GE.027
Begrijpen
L5
GO!-doel
Beschrijven hoe mensen zich doorheen de oudheid ontwikkelden.
Geschiedenis › Historisch referentiekader › Historische periodes › Oudheid
- Leeftijd
- 10-11 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- geen — GO!-doel op populatieniveau
- In de PDF
- pagina 10,11,12
Leerlijn
Beschrijven hoe mensen zich doorheen de oudheid ontwikkelden.
Voorbeelden
De oudheid – Egypte
• Het oude Egypte ontstond duizenden jaren geleden langs de rivier de Nijl. Dankzij
het water van de rivier konden mensen er wonen, voedsel verbouwen en steden
bouwen. Doorheen de oudheid ontwikkelde Egypte zich tot een sterke beschaving.
• De Nijl was heel belangrijk voor de voedselvoorziening (mensen konden vissen),
transport en handel (boten voeren over de rivier) en landbouw (de grond werd
vruchtbaar door overstromingen).
• De farao was de "goddelijke leider”. Hij maakte wetten, leidde het land en liet
tempels en piramides bouwen. De piramides waren eigenlijk grote graven voor de
farao’s. Niet alleen farao’s maar ook andere rijke en belangrijke mensen werden
gebalsemd tot mummies.
• De Egyptenaren geloofden in veel goden en de priesters zorgden ervoor dat die
goden in de tempels konden aanbeden worden.
• De Egyptenaren ontwikkelden een eigen schrift: de hiërogliefen. Ze schreven op
muren van tempels, graven en papyrus. Pas sinds de ontdekking van ‘de Steen van
Rosetta’ zijn wetenschappers in staat om hiërogliefen te begrijpen.
De oudheid – Mesopotamië:
• de samenleving was hiërarchisch: Koningen heersten over stadstaten en
schriftgeleerden gebruikten het spijkerschrift. Slaafgemaakten en boeren werkten
vooral in de irrigatielandbouw langs de Tigris en de Eufraat.
• In Mesopotamië ontstond een van de eerste vormen van schrift, waardoor handel,
wetten en verhalen konden worden opgeschreven: De Codex Hammurabi bevatte
strenge wetten, terwijl het Gilgamesj-epos een vroeg heroïsch verhaal was. Mensen
aanbaden verschillende goden en bouwden ziggoerats als tempels binnen hun
stadstaat.
De oudheid - de Griekse Wereld:
• De Grieken geloofden in goden zoals Zeus op de berg Olympos en brachten offers.
Sokrates en Archimedes droegen bij aan de ontwikkeling van filosofie, wetenschap
en logisch denken.
• In Athene, bij de Akropolis, ontstond democratie. Hippocrates legde de basis voor
geneeskunde. Solons wetten hervormden het bestuur en vergrootten
burgerrechten.
• De Grieken bouwden tempels, theaters en stadions en organiseerden de
Olympische Spelen ter ere van de goden.
• De Griekse cultuur verspreidde zich rond de Middellandse Zee door handel, kolonies
en de veroveringen van Alexander de Grote.
De oudheid - de Romeinen:
• Rome breidde zijn rijk uit en kwam in contact met Kelten en Germanen. Onder
Constantijn de Grote kreeg het christendom meer vrijheid en invloed.
• Via een uitgebreid wegennetwerk reisden goederen tussen Rome, Pompeii,
Carthago, Tongeren en Velzeke. Keukens waren geavanceerd en sociale structuren
bepaalden het dagelijks leven.
• Keizer Augustus zorgde voor de Pax Romana, Hannibal vocht tegen Rome, Cornelia
had invloed als vrouw en Julius Caesar droeg bij aan de overgang van republiek naar
keizerrijk.
• De Romeinen bouwden aquaducten, badhuizen en amfitheaters, waardoor steden
beter georganiseerd en comfortabeler werden.
• Het Romeinse recht en de Latijnse taal beïnvloedden later veel Europese landen en
talen.
Hangt samen met
- Vlag BU.138 Illustreren migratie in onze samenleving. L4,L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag BU.138 Illustreren migratie in onze samenleving. L4,L5,L6
- Vlag MV.004 Herkennen enkele kunststromingen en artistieke creaties. L5,L6
- Vlag MV.005 Beschrijven de betekenis van een artistieke creatie. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch referentiekader”
KO
De kleuters weten
5.1.1 hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en
samenleefden.
• ontwikkelingen: het gebruik van vuur, jagen, voedsel
verzamelen, werktuigen (steen en been), grot- en
muurschilderingen;
• personen en groepen: kleine groep (stam).
5.1.2 hoe mensen tijdens de oudheid overleefden en
samenleefden.
Egyptische samenleving
• ontwikkelingen: schrift (hiërogliefen, de Steen van
Rosetta, papyrus), bouwen en begraven;
• plaatsen: de Nijl, de piramides van Gizeh;
• personen en groepen: boer, priester, farao.
5.1.3 hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd
samenleefden.
• ontwikkelingen: veranderingen in het straatbeeld, het
interieur van een woning, technologie;
• plaatsen, personen en groepen:
o eigen woning, eigen stad, dorp of straat;
o familieherinneringen uit de kindertijd.
De kleuters kunnen
5.2.1 soorten bronnen vanuit de bestudeerde
samenlevingen benoemen:
• beenderen, fossielen, werktuig, rotsschildering, graf;
• standbeeld, foto, dagboek, brief.
5.2.2 enkele veranderingen tussen verleden en heden
opnoemen.
L4
De leerlingen weten
5.1.1 hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur
omgingen en samenleefden.
• ontwikkelingen: rechtop lopen, taal, omgang met
anderen, werktuigen (brons en ijzer), de eerste
migraties, relaties tussen mens-dier-plant, leven op
het ritme van dag/nacht/seizoenen;
• plaatsen: Afrika (Riftvallei), Flores, Maasvallei,
Çatalhöyük;
• personen en groepen: complexere sociale groepen,
Neanderthaler, Sapiens.
5.1.2 hoe mensen tijdens de oudheid overleefden,
samenleefden en hoe ze dachten.
Mesopotamië
• ontwikkelingen: standenmaatschappij,
beroepsspecialisatie, slavernij, handel,
irrigatielandbouw, spijkerschrift, epische verhalen;
• plaatsen: stroomgebied van Tigris en Eufraat,
stadstaat, ziggurat;
• personen en groepen: slaafgemaakten,
schriftgeleerde, koning;
• gebeurtenissen: Codex Hammurabi, Gilgamesj-epos.
De Griekse wereld
• ontwikkelingen: mythologie, religie, filosofie,
democratie, burgerrechten;
• plaatsen: Athene, de Akropolis, de berg Olympos;
• personen en groepen: de aristocratie, Socrates,
Archimedes, Hippocrates, vrouwen in de Griekse
oudheid;
• gebeurtenissen: de wetten van Solon.
De Romeinen
L6
De leerlingen weten
5.1.1 hoe mensen in de vroegmoderne tijd overleefden,
samenleefden en hoe ze dachten.
Afrika
• ontwikkelingen: mondelinge tradities, religie,
machtsverhoudingen, slavenhandel, staatsvorming;
• plaatsen: de Kongostroom;
• personen en groepen: Lukeni Lua Nimi, Portugese
handelaren, Afonso I, Garcia II van Kongo;
• gebeurtenissen: de oprichting van het Kongo-
koninkrijk, introductie van het Christendom.
Contacten tussen samenlevingen
• ontwikkelingen: uitwisseling van ideeën in kunst,
wetenschap en kosmologie,
• wereldimperialisme, Atlantische driehoekshandel;
• plaatsen: zijderoutes, handelspost, kolonie;
• personen en groepen: slaafgemaakten, zeevaarders,
Vermeer, Columbus, de West-Indische Compagnie, La
Malinche;
• gebeurtenissen: het ronden van Kaap de Goede
Hoop.
5.1.2 hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur
omgingen, overleefden, samenleefden en dachten.
• ontwikkelingen: industriële en agrarische revolutie,
effecten van verstedelijking op leef- en
werkomstandigheden, leven op het ritme van de klok,
migratie, imperialisme, veranderende grenzen,
grondwetten, emancipatie;
• plaatsen, personen, groepen en gebeurtenissen:
o de Verklaring van de Rechten van de Mens
en van de Burger, het Burgerlijk Wetboek
• ontwikkelingen: imperialisme, identiteit en integratie,
migratie, handel over lange afstanden, culturele
uitwisseling, voedselproductie, dagelijks leven;
• plaatsen: wegennetwerk, keukens, Rome, Pompeii,
Carthago, Tongeren, Velzeke, Limes;
• personen en groepen: Hannibal, Cornelia, Caesar,
keizer Augustus, slaafgemaakten, de Kelten,
Germanen, Constantijn;
• gebeurtenissen: ontstaan van het christendom, Pax
Romana.
5.1.3 hoe mensen tijdens de middeleeuwen overleefden,
samenleefden en hoe ze dachten.
De Arabische wereld
• ontwikkelingen: het ontstaan en de verspreiding van
de islam, kennisontwikkeling, Arabische kunst;
• plaatsen: Bagdad (huis van wijsheid);
• personen en groepen: Al Ghazali, geleerden,
kaliefen;
• gebeurtenissen: schisma tussen sjiieten en
soennieten;
<de Slag van de Kameel>.
Europa
• ontwikkelingen: rurale en stedelijke samenleving,
ziekten (de pest), agrarische (r)evolutie, handel,
rechtspraak, machtsverhoudingen en ongelijkheid,
christendom;
• plaatsen: Brugge, Gent, kloosters en abdijen;
• personen en groepen: Hildegard van Bingen, de
Bourgondiërs, begijnen, gilde, ambachtslieden;
• gebeurtenissen: de keure van Kortenberg, het
drieslagstelsel.
Contacten tussen samenlevingen
• ontwikkelingen: interculturele contacten;
• plaatsen: Al-Andaluz, de moskee van Cordoba, het
Alhambra, Dorestad;
• personen en groepen: Maimonides, conversos,
vikingen, Rollo de Noorman;
• gebeurtenissen: de Reconquista, de belegering van
Parijs.
van Napoleon, de Belgische Grondwet, de
Bloednacht in Leuven;
o Charleroi, arbeiders en opdrachtgevers,
Lieven Bauwens, Emilie Claeys,
landschapsverandering (terrils, kleiputten,
kanalen, spoorwegen), landverhuizers;
o conferentie van Berlijn, de Onafhankelijke
Kongostaat, Union Minière du Haute-
Katanga, Paul Panda Farnana;
o Begraafplaatsen, monumenten en
gedenktekens van de Eerste Wereldoorlog,
Verdrag van Versailles.
5.1.3 hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd
samenleefden.
• ontwikkelingen: internationale rivaliteit en
samenwerking; vrouwenemancipatie, burgerrechten;
informatie-, communicatie- en technologierevoluties,
ruimte-exploratie;
• plaatsen, personen, groepen en gebeurtenissen:
o het Fort van Breendonk en de Kazerne
Dossin, verzetsstrijders en collaborateurs;
o Verenigde Naties, Europese Unie, de Muur
van Berlijn;
o Rosa Parks, gastarbeiders, de pil, stemrecht
voor vrouwen, homohuwelijk;
o Neil Armstrong, het internet.
De leerlingen kunnen
5.2.1 aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het
antwoorden op historische vragen.
5.2.2 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de
vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.
5.2.3 typische historische vragen stellen met betrekking
tot:
• continuïteit-verandering;
< bv. wat veranderde er voor vrouwen in de 20e
eeuw? >
• oorzaak-gevolg.
< bv. welke impact had de Europese handel op het
Kongo-koninkrijk?, waarom werd de Muur van Berlijn
afgebroken? >
5.1.4 hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd
overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.
Europa
• ontwikkelingen: religieuze conflicten, staatsvorming,
imperialisme, boekdrukkunst;
• plaatsen: Frankrijk, Duitse Rijk, Antwerpen;
• personen en groepen: Karel V, Plantijn, Lodewijk XIV;
• gebeurtenissen: de Vrede van Westfalen.
De leerlingen kunnen
5.2.4 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de
oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd
noemen.
5.2.5 gelijkenissen en verschillen onderscheiden binnen
en tussen bestudeerde samenlevingen.
< bv. vergelijking van Mesopotamische en Egyptische
samenlevingen; of vergelijking van ervaringen van
mannen en vrouwen, boeren en reizende kooplieden,
binnen Mesopotamië >
5.2.6 aspecten van verandering en continuïteit
bespreken.
5.2.7 oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een
ontwikkeling verklaren.
5.2.8 een onderscheid tussen een perspectief van mensen
in het verleden en een hedendaags perspectief op het
verleden begrijpen.
5.2.4 hun gedachten ordenen om typische historische
vragen te beantwoorden met betrekking tot:
• continuïteit-verandering;
• oorzaak-gevolg.
5.2.5 hun historische kennis gebruiken om vragen te
stellen over de perspectieven van mensen en groepen in
het verleden.
< bv. waarom was het zo belangrijk voor Afonso I dat zijn
zoon bisschop was?, waarom schafte de Europese clerus de
Congolese bisschopszetel gauw terug af?, waarom stelde
Pieter Bruegel de Oude “de Korenoogst” voor als erg hard
werken en armoedig? >
5.2.6 redeneringen over personen, groepen,
gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden
verwoorden vanuit verschillende perspectieven.