NL.621
Begrijpen
L3
L4
L5
L6
Bedenken een eigen geschreven talige creatie.*
Nederlands › Literatuur › Creatieve expressie in taal › Creatief schrijven
- Leeftijd
- 8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Bedenken
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 1.5.9; L6 1.5.5
- In de PDF
- pagina 12
Leerlijn
Bedenken een eigen geschreven talige creatie.* Voorbeelden Talige creaties: • een gedicht met een bepaald rijmschema • een rap • een brief • een verhaal met begin, midden, slot • een mop met een verrassende wending of clou • een toneel- of filmdialoog • een songtekst *op basis van voorbeelden
Hangt samen met
- Vlag MV.055 Gebruiken een eenvoudig scenario. L5,L6
- Vlag NL.118 Reflecteren over het eigen gebruik van leesstrategieën. L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.129 Begrijpen de functie van hoofdletters en interpunctie bij het lezen van een tekst. L1,L2
- Vlag NL.133 Begrijpen vormelijke elementen van tekststructuur. L5,L6
- Vlag NL.274 Beschrijven het schrijfdoel en -publiek. L2,L3,L4
- Vlag NL.275 Beschrijven het schrijfdoel en -publiek. L5,L6
- Vlag NL.276 Bepalen het schrijfdoel en -publiek. K2,K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.277 Selecteren een teksttype dat het best bij het schrijfdoel en het -publiek past. L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.279 Beschrijven manieren om een bepaald schrijfonderwerp voor te bereiden. L2,L3,L4
- Vlag NL.280 Beschrijven manieren om een bepaald schrijfonderwerp voor te bereiden. L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.363 Gebruiken expressie bij het spreken, vertellen en presenteren. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Literatuur”
KO De kleuters kennen 1.5.1 auteur, illustrator, titel, kaft. De kleuters kunnen 1.5.2 gedachten of gevoelens verwoorden bij het in contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.3 een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen of personages. 1.5.4 in eigen woorden de kern van een prentenboek navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen. L4 De leerlingen kennen 1.5.1 personage, hoofdpersonage, thema. 1.5.2 plot: belangrijkste gebeurtenissen. 1.5.3 context: tijd en plaats. De leerlingen kunnen 1.5.4 voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur. 1.5.5 aangereikte en zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.6 verwoorden waarom een tekst aanspreekt. 1.5.7 verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en emoties en gedachten tijdens het lezen van de tekst. 1.5.8 complexere verhaallijnen navertellen. 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. L6 De leerling kent 1.5.1 vertelperspectief: ik-verteller. De leerling kan 1.5.2 literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non- fictie en bekroonde jeugdliteratuur. 1.5.3 zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.4 elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
KO De kleuters kunnen 1.5.5 experimenteren met taal en verhalen via spreken, tekenen en eenvoudige spelvormen. L4 De leerlingen kunnen 1.5.9 op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog > L6 De leerling kan 1.5.5 een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk presenteren. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog >