12 doelen
-
Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: • categorie en exemplaar (hyperoniem- hyponiem) • eenvoudige synoniemen • eenvoudige tegenstellingen (antoniemen) • veel gebruikte trappen van vergelijking
Voorbeelden
Betekenisrelaties: categorie en exemplaar: • Een appel (exemplaar) is een stuk fruit (categorie). • Het kleurpotlood (exemplaar) is tekengerief (categorie). Betekenisrelaties: eenvoudige synoniemen Mijn mama rijdt met de wagen; mijn mama rijdt met de auto. Betekenisrelaties: eenvoudige tegenstellingen Ik ben groot, mijn zus is klein. Betekenisrelaties: veel gebruikte trappen van vergelijking Die meloen is zwaarder dan de perzik. De pompoen is het zwaarst.
-
Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: context: beroep-handeling, gebeurtenis-plaats, tijd-gebeurtenis
Voorbeelden
Betekenisrelaties – context: • De kok doet zijn schort aan en neemt een braadpan. (beroep-handeling) • Zwemmen – het zwembad (gebeurtenis-plaats) • De ochtend – opstaan (tijd-gebeurtenis)
-
Begrijpen betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: verwijswoorden: zij, hij, het, die, deze, dit, dat
Voorbeelden
Verwijswoorden: • Toen was zij nog een baby. > ‘zij’ verwijst naar een eerder vernoemd personage. • Oma wil graag de mooiste taart van de bakker, die met slagroom.
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: vormrelatie - homoniemen (woorden die hetzelfde klinken maar iets anders betekenen)
Te hanteren begrippen
het homoniem
Voorbeelden
Vormrelatie – homoniemen: • Hij zit op de bank voor de bank. • Zij neemt de bal niet mee naar het bal.
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: antoniemen
Te hanteren begrippen
het antoniem
Voorbeelden
Antoniemen: boven – onder, groot – klein, blij – verdrietig
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: synoniemen
Te hanteren begrippen
het synoniem
Voorbeelden
Synoniemen: boos – kwaad, blij – vrolijk, snel – vlug, beginnen – starten
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betekenisrelaties: trappen van vergelijking
Te hanteren begrippen
de trappen van vergelijking
Voorbeelden
Trappen van vergelijking: • Deze pizza is lekker, maar die pizza is lekkerder. • Het resultaat is goed, dit resultaat is beter, dat resultaat is het best.
-
Begrijpen gradaties in woordbetekenissen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Gradaties in woordbetekenissen: woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven
Voorbeelden
Woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven: • Caro vindt de blauwe jurk prachtig! • Die danseres danst uitstekend!
-
Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
betekenisrelaties tussen woorden: • hyponiemen • hyperoniem
Te hanteren begrippen
het hyponiem
Voorbeelden
Hyponiemen en hyperoniem: • ‘Dier’ is het hyperoniem. ‘Hond, kat, olifant’ zijn hyponiemen van ‘dier’. • ‘Vogel’, ‘zoogdier’, ‘reptiel’(hyponiemen) zijn ‘gewervelden’(hyperoniem). • ‘Tang’, ‘hamer’, ‘schroevendraaier’ (hyponiemen) zijn ‘gereedschappen’ (hyperoniem). -
Gebruiken betekenisrelaties tussen woorden.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
-
Gebruiken gradaties van woordbetekenissen.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties
-
Reflecteren in luister- en leessituaties op verbanden tussen woorden en hun betekenis.
Nederlands › Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties