IT.008
Gebruiken
L4
Bepalen om al dan niet digitale systemen te gebruiken.
- Leeftijd
- 9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Bepalen
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L4 8.1.1; L4 8.2.2
- In de PDF
- pagina 4
Leerlijn
Bepalen om al dan niet digitale systemen te gebruiken.
MIA
Keuze voor offline of online gebruik
Voorbeelden
• Gebruiksgemak: Noor verkiest het antwoord via een zoekmachine te zoeken omdat
dit sneller gaat dan via een encyclopedie.
• Plezier en voldoening: Sanne beleeft meer plezier en voldoening aan het tekenen
op papier dan het digitaal tekenen
• Beschikbaarheid: Jesse maakt zijn huiswerk offline omdat de laptop niet
beschikbaar is.
Hangt samen met
- Vlag LL.068 Verwoorden vakspecifieke leerstrategieën. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Computationeel denken”
KO
L4
De leerlingen kunnen
8.1.1 de volgende begrippen gebruiken: digitaal, het
internet, de hardware, de software, de invoer, de
verwerking, de uitvoer, de opslag, verzenden, ontvangen,
offline, online.
8.2.2 aangereikte invoer- en uitvoerapparaten functioneel
gebruiken met inbegrip van basisgebruik van een
toetsenbord.
L6
De leerlingen kennen
8.1.1 het proces van digitale informatieverwerking en
begrijpen hoe digitale systemen met elkaar verbonden
kunnen worden om te communiceren:
• samenhang tussen invoer, verwerking, uitvoer en
opslag;
• gegevensuitwisseling tussen digitale systemen;
• verbinding tussen systemen;
< bv. via kabel, wifi of mobiel internet >
• verwerking en opslag van gegevens op een andere
locatie dan het eigen digitale apparaat.
< bv. * Leerlingen begrijpen dat een tablet een
bericht verwerkt: je typt iets (invoer), het toestel
verwerkt dit en toont het bericht op het scherm
(uitvoer). * Leerlingen begrijpen dat bij online gamen
meerdere spelers tegelijk in verbinding staan via het
internet, zodat ze samen kunnen spelen en
communiceren (realtime gegevensuitwisseling). >
8.1.2 de volgende begrippen: de invoer, de uitvoer, de
opslag, de informatieverwerking, het netwerk, de
verbinding.
KO L4 De leerlingen kennen 8.1.2 het volgende begrip: het algoritme. De leerlingen kunnen 8.1.3 onder begeleiding de principes van computationeel denken toepassen om een lineair algoritme te ontwerpen, L6 De leerlingen kunnen 8.1.3 onder begeleiding de principes van computationeel denken toepassen om een algoritme te ontwerpen, testen en debuggen om tot een werkende oplossing te komen: • opbouw van algoritme: combinatie van sequentie, herhaling, keuze.
testen en debuggen om tot een werkende oplossing te
komen:
• de principes van computationeel denken: abstractie,
decompositie, patroonherkenning, algoritme;
< * abstractie: het focussen op wat belangrijk is en
het weglaten van overbodige details *decompositie:
het opdelen van een groot probleem in kleinere,
hanteerbare delen
* patroonherkenning: het zien van gelijkenissen en
herhalingen in gegevens of opdrachten, bv. in
reeksen, ritmes, bewegingen en
programmeeropdrachten * algoritme: een expliciete
reeks eenduidige instructies die stapsgewijs moeten
worden uitgevoerd, waarbij zowel de instructies als
hun volgorde essentieel zijn om het gewenste
resultaat te bereiken om zowel een niet-digitaal als
digitaal probleem op te lossen >
• opbouw van algoritme: sequentie.