WI.971
Begrijpen
K3
L1
L2
Herkennen hoe een eenvoudig lineair algoritme opgebouwd is volgens de principes van computationeel denken.
Wiskunde › Probleemoplossend denken en vraagstukken › Probleemoplossend denken › Computationeel denken
- Leeftijd
- 5-6,6-7,7-8 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 8.1.3
- In de PDF
- pagina 2,3
Leerlijn
Herkennen hoe een eenvoudig lineair algoritme opgebouwd is volgens de principes van
computationeel denken.
MIA
Algoritme:
• niet-digitaal (unplugged)
Principes van computationeel denken:
• abstractie: Het focussen op wat echt belangrijk is en het weglaten van details die er
niet toe doen.
• decompositie: Het verdelen van een eenvoudige en concrete taak of probleem in
kleinere, haalbare stukjes.
• patroonherkenning: Het zien van herhalingen of gelijkenissen.
• algoritmisch denken: Stap voor stap een oplossing opbouwen
Voorbeelden
Niet-digitaal:
• Bisma begrijpt dat je de taak ‘kleren aantrekken’ kan opsplitsen in kleinere taken
die je in de juiste volgorde doet. Ze zegt: "Wanneer ik mijn kleren aantrek dan doe
ik eerst mijn ondergoed en sokken aan, dan mijn broek en T-shirt, dan een trui en
daarna een jas en schoenen.” (decompositie; algoritmisch denken)
• De kinderen spelen “Zoek de schat” in de klas. Eén kind moet een ander kind naar
de schat leiden met eenvoudige instructies zoals: stap vooruit, draai links, draai
rechts. De kinderen leren dat ze niet alles moeten vertellen. Details zoals: “je ziet de
zandbak aan het raam” of “er hangt een tekening aan de muur” zijn niet belangrijk
om de schat te vinden. (abstractie)
• Yasmina legt het dansje uit aan haar vriendinnen en focust op het terugkerend
patroon: “klap, stamp, draai” (patroonherkenning)
• Seppe geeft instructies aan een klasgenoot om een toren van blokken te bouwen en
verwoordt volgende deelstappen: “Neem een groot blok. Zet hem op de grond.
Neem een kleinere blok. Zet die bovenop de grote blok.” Seppe begrijpt dat als de
volgorde fout is, de toren niet goed lukt. (algoritmisch denken; decompositie)
Hangt samen met
- Vlag IT.015 Herkennen hoe een eenvoudig lineair algoritme opgebouwd is volgens de principes van computationeel denken. K3,L1,L2
Wordt verwezen vanuit
- Vlag IT.015 Herkennen hoe een eenvoudig lineair algoritme opgebouwd is volgens de principes van computationeel denken. K3,L1,L2
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Probleemoplossend denken en vraagstukken”
KO
De kleuters kunnen
2.6.1 problemen in spel- en leersituaties oplossen
gebruikmakend van wiskundige elementen, door:
• op zoek te gaan naar manieren om een probleem op
te lossen, ook als er meerdere oplossingen zijn;
• concreet materiaal te gebruiken;
• hun ideeën te delen met anderen.
L4
De leerlingen kennen
8.1.2 het volgende begrip: het algoritme.
De leerlingen kunnen
2.2.11 betekenisvolle situaties omzetten naar
bewerkingen met natuurlijke getallen en decimale
getallen.
2.6.1 wiskundige problemen oplossen met minstens 1
bewerking/handeling, door:
• denkstappen bij wiskundige problemen toe te
passen;
< bv: * het probleem in eigen woorden vertellen;
* het gegeven en het gevraagde onderscheiden;
* herkennen of een routineuze methode (zie
vraagstukken) of heuristische methode nodig is;
* overbodige gegevens negeren;
* fouten aangrijpen als aanknoping voor wat nodig is
voor een correcte oplossing;
* controleren of antwoorden mogelijk zijn. >
• heuristieken toe te passen.
< bv:* concreet materiaal gebruiken;
* een tekening of schets maken;
* een schema of tabel maken;
* een systematiek herkennen en voortzetten
(patroonherkenning);
* gissen en missen. >
8.1.3 onder begeleiding de principes van computationeel
denken toepassen om een lineair algoritme te ontwerpen,
L6
De leerling kan
2.2.4 betekenisvolle situaties omzetten naar bewerkingen
met breuken en procenten.
2.6.1 wiskundige problemen oplossen met meerdere
bewerkingen/handelingen, door:
• denkstappen bij wiskundige problemen toe te
passen;
< bv: * de denkstappen van het 4de jaar toepassen;
* een model om problemen op te lossen hanteren
zoals het model van Polya dat de volgende stappen
onderscheidt: (1) een probleem begrijpen, (2) een
plan maken, (3) een plan uitvoeren, (4) reflectie. >
• heuristieken toe te passen.
< bv. * de heuristieken van het 4de jaar toepassen;
* naar analogie te werken met soortgelijke, eerder
opgeloste problemen;
* een probleem opsplitsen in deelproblemen
(decompositie);
* een gegeven voorlopig buiten beschouwing laten;
* moeilijke gegevens tijdelijk vervangen door
eenvoudige;
* een algoritme ontwerpen om het probleem op te
lossen;
* abstraheren. >
De leerlingen kunnen
8.1.3 onder begeleiding de principes van computationeel
denken toepassen om een algoritme te ontwerpen, te
testen en debuggen om tot een werkende oplossing te
komen:
• de principes van computationeel denken: abstractie,
decompositie, patroonherkenning, algoritme;
< * abstractie: het focussen op wat belangrijk is en het
weglaten van overbodige details
* decompositie: het opdelen van een groot probleem in
kleinere, hanteerbare delen
* patroonherkenning: het zien van gelijkenissen en
herhalingen in gegevens of
opdrachten, bv. in reeksen, ritmes, bewegingen en
programmeeropdrachten
* algoritme: een expliciete reeks eenduidige instructies die
stapsgewijs moeten worden
uitgevoerd, waarbij zowel de instructies als hun volgorde
essentieel zijn om het gewenste resultaat te bereiken om
zowel een niet-digitaal als digitaal probleem op te
lossen >
• opbouw van algoritme: sequentie;
testen en debuggen om tot een werkende oplossing te
komen:
• opbouw van algoritme: combinatie van sequentie,
herhaling, keuze;
KO
L4
De leerlingen kunnen
2.6.2 met natuurlijke getallen tot en met 1 000 (of grotere
getallen met eindnullen), decimale getallen (tot op 1
honderdste) en breuken (noemer tot en met 20 of
breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze breuken):
vraagstukken oplossen over:
• de bewerkingen met (enkelvoudige vraagstukken):
o natuurlijke getallen voor optellen, aftrekken,
vermenigvuldigen en delen;
o decimale getallen en breuken voor optellen
en aftrekken.
• verhoudingen met behulp van een verhoudingstabel
waarbij:
o vaste verhoudingen worden vastgesteld;
< bv. verhouding blauwe en rode kralen in
kralenkettingen >
o gelijkwaardige verhoudingen bepaald
worden;
o het ontbrekende verhoudingsgetal berekend
wordt;
L6
De leerling kan
2.6.2 met natuurlijke getallen tot en met 10 000 (of
grotere getallen met eindnullen), decimale getallen (tot
op 1 duizendste) en breuken (noemer tot en met 100):
(samengestelde) vraagstukken oplossen over:
• breuken en procenten met:
o een breuk als operator of deel/geheel;
o groeipercentages;
< bv. een bevolkingstoename >
o absolute en relatieve vergelijkingen (met
verhoudingstabel, een breuk of een
procent).
< bv. in de Vlinderschool (100 lln.) fietst
48%, in de Parkschool (2000 lln.) een vijfde.
Relatief meer fietsers in de Vlinderschool,
absoluut meer in de Parkschool. >
• delers, veelvouden en restbepaling;
• de bewerkingen (+, -, x, :) met (samengestelde
vraagstukken):
o natuurlijke getallen;
o decimale getallen, breuken, procenten.
o recht evenredige grootheden een rol spelen.
< bv. aantal-prijs, massa-prijs, een recept
van 2 personen omzetten naar 6 personen >
• één grootheid: lengte, oppervlakte, inhoud, massa,
tijd, geld, temperatuur.
• ongelijke verdeling waarbij:
o de som en het verschil gegeven zijn;
o de som en de verhouding van de delen
gegeven zijn.
• mengsels;
• verhoudingen met behulp van een verhoudingstabel
(waaronder de regel-van-drie) waarbij:
o gelijkwaardige verhoudingen bepaald
worden;
o het ontbrekende verhoudingsgetal berekend
wordt;
o recht, omgekeerd en niet-evenredige
grootheden een rol spelen.
< bv. aantal-prijs, afstand-prijs, afstand-tijd,
massa-prijs, aantal dieren-hoeveelheid voedsel,
debiet-tijd, tijd-snelheid >
• één grootheid: lengte, oppervlakte, inhoud, volume,
massa, tijd, geld, temperatuur, hoekgrootte;
• relaties tussen grootheden (zonder en met
procenten):
o prijsberekeningen: winst/verlies, korting,
prijsstijging, enkelvoudige interest;
o bruto/tarra/netto ;
o afstand, snelheid en tijd;
o schaal, lengte op schaal en werkelijke lengte.
• meetkundige figuren waarbij de eigenschappen
gebruikt worden;
• statistiek met tabellen, grafieken, diagrammen,
gemiddelde en mediaan.