WT.207
Begrijpen
K3
Herkennen de delen en de functie van het ademhalingsstelsel.
Wetenschap en techniek › Het menselijk lichaam › Fysieke functies van het menselijk lichaam › Ademhalingsstelsel
- Leeftijd
- 5-6 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- KO 3.3.1; KO 3.3.2
- In de PDF
- pagina 69
Leerlijn
Herkennen de delen en de functie van het ademhalingsstelsel. MIA Functie ademhalingsstelsel: Inademen door de neus of de mond. Deze lucht gaat naar de longen. Uitademen door neus of mond. Delen ademhalingsstelsel: neus, mond, longen Te hanteren begrip de longen, de neus, de mond
Hangt samen met
- Vlag AA.064 Herkennen lucht als essentieel voor het leven op aarde. K2,K3
- Vlag LL.001 Herkennen manieren om de impulsen te controleren. K1,K2,K3
- Vlag LO.091 Demonstreren dat ze hun lichaam kunnen opspannen en ontspannen. K2,K3
- Vlag LO.092 Demonstreren een ontspannen houding of beweging na een beweging die grote inspanning vraagt. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag WT.181 Herkennen lichaamsdelen en organen van de mens. K3
- Vlag WT.182 Beschrijven de functie van lichaamsdelen en organen. K3
Wordt verwezen vanuit
- Vlag AA.064 Herkennen lucht als essentieel voor het leven op aarde. K2,K3
- Vlag WT.181 Herkennen lichaamsdelen en organen van de mens. K3
- Vlag WT.182 Beschrijven de functie van lichaamsdelen en organen. K3
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO
De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.
L4
De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
gewrichten.
L6
De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.
De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.
3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.