5,L6
- Schakel WT.018 Beschrijven de voortplanting van de mens. L5,L6
- Vlag WT.019 Illustreren verschillende manieren waarop mensen kinderen kunnen krijgen. L5
- Vlag WT.020 Beschrijven anticonceptiemiddelen. L6
- Vlag WT.154 Illustreren hoe bij de meeste gewervelde dieren uit een bevruchte eicel een meercellig organisme ontstaat. L6
Wordt verwezen vanuit
- Schakel WT.017 Beschrijven hoe eicellen en zaadcellen bijdragen aan de voortplanting bij de mens. L5,L6
- Schakel WT.018 Beschrijven de voortplanting van de mens. L5,L6
- Schakel WT.019 Illustreren verschillende manieren waarop mensen kinderen kunnen krijgen. L5
- Schakel WT.020 Beschrijven anticonceptiemiddelen. L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO
De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.
L4
De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
gewrichten.
L6
De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.
De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.
3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.