IT.006
Gebruiken
L3
L4
Classificeren hardware en software.
- Leeftijd
- 8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Classificeren
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L4 8.1.1
- In de PDF
- pagina 3
Leerlijn
Classificeren hardware en software.
MIA
Hardware en software:
Onderscheid en belang hiervan:
• probleemoplossend denken: Wanneer een apparaat niet goed werkt, helpt het
onderscheid tussen hardware en software bij het vinden van de oorzaak.
• digitale geletterdheid: In een wereld waarin technologie overal aanwezig is, helpen
de begrippen om bewuster en vaardiger om te gaan met digitale apparaten.
Voorbeelden
Probleemoplossend denken:
Is het een defecte harde schijf (hardware) of een fout in het besturingssysteem
(software)?
Digitale geletterdheid:
Een computer kan sneller werken door betere hardware, software-updates zijn
belangrijk voor beveiliging en prestaties.
Hangt samen met
- Vlag LL.098 Voeren een onderzoek uit. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Computationeel denken”
KO
L4
De leerlingen kunnen
8.1.1 de volgende begrippen gebruiken: digitaal, het
internet, de hardware, de software, de invoer, de
verwerking, de uitvoer, de opslag, verzenden, ontvangen,
offline, online.
8.2.2 aangereikte invoer- en uitvoerapparaten functioneel
gebruiken met inbegrip van basisgebruik van een
toetsenbord.
L6
De leerlingen kennen
8.1.1 het proces van digitale informatieverwerking en
begrijpen hoe digitale systemen met elkaar verbonden
kunnen worden om te communiceren:
• samenhang tussen invoer, verwerking, uitvoer en
opslag;
• gegevensuitwisseling tussen digitale systemen;
• verbinding tussen systemen;
< bv. via kabel, wifi of mobiel internet >
• verwerking en opslag van gegevens op een andere
locatie dan het eigen digitale apparaat.
< bv. * Leerlingen begrijpen dat een tablet een
bericht verwerkt: je typt iets (invoer), het toestel
verwerkt dit en toont het bericht op het scherm
(uitvoer). * Leerlingen begrijpen dat bij online gamen
meerdere spelers tegelijk in verbinding staan via het
internet, zodat ze samen kunnen spelen en
communiceren (realtime gegevensuitwisseling). >
8.1.2 de volgende begrippen: de invoer, de uitvoer, de
opslag, de informatieverwerking, het netwerk, de
verbinding.
KO L4 De leerlingen kennen 8.1.2 het volgende begrip: het algoritme. De leerlingen kunnen 8.1.3 onder begeleiding de principes van computationeel denken toepassen om een lineair algoritme te ontwerpen, L6 De leerlingen kunnen 8.1.3 onder begeleiding de principes van computationeel denken toepassen om een algoritme te ontwerpen, testen en debuggen om tot een werkende oplossing te komen: • opbouw van algoritme: combinatie van sequentie, herhaling, keuze.
testen en debuggen om tot een werkende oplossing te
komen:
• de principes van computationeel denken: abstractie,
decompositie, patroonherkenning, algoritme;
< * abstractie: het focussen op wat belangrijk is en
het weglaten van overbodige details *decompositie:
het opdelen van een groot probleem in kleinere,
hanteerbare delen
* patroonherkenning: het zien van gelijkenissen en
herhalingen in gegevens of opdrachten, bv. in
reeksen, ritmes, bewegingen en
programmeeropdrachten * algoritme: een expliciete
reeks eenduidige instructies die stapsgewijs moeten
worden uitgevoerd, waarbij zowel de instructies als
hun volgorde essentieel zijn om het gewenste
resultaat te bereiken om zowel een niet-digitaal als
digitaal probleem op te lossen >
• opbouw van algoritme: sequentie.