WT.061
Begrijpen
L4
Beschrijven hoe planten en korstmossen voedingsstoffen verkrijgen.
Wetenschap en techniek › Organismen › Kenmerken van organismen › Flora & schimmels › Kenmerken: voedingswijze
- Leeftijd
- 9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 3.2.8; L4 3.2.9; L6 3.1.3
- In de PDF
- pagina 21,22
Leerlijn
Beschrijven hoe planten en korstmossen voedingsstoffen verkrijgen. MIA Planten: autotroof: Planten die hun eigen voedsel maken met zonlicht, water en stoffen uit de lucht. Korstmossen: symbiose: Een korstmos bestaat uit een wier (alg) en een zwam (schimmel) die samenwerken. Het wier maakt voedsel voor zichzelf en voor de de zwam en de zwam zorgt voor water en mineralen voor het wier. Ze zorgen dus beiden voor een voordeel voor elkaar zodat het geheel (het korstmos) kan overleven. Te hanteren begrip de symbiose
Hangt samen met
- Vlag WT.048 Beschrijven de functie van de basisdelen van een plant. L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag WT.048 Beschrijven de functie van de basisdelen van een plant. L3,L4
- Vlag WT.171 Voeren een groei-onderzoek uit. L3,L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Organismen”
KO
De kleuters kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot
organismen: de fauna, de zoogdieren, de vogels, de
vissen, de insecten, de flora.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
De kleuters kunnen
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
L4
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de
amfibieën, de ongewervelde dieren, de spinachtigen, de
schimmels.
3.1.2 de classificatie van organismen:
• de fauna:
o de gewervelde dieren:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
• de flora;
• de schimmels.
3.2.3 de rol van organismen in de voedselkringloop:
producenten, consumenten, reducenten.
3.2.7 de volgende begrippen:
• de wortel, de stam, de stengel, het blad, de bloem,
de vrucht, het zaad;
• het transport.
3.2.8 de functie van de verschillende delen van een plant:
wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.
De leerlingen weten
3.2.9 dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren
en planten.
L6
De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: het classificeren, de
taxonomie, de reptielen, de geleedpotigen, de
zaadplanten, de sporenplanten, de bacteriën.
3.1.2 de classificatie van organismen.
• de fauna:
o de gewervelden:
▪ de zoogdieren;
▪ de vogels;
▪ de reptielen;
▪ de amfibieën;
▪ de vissen.
o de ongewervelden:
▪ de geleedpotigen:
▪ de insecten;
▪ de spinachtigen.
o andere ongewervelden.
• de flora;
o de zaadplanten;
o de sporenplanten.
• de schimmels;
• de bacteriën.
3.1.4 de volgende begrippen: de voortplanting, de
geslachtelijke voortplanting, de ongeslachtelijke
voortplanting, de bestuiving, de bevruchting.
3.1.5 redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
3.1.6 het proces van geslachtelijke en ongeslachtelijke
voortplanting bij zaadplanten.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen beschrijven op basis van kenmerken:
bouw en voortplantingswijze.
3.1.7 verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de
voortplanting van fauna.
3.1.7 het belang van insecten bij de bestuiving van
zaadplanten.
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.2.10 de functie van de verschillende delen van een
bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper,
vruchtbeginsel, meeldraden.
3.2.11 het concept van evolutie.
De leerlingen weten
3.2.14 dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun
ouders meekrijgen.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen classificeren op basis van kenmerken:
bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
3.1.8 onderscheid maken tussen geslachtelijke en
ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
KO De kleuters kennen L4 De leerlingen kennen L6 De leerlingen kennen
3.1.3 de volgende begrippen in verband met de
levenscyclus: geboren worden, kiemen, groeien, sterven.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.
3.1.4 de volgende begrippen: de levenscyclus, de
metamorfose.
3.1.5 de levenscyclus van fauna, voor elk van deze
groepen: zoogdieren, vogels, amfibieën, insecten.
3.1.6 de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij
de mens.
3.3.1 de volgende begrippen:
● de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
● de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de
penis, het sperma, de eierstok, de eileider, de
eicel, de baarmoeder, de vagina;
● de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
● de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader,
de slagader, de haarvaten, zuurstofrijk,
zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.