Leerplannen Leerplandoelen
WT.255 Engageren L1 L2 L3 L4 L5 L6

Tonen hun kennis van centraal zenuwstelsel in verschillende contexten.

Wetenschap en techniek Het menselijk lichaam Fysieke functies van het menselijk lichaam Centraal zenuwstelsel

Leeftijd
6-7,7-8,8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Tonen
Verwerkingsaspect
Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
Minimumdoelen
L6 3.3.1; L6 3.3.2
In de PDF
pagina 81

Leerlijn

Tonen hun kennis van centraal zenuwstelsel in verschillende contexten.

Voorbeeld
• Nienke bespreekt tijdens een les over veiligheid en reflexen hoe het zenuwstelsel
    ervoor zorgt dat ze haar hand automatisch terugtrekt wanneer ze per ongeluk iets
    warms aanraakt.
• Eli merkt tijdens een sportles op dat zijn lichaam automatisch reageert wanneer hij
    een bal naar zich toe ziet komen. Hij legt uit dat zijn zenuwstelsel signalen
    doorstuurt naar zijn spieren, zodat hij de bal snel kan vangen zonder er eerst over
    na te denken.
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO

De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
    de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
    de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.

L4

De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
    de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
    gewrichten.

L6

De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
    meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
    eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.

De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
    kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.

3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.

3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
    zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
    het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
    baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
    slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
    water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.