Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

12 doelen

CSV downloaden filters wissen

Betekenisrelaties ✕

  1. NL.485 Begrijpen K2 K3 KO 1.4.1

    Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    • categorie en exemplaar (hyperoniem- hyponiem)
    • eenvoudige synoniemen
    • eenvoudige tegenstellingen (antoniemen)
    • veel gebruikte trappen van vergelijking

    Voorbeelden

    Betekenisrelaties: categorie en exemplaar:
    • Een appel (exemplaar) is een stuk fruit (categorie).
    • Het kleurpotlood (exemplaar) is tekengerief (categorie).
    Betekenisrelaties: eenvoudige synoniemen
    Mijn mama rijdt met de wagen; mijn mama rijdt met de auto.
    Betekenisrelaties: eenvoudige tegenstellingen
    Ik ben groot, mijn zus is klein.
    Betekenisrelaties: veel gebruikte trappen van vergelijking
    Die meloen is zwaarder dan de perzik. De pompoen is het zwaarst.
  2. NL.486 Begrijpen K3 L1 KO 1.4.1

    Herkennen betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    context: beroep-handeling, gebeurtenis-plaats, tijd-gebeurtenis

    Voorbeelden

    Betekenisrelaties – context:
    • De kok doet zijn schort aan en neemt een braadpan. (beroep-handeling)
    • Zwemmen – het zwembad (gebeurtenis-plaats)
    • De ochtend – opstaan (tijd-gebeurtenis)
  3. NL.487 Begrijpen K3 L1 L2 L3 L4 1.4.2

    Begrijpen betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    verwijswoorden: zij, hij, het, die, deze, dit, dat

    Voorbeelden

    Verwijswoorden:
    • Toen was zij nog een baby. > ‘zij’ verwijst naar een eerder vernoemd personage.
    • Oma wil graag de mooiste taart van de bakker, die met slagroom.
  4. NL.488 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    vormrelatie - homoniemen (woorden die hetzelfde klinken maar iets anders betekenen)

    Te hanteren begrippen

    het homoniem

    Voorbeelden

    Vormrelatie – homoniemen:
    • Hij zit op de bank voor de bank.
    • Zij neemt de bal niet mee naar het bal.
  5. NL.489 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    antoniemen

    Te hanteren begrippen

    het antoniem

    Voorbeelden

    Antoniemen:
    boven – onder, groot – klein, blij – verdrietig
  6. NL.490 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    synoniemen

    Te hanteren begrippen

    het synoniem

    Voorbeelden

    Synoniemen:
    boos – kwaad, blij – vrolijk, snel – vlug, beginnen – starten
  7. NL.491 Begrijpen L3 L4 L4 1.4.2

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betekenisrelaties:
    trappen van vergelijking

    Te hanteren begrippen

    de trappen van vergelijking

    Voorbeelden

    Trappen van vergelijking:
    • Deze pizza is lekker, maar die pizza is lekkerder.
    • Het resultaat is goed, dit resultaat is beter, dat resultaat is het best.
  8. NL.492 Begrijpen L4 L4 1.4.2

    Begrijpen gradaties in woordbetekenissen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gradaties in woordbetekenissen:
    woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven

    Voorbeelden

    Woorden die de intensiteit van een eigenschap of actie weergeven:
    • Caro vindt de blauwe jurk prachtig!
    • Die danseres danst uitstekend!
  9. NL.493 Begrijpen L5 L6 L6 1.4.1

    Illustreren betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    betekenisrelaties tussen woorden:
    • hyponiemen
    • hyperoniem

    Te hanteren begrippen

    het hyponiem

    Voorbeelden

    Hyponiemen en hyperoniem:
    • ‘Dier’ is het hyperoniem. ‘Hond, kat, olifant’ zijn hyponiemen van ‘dier’.
    • ‘Vogel’, ‘zoogdier’, ‘reptiel’(hyponiemen) zijn ‘gewervelden’(hyperoniem).
    • ‘Tang’, ‘hamer’, ‘schroevendraaier’ (hyponiemen) zijn ‘gereedschappen’
        (hyperoniem).
  10. NL.494 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.4.2

    Gebruiken betekenisrelaties tussen woorden.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

  11. NL.495 Gebruiken L4 L5 L6 L4 1.4.2; L6 1.4.1

    Gebruiken gradaties van woordbetekenissen.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties

  12. NL.496 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.4.1; KO 1.4.3; L4 1.4.2; L6 1.4.1

    Reflecteren in luister- en leessituaties op verbanden tussen woorden en hun betekenis.

    Nederlands Taalsysteem en taalgebruik › Woordenschat › Betekenissen van woorden › Betekenisrelaties