Leerplannen Leerplandoelen
WT.194 Gebruiken K3 L1 L2

Lokaliseren de delen van het skelet op het lichaam(schema).

Wetenschap en techniek Het menselijk lichaam Fysieke functies van het menselijk lichaam Skelet en spieren

Leeftijd
5-6,6-7,7-8 jaar
Handelingswerkwoord
Lokaliseren
Verwerkingsaspect
Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
Minimumdoelen
KO 3.3.3; L4 3.3.3
In de PDF
pagina 66

Leerlijn

Lokaliseren de delen van het skelet op het lichaam(schema).

MIA
Delen skelet:
de schedel, de botten

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO

De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
    de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
    de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.

L4

De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
    de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
    gewrichten.

L6

De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
    meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
    eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.

De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
    kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.

3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.

3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
    zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
    het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
    baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
    slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
    water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.

De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.