Leerplannen Leerplandoelen
WI.906 Gebruiken K3 L1

Onderscheiden zekere en onzekere gebeurtenissen van elkaar.

Wiskunde Kansrekenen en statistiek Kansrekenen

Leeftijd
5-6,6-7 jaar
Handelingswerkwoord
Onderscheiden
Verwerkingsaspect
Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
Minimumdoelen
KO 2.5.1; KO 2.5.2
In de PDF
pagina 1

Leerlijn

Onderscheiden zekere en onzekere gebeurtenissen van elkaar.

Voorbeeld
• Om tien uur eet Boris een stuk fruit.
• Wanneer Robbe een dobbelsteen gooit, weet hij niet welk getal er komt.

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Kansrekenen en statistiek”
KO

De kleuters kennen
2.5.1 de volgende begrippen [F]:
• kan, kan niet;
• altijd, niet, nooit;
• mogelijk, misschien, soms.

De kleuters kunnen
2.5.2 zekere en onzekere gebeurtenissen van elkaar
onderscheiden.
< bv. ik poets vandaag mijn tanden/opa en oma komen
vandaag misschien op bezoek >
2.5.3 de waarschijnlijkheid van gebeurtenissen
beschrijven door gebruik te maken van gepaste
begrippen.
< bv. ik steek nooit over bij een rood licht/op donderdag
hebben we altijd turnles >

L4

L6

De leerling kent
2.5.1 een kans als de verhouding van het aantal gunstige
uitkomsten tot het aantal mogelijke uitkomsten [I] .
< bv. een muntstuk heeft 2 zijden, de munt is 1 van de
zijden. De kans op munt is 1/2.>
2.5.2 een kans als een breuk en als procent [I] .
2.5.3 de volgende begrippen [F]: de kans, de uitkomst(en).

De leerling kan
2.5.4 kansen berekenen voor enkelvoudige
gebeurtenissen door de verhouding te bepalen van het
aantal gewenste uitkomsten en het aantal mogelijke
uitkomsten.
KO

De kleuters kunnen
2.5.4 gegevens over de klas verzamelen, ordenen en
voorstellen.
< bv. lievelingskleuren in de klas voorstellen met blokjes
per gekozen kleur en de meest populaire kleur vinden als
de kleur met het grootste aantal blokjes; grote vloer-
matrix met op de rijen ‘trui/t-shirt dragen’ en op de
kolommen ‘rood/geel/blauw/groen’ >

L4

De leerlingen kennen
2.5.1 de volgende begrippen [F]:
• de tabel;
• het staafdiagram, het beelddiagram, de lijngrafiek,
    het cirkeldiagram.

De leerlingen kunnen
2.5.2 informatie uit tabellen, lijngrafieken, beeld-, staaf-
en (op zicht afleesbare)cirkeldiagrammen aflezen,
interpreteren en vergelijken om daarmee afwegingen te
maken.
< op zicht afleesbare cirkeldiagrammen zijn
cirkeldiagrammen met delen ½, ¼, 1/8, 1/3, 1/6 of
veelvouden hiervan >
2.5.3 tabellen en staafdiagrammen opstellen op basis van
(zelf)verzamelde gegevens.

L6

De leerling kent
2.5.5 het verband tussen een cirkeldiagram en de kennis
van hoeken, breuken, procenten [I].
2.5.6 grafieken waarbij twee grootheden ten opzichte van
elkaar worden weergegeven [I].
< bv. een tijd-afstandsgrafiek, een grafiek waarbij
schermtijd wordt uitgezet tegen aantal uren slapen, een
grafiek die (gemiddelde) massa en lengte uitzet >
2.5.7 het gemiddelde als de verhouding van de som van
alle waarden op het aantal waarden [I].
2.5.8 het gemiddelde als een gelijke verdeling van een
hoeveelheid [I].
< bv. als ik 120 bonbons verdeel over 10 leerlingen, dan
moet ik 12 bonbons geven aan elke leerling (het
gemiddelde is 12). >
2.5.9 de mediaan als de middelste waarde in geordende
gegevens [I].
2.5.10 het principe dat het gemiddelde niet altijd
samenvalt met de mediaan [I].
< bv. als het gemiddelde op een toets 6/10 is, betekent dit
niet (noodzakelijk) dat de helft van de leerlingen hoger
scoorde dan 6/10. >
2.5.11 de volgende begrippen [F]:
• het cirkeldiagram;
• de verticale as, de horizontale as ;
• het gemiddelde, de mediaan.

De leerling kan
2.5.12 informatie uit een cirkeldiagram, staafdiagram of
lijngrafiek met twee grootheden aflezen, interpreteren en
vergelijken.
2.5.13 lijngrafieken en cirkeldiagrammen opstellen op
basis van (zelf)verzamelde gegevens.
2.5.14 het gemiddelde en de mediaan berekenen van
(zelf)verzamelde gegevens.