Leerplannen Leerplandoelen
WT.247 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6

Tonen hun kennis van de zintuigen in verschillende contexten.

Wetenschap en techniek Het menselijk lichaam Fysieke functies van het menselijk lichaam Waarneming

Leeftijd
4-5,5-6,6-7,7-8,8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Tonen
Verwerkingsaspect
Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
Minimumdoelen
KO 3.3.1; KO 3.3.2; L6 3.3.1; L6 3.3.2
In de PDF
pagina 79,80

Leerlijn

Tonen hun kennis van de zintuigen in verschillende contexten.

Voorbeelden
• Roos vertelt tijdens een schilderactiviteit over de verschillende kleuren verf die ze
    heeft gebruikt en beschrijft hoe de vormen en texturen van haar schilderij eruitzien.
• Johan maakt een wandeling door het bos en gebruikt zijn zintuigen om de omgeving
    te verkennen. Hij beschrijft de kleuren en vormen van bladeren, luistert naar het
fluiten van vogels, voelt de ruwe schors van bomen en ruikt de geur van
paddenstoelen.
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO

De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
    de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
    de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.

L4

De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
    de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
    gewrichten.

L6

De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
    meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
    eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.

De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
    kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.

3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.

3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
    zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
    het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
    baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
    slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
    water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.