NL.604
Gebruiken
L2
L3
L4
Spreken met elkaar over boeken, teksten en bijhorende illustraties.
Nederlands › Literatuur › Interactie met literatuur › Spreken over literatuur
- Leeftijd
- 7-8,8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Spreken
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L4 1.5.6
- In de PDF
- pagina 8
Leerlijn
Spreken met elkaar over boeken, teksten en bijhorende illustraties. MIA Spreken: • leesvoorkeuren geven • leesmotivatie beschrijven • leesdoel formuleren • vragen stellen en vragen beantwoorden • eigen meningen formuleren Te hanteren begrippen de motivatie
Hangt samen met
- Vlag LL.048 Herkennen cognitieve strategieën om informatie te verwerven en te verwerken. L3,L4
- Vlag NL.098 Geven eigen gedachten en meningen weer over teksten. L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.108 Reflecteren over de keuze van zelf gekozen gelezen teksten in functie van het leesdoel. L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.413 Participeren aan gesprekken. L1,L2
- Vlag NL.414 Participeren aan gesprekken. L3,L4
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.098 Geven eigen gedachten en meningen weer over teksten. L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.108 Reflecteren over de keuze van zelf gekozen gelezen teksten in functie van het leesdoel. L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.413 Participeren aan gesprekken. L1,L2
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Literatuur”
KO De kleuters kennen 1.5.1 auteur, illustrator, titel, kaft. De kleuters kunnen 1.5.2 gedachten of gevoelens verwoorden bij het in contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.3 een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen of personages. 1.5.4 in eigen woorden de kern van een prentenboek navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen. L4 De leerlingen kennen 1.5.1 personage, hoofdpersonage, thema. 1.5.2 plot: belangrijkste gebeurtenissen. 1.5.3 context: tijd en plaats. De leerlingen kunnen 1.5.4 voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur. 1.5.5 aangereikte en zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.6 verwoorden waarom een tekst aanspreekt. 1.5.7 verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en emoties en gedachten tijdens het lezen van de tekst. 1.5.8 complexere verhaallijnen navertellen. 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. L6 De leerling kent 1.5.1 vertelperspectief: ik-verteller. De leerling kan 1.5.2 literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non- fictie en bekroonde jeugdliteratuur. 1.5.3 zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.4 elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
KO De kleuters kunnen 1.5.5 experimenteren met taal en verhalen via spreken, tekenen en eenvoudige spelvormen. L4 De leerlingen kunnen 1.5.9 op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog > L6 De leerling kan 1.5.5 een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk presenteren. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog >