GE.134
Gebruiken
L3
Beantwoorden historische vragen bij gebeurtenissen of ontwikkelingen.
Geschiedenis › Historisch strategisch: perspectief en chronologie › Historisch redeneren
- Leeftijd
- 8-9 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beantwoorden
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L4 5.2.7
- In de PDF
- pagina 41
Leerlijn
Beantwoorden historische vragen bij gebeurtenissen of ontwikkelingen. MIA Historische vragen: oorzaak - gevolg
Hangt samen met
- Schakel GE.010 Formuleren aspecten die kenmerkend zijn voor samenlevingen in de prehistorie. L3,L4
- Schakel GE.030 Formuleren aspecten die kenmerkend zijn voor samenlevingen in de oudheid. L3,L4
- Schakel GE.049 Formuleren aspecten die kenmerkend zijn voor samenlevingen in de middeleeuwen. L3,L4
- Schakel GE.068 Formuleren aspecten die kenmerkend zijn voor samenlevingen binnen de vroegmoderne tijd. L3,L4
- Schakel GE.086 Formuleren aspecten die kenmerkend zijn voor samenlevingen in de moderne tijd. L3,L4
- Schakel GE.105 Formuleren aspecten die kenmerkend zijn voor samenlevingen in de hedendaagse tijd. L3,L4
- Vlag LL.068 Verwoorden vakspecifieke leerstrategieën. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag LL.076 Herkennen manieren voor het beantwoorden van een leervraag. L1,L2
Wordt verwezen vanuit
- Schakel GE.011 Verklaren oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling in de prehistorie. L4
- Schakel GE.031 Verklaren oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling in de oudheid. L4
- Schakel GE.050 Verklaren oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling in de middeleeuwen. L4
- Schakel GE.069 Verklaren oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling in de vroegmoderne tijd. L4
- Schakel GE.087 Verklaren oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling in de moderne tijd. L4
- Schakel GE.106 Verklaren oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een ontwikkeling in de hedendaagse tijd. L4
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch strategisch: perspectief en chronologie”
KO
De kleuters kunnen
5.2.2 enkele veranderingen tussen verleden en heden
opnoemen.
5.2.4 gebeurtenissen en eigen ervaringen chronologisch
ordenen.
5.2.5 drie gegeven bronnen uit het verleden
chronologisch ordenen met behulp van de begrippen:
heel lang geleden, lang geleden, nu.
L4
De leerlingen kunnen
5.2.5 gelijken en verschillen onderscheiden binnen en
tussen bestudeerde samenlevingen.
< bv. vergelijking van Mesopotamische en Egyptische
samenlevingen; of vergelijking van ervaringen van
mannen en vrouwen, boeren en reizende kooplieden,
binnen Mesopotamië >
5.2.6 aspecten van verandering en continuïteit
bespreken.
5.2.7 oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een
ontwikkeling verklaren.
L6
De leerlingen kunnen
5.2.3 typische historische vragen stellen met betrekking tot:
• continuïteit-verandering;
< bv. wat veranderde er voor vrouwen in de 20e eeuw?
>
• oorzaak-gevolg.
< bv. welke impact had de Europese handel op het
Kongo-koninkrijk?, waarom werd de Muur van Berlijn
afgebroken? >
5.2.4 hun gedachten ordenen om typische historische
vragen te beantwoorden met betrekking tot:
2.3.18 zeggen welke dag van de week het vandaag is, welke dag het gisteren was en welke dag het morgen zal zijn. 2.3.19 gebeurtenissen tijdens de dag chronologisch ordenen (seriëren). 2.3.20 aftellen tussen nu en speciale gebeurtenissen binnen de periode van een week. De kleuters kennen 5.2.3 de volgende begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu, later, oud, nieuw. 2.3.16 de dagen van de week [F]. 2.3.17 de volgende begrippen [F]: ● eerder, vroeger, later, eerst, dan, daarna, laatst; ● (te) laat, (te) vroeg; ● straks; ● (even) lang, (even) kort; ● langer, korter; ● langst, kortst; ● vandaag, gisteren, morgen; ● de dag, de week, het jaar. 5.2.8 een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen. 5.2.11 aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen. De leerlingen kennen 5.2.9 de volgende begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis. 5.2.10 de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t. 2.3.34 de maanden van het jaar [F]. 2.3.35 het aantal dagen van de maanden [F]. 2.3.36 de volgende begrippen [F]: ● het uur, het halfuur, het kwartier, de minuut, de seconde; ● eergisteren, overmorgen; ● het jaar (365 dagen), het schrikkeljaar. • continuïteit-verandering; • oorzaak-gevolg. 5.2.5 hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden. < bv. waarom was het zo belangrijk voor Afonso I dat zijn zoon bisschop was?, waarom schafte de Europese clerus de Congolese bisschopszetel gauw terug af?, waarom stelde Pieter Bruegel de Oude “de Korenoogst” voor als erg hard werken en armoedig? > 5.2.6 redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven. De leerlingen kennen 5.2.7 de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.