Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

186 doelen

CSV downloaden filters wissen

Schrijven ✕

  1. FR.052 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.1

    Gebruiken markeerders correct.

    Frans Schrijven › Spellingsgericht schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Markeerders:
    • voor vrouwelijk (geslacht)
    • voor meervoud (getal)
  2. FR.053 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.1

    Gebruiken markeerders correct.

    Frans Schrijven › Spellingsgericht schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Werkwoordsvormen:
    uitgangen van werkwoordsvormen (persoon en tijd)
  3. FR.054 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.2

    Schrijven een zin uit het geheugen.

    Frans Schrijven › Herhalend schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Uit het geheugen:
    na aandachtig lezen van een zin
    
    Zinnen:
    van 5 à 7 aangeleerde woorden
  4. FR.055 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.3

    Vullen een geschreven zin aan.

    Frans Schrijven › Bewerkend schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aanvullen:
    • met een vorm van ondersteuning
    • schriftelijk
  5. FR.056 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.3

    Schrijven een tekst.

    Frans Schrijven › Bewerkend schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • met een vorm van ondersteuning
    • door aan te vullen
    • door samen te stellen
  6. FR.057 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.3

    Schrijven zinnen.

    Frans Schrijven › Bewerkend schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    niet vooraf aangeleerde zinnen aan de hand van aangeboden, gekende woorden
  7. FR.058 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.4

    Schrijven een tekst in de vorm van een opsomming.

    Frans Schrijven › Bewerkend schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Een opsomming:
    • van een gebeurtenis
    • van een verhaal
    • van iets of iemand
    
    Schrijven:
    met een vorm van ondersteuning

    Voorbeelden

    Met een vorm van ondersteuning:
    • individueel of samen geschreven teksten
    • willekeurig aangeboden zinnen ordenen in een logische opbouw
    • aan de hand van aangeboden werkwoordsvormen zinnen aanvullen
    • gekende zinnen reconstrueren aan de hand van willekeurig aangeboden woorden
    • hanteren bij het schrijven een stappenplan of aangeboden tekststructuur
  8. FR.059 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.5

    Schrijven een tekst.

    Frans Schrijven › Bewerkend schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Een tekst:
    • een schriftelijke vraag stellen
    • schriftelijk informatie verstrekken
    
    Schrijven:
    met een vorm van ondersteuning
  9. FR.060 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.6

    Vertalen beluisterde zinnen schriftelijk naar het Frans.

    Frans Schrijven › Bewerkend schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zin:
    van een 3 à 5 aangeleerde woorden
    
    Vertalen:
    met een vorm van ondersteuning
  10. FR.061 Gebruiken L5 L6 L6 10.5.6

    Vertalen gelezen zinnen schriftelijk naar het Frans.

    Frans Schrijven › Bewerkend schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zin:
    van een 3 à 5 aangeleerde woorden
    
    Vertalen:
    met een vorm van ondersteuning
  11. NL.142 Begrijpen K2 K3 KO 1.2.1

    Herkennen een dynamische pengreep.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Dynamische pengreep:
    • doseren van de spierspanning van de vingers
    • met soepele vingers en pols
    • schrijfgerief tussen duim en wijsvinger

    Te hanteren begrippen

    de duim, de vingers, de wijsvinger, de hand, de pols
  12. NL.143 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.1

    Gebruiken een dynamische pengreep bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  13. NL.144 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.3

    Schrijven rechte en gebogen lijnen tussen twee lijnen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  14. NL.145 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.4

    Schrijven patronen tussen twee lijnen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  15. NL.146 Gebruiken K3 KO 1.2.5

    Kleuren egaal.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  16. NL.147 Gebruiken K3 KO 1.2.5

    Kleuren binnen de lijntjes.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  17. NL.148 Gebruiken K3 KO 1.2.6

    Arceren met rechte lijnen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  18. NL.149 Begrijpen K3 KO 1.2.7

    Beschrijven de schrijfrichting.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfrichting:
    • van links naar rechts
    • van boven naar beneden
    • pagina na pagina

    Te hanteren begrippen

    van links, naar rechts, van boven, naar beneden, van voor, naar achter
  19. NL.150 Gebruiken K3 L1 KO 1.2.7

    Schrijven volgens het principe van schrijfrichting.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  20. NL.151 Begrijpen K3 L1 L2 KO 1.2.2

    Illustreren een correcte schrijfhouding.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Correcte schrijfhouding:
    • een goede zithouding
    • afstand tussen ogen en schrijfhand

    Voorbeelden

    • Lex zit mooi recht, met het onderste deel van de rug tegen de rugleuning van de stoel,
        het bovenlichaam licht voorovergebogen en de buik op een vuistbreedte afstand van de
        tafel. De voeten staan naast elkaar, plat op de grond. De onderarmen rusten op de tafel
        terwijl de ellebogen net op of net buiten de tafel liggen. Het hoofd is licht gebogen.
    • Lumi controleert met een meetlat of de afstand tussen de ogen en de schrijfhand van
        Fré ongeveer 30 cm meet. ‘Dat is de ideale afstand om te schrijven’, zegt de juf.
  21. NL.152 Gebruiken K3 L1 L2 KO 1.2.2

    Passen een correcte schrijfhouding toe.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  22. NL.153 Begrijpen L1 L2 GO!-doel

    Illustreren een gepaste positie van het schrijfoppervlak.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Gepaste positie van het schrijfoppervlak:
    • rechtshandigen leggen hun schrijfoppervlak iets schuin gedraaid naar de kant van de
        schrijfhand
    • linkshandigen die boven de regel schrijven leggen hun schrijfoppervlak iets schuin
        gedraaid naar de kant van de schrijfhand
    • linkshandigen die onderhands schrijven leggen hun schrijfoppervlak iets schuin gedraaid
        weg van de schrijfhand
  23. NL.154 Gebruiken L1 L2 GO!-doel

    Passen een gepaste positie van het schrijfoppervlak toe.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  24. NL.155 Begrijpen L1 L2 GO!-doel

    Beschrijven de functie van de niet-schrijfhand.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Functie van de niet-schrijfhand:
    • om het schrijfoppervlak te fixeren zodat het niet verschuift
    • om het schrijfoppervlak na iedere regel een stukje omhoog te schuiven
  25. NL.156 Gebruiken L1 L2 GO!-doel

    Gebruiken de niet-schrijfhand als ondersteuning bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  26. NL.157 Begrijpen K1 GO!-doel

    Herkennen verschillende schrijfmaterialen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfmaterialen:
    • schrijfgerief
    • schrijfoppervlakken
  27. NL.158 Begrijpen K2 K3 GO!-doel

    Beschrijven welke schrijfmaterialen geschikt zijn in functie van het resultaat.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfmaterialen:
    • schrijfgerief
    • schrijfoppervlakken
  28. NL.159 Gebruiken K1 K2 K3 GO!-doel

    Gebruiken verschillende schrijfmaterialen.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  29. NL.160 Engageren K3 L1 L2 GO!-doel

    Zetten geschikte schrijfmaterialen in om een tekst te creëren.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Liam merkt dat schrijven met een wasco of dikke stift op een post-it niet goed werkt,
        omdat dit schrijfmateriaal te dik is voor het kleine papiertje.
    • Sofie gebruikt een whiteboardstift in plaats van een gewone stift om te schrijven op een
        whiteboard, omdat de inkt uitwisbaar moet zijn.
  30. NL.161 Begrijpen L1 L2 L4 1.2.2

    Illustreren de correcte route bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Correcte route:
    • kleine letters, cijfers
    • leestekens: het punt, het vraagteken, het uitroepteken
    • rekentekens

    Te hanteren begrippen

    omhoog, omlaag, (naar) boven, (naar) onder, rond, gebogen, de lijn, de lus, schuin
  31. NL.162 Begrijpen L2 L3 L4 1.2.2

    Illustreren de correcte route bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Correcte route:
    • hoofdletters
    • leestekens: de komma
  32. NL.163 Begrijpen L3 L4 1.2.2

    Illustreren de correcte route bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Correcte route:
    • leestekens: het dubbele punt
  33. NL.164 Begrijpen L1 L4 1.2.1

    Illustreren het schrijven binnen een volledige liniatuur.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Volledige liniatuur:
    de grondlijn en de hulplijnen

    Te hanteren begrippen

    de grondlijn, de hulplijnen
  34. NL.165 Gebruiken L1 L4 1.2.2

    Schrijven volgens de correcte route tussen een volledige liniatuur.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • kleine letters, cijfers
    • leestekens: het punt, het vraagteken, het uitroepteken
    • letters, woorden en zinnen
    • rekentekens
  35. NL.166 Gebruiken L2 L4 1.2.2

    Schrijven volgens de correcte route tussen een volledige liniatuur.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • kleine letters, hoofdletters, cijfers
    • leestekens: het punt, het vraagteken, het uitroepteken
    • letters, woorden en zinnen
    • rekentekens
  36. NL.167 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.2

    Schrijven volgens een correcte route binnen een volledige liniatuur.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • kleine letters, hoofdletters en cijfers
    • leestekens: het dubbele punt, de komma
    • woorden, zinnen en rekentekens
  37. NL.168 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.1

    Schrijven volgens een correcte route.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    zinnen met een variatie aan leestekens
    • zonder hulplijnen
    • op een enkele grondlijn
    • woordtekens: trema, koppelteken, apostrof, accent
  38. NL.169 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.3

    Gebruiken een regelmatig handschrift.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regelmatig handschrift:
    regelmaat in (romp)letterhoogte, op de grondlijn, regelmaat in woord- en letterafstand
  39. NL.170 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.2.3; L4 1.2.4

    Schrijven met juiste spatiëring.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Juiste spatiëring:
    • met afstand tussen letters binnen woorden
    • met witruimte tussen woorden.

    Te hanteren begrippen

    de spatie
  40. NL.171 Gebruiken L4 L4 1.2.4

    Gebruiken de kantlijn op gelijnd papier.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  41. NL.172 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.1

    Schrijven regelmatig, zonder hulplijnen, op een enkele grondlijn.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  42. NL.173 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.2

    Stemmen het schrijftempo en de vormgevingskwaliteit op elkaar af.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Camille leert sneller schrijven, terwijl haar persoonlijk handschrift regelmatig en
        duidelijk blijft.
    • Sylvie schrijft heel snel, maar moet alert blijven om duidelijk en regelmatig te schrijven.
  43. NL.174 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Corrigeren het eigen handschrift in functie van leesbaarheid.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  44. NL.175 Engageren L5 L6 GO!-doel

    Reflecteren over de impact van de leesbaarheid van de eigen schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Robbe en Lex maken een interview voor op de klasblog. Lex stelt de vragen en Robbe neemt
    notities. Robbe weet dat hij in een vlot tempo moet schrijven om het gesprek te kunnen
    volgen. Hij weet ook dat hij leesbaar moet schrijven, zodat ze nadien de notities kunnen
    overtypen op de computer.
  45. NL.176 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.3

    Schrijven digitale teksten.

    Nederlands Schrijven › Handschrift en digitale vaardigheden

  46. NL.177 Gebruiken K2 K3 GO!-doel

    Schrijven voor hen belangrijke woorden als globale eenheden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het woord, de letter

    Voorbeelden

    Voor hen belangrijke woorden:
    • de eigen naam, namen van voor hen belangrijke mensen, naamwoorden van voor hen
        belangrijke mensen zoals papa, oma, tante… kopiëren door letters te stempelen, met
        losse letters te leggen, met een toetsenbord te typen, na te tekenen in kapitalen
    • themawoorden kopiëren door letters te stempelen, met losse letters te leggen, met
        een toetsenbord te typen, na te tekenen met schrijfmaterialen
  47. NL.178 Gebruiken L1 L4 1.2.5

    Schrijven klankzuivere woorden met één lettergreep.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankzuivere woorden met één lettergreep:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden
    • inclusief woorden met ui, oe, eu

    Te hanteren begrippen

    de klank, de medeklinker, de klinker
  48. NL.179 Gebruiken L1 L4 1.2.5

    Schrijven klankzuivere woorden met één lettergreep door middel van foneem- grafeemkoppeling.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    woorden die ze nog niet eerder hebben gezien

    Voorbeelden

    Woorden die ze nog niet eerder hebben gezien:
    Ik ken de letters s, m, aa, r, v en maak zelf nieuwe woorden zoals vaar, vaas, raam; Ik leerde
    het woord ‘om’ en kan nu ook kom, som en sok maken.
  49. NL.180 Gebruiken L1 L4 1.2.5

    Schrijven klankzuivere woorden met meerdere lettergrepen.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met klankzuivere klinkers en medeklinkers

  50. NL.181 Begrijpen L2 L3 L4 1.2.5

    Illustreren de verlengingsregel bij woorden die eindigen op een t-/d- of p-/b- klank.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de medeklinker, de klinker

    Voorbeelden

    Verlengingsregel:
    • Schrijf ik paart of paard? Bij verlenging hoor ik paarden, dus schrijf ik paard.
    • Schrijf ik rib of rip? Bij verlenging hoor ik ribben, dus schrijf ik rib.
  51. NL.182 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Passen de verlengingsregel toe bij woorden die eindigen op een t-/d- of p/b- klank.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

  52. NL.183 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren de verdubbelingsregel voor medeklinkers voorafgegaan door een gedekte klinker.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de korte klinker, de lange klinker, de open lettergreep, de gesloten lettergreep, de dubbele
    medeklinker

    Voorbeelden

    (woorden met) medeklinkers voorafgegaan door een gedekte klinker
    bommen, takken, padden, ladder, teller
  53. NL.184 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Passen de verdubbelingsregel voor medeklinkers voorafgegaan door een gedekte klinker toe.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

  54. NL.185 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren de verenkelingsregel voor vrije klinkers.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vrije klinker:
    • vrije klinker in een woord
    • vrije klinker op het einde van een woord

    Voorbeelden

    (woorden met) Vrije klinkers:
    Bomen, taken, paden, lader, teler, auto, na, nu
  55. NL.186 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Passen de verenkelingsregel voor ongedekte klinkers toe.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met niet-klankzuivere klinkers en medeklinkers

  56. NL.187 Begrijpen L2 L3 L4 1.2.5

    Illustreren het vormen van regelmatige verkleinwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van verkleinwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regelmatige verkleinwoorden:
    • op -je,
    • op -tje
    • op -pje
    • op -etje

    Te hanteren begrippen

    het verkleinwoord
  57. NL.188 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren het vormen van onregelmatige verkleinwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van verkleinwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van onregelmatige verkleinwoorden:
    Bij het achtervoegsel -kje valt de g van het woordeinde -ng in het grondwoord weg.

    Voorbeelden

    Onregelmatige verkleinwoorden:
    koning – koninkje, ketting – kettinkje
  58. NL.189 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren het vormen van onregelmatige verkleinwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van verkleinwoorden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van onregelmatige verkleinwoorden:
    • Klankverandering in grondwoord
    • Verlenging van vrije klinker
    • Verdubbeling van medeklinker
    • Uitzonderlijk verkleinwoord
    • Verkleinwoorden van leenwoorden

    Voorbeelden

    Onregelmatige verkleinwoorden:
    • schip – scheepje, vat – vaatje
    • oma – omaatje, taxi – taxietje
    • bel – belletje, slab- slabbetje
    • jongen – jongetje
    • café – cafeetje, baby – baby’tje, sms- sms’je
  59. NL.190 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.5; L6 1.2.4

    Schrijven verkleinwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van verkleinwoorden

  60. NL.191 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren het vormen van meervouden op -s, -en, -eren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

  61. NL.192 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren het vormen van meervouden op ‘s.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het zelfstandig naamwoord, het enkelvoud, het meervoud
  62. NL.193 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren het vormen van meervouden van zelfstandige naamwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van meervouden:
    • meervouden met behoud van betekenis en verandering van betekenis
    • zelfstandige naamwoorden die geen meervoud hebben
    • zelfstandige naamwoorden die geen enkelvoud hebben

    Te hanteren begrippen

    het zelfstandig naamwoord, het enkelvoud, het meervoud

    Voorbeelden

    Meervouden van zelfstandige naamwoorden met verandering van betekenis:
    been > beenderen – benen
    Zelfstandige naamwoorden die geen meervoud hebben:
    ongedierte
    Zelfstandige naamwoorden die geen enkelvoud hebben:
    mazelen, hersenen
  63. NL.194 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren het vormen van meervouden van woorden op -ie, -ee.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Meervouden van woorden op -ie, -ee:
    zee > zeeën; kopie > kopieën; bacterie > bacteriën
  64. NL.195 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren het vormen van woorden met een afwijkende meervoudsvorm.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Woorden met een afwijkende meervoudsvorm:
    museum > musea; centrum > centra
  65. NL.196 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven meervouden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van meervouden

  66. NL.197 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.6; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd:
    stam + uitgang

    Te hanteren begrippen

    het werkwoord, de persoonsvorm, de stam, de uitgang, de tegenwoordige tijd, de infinitief

    Voorbeelden

    Werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd:
    ik werk, jij denkt, hij gaat, wij wandelen, jullie eten, zij dromen
  67. NL.198 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.6; L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordige tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  68. NL.199 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.6; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd:
    vervoeging van ‘hebben’ of ‘zijn’ in de onvoltooid tegenwoordige tijd + voltooid deelwoord

    Te hanteren begrippen

    de voltooid tegenwoordige tijd, het voltooid deelwoord

    Voorbeelden

    Werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd:
    ik heb gewerkt, ik ben gekomen
  69. NL.200 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.6; L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de voltooid tegenwoordige tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  70. NL.201 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van zwakke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van zwakke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd:
    • stam + uitgang
    • zonder klankverandering

    Te hanteren begrippen

    de verleden tijd

    Voorbeelden

    Werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd:
    ik werkte, wij wandelden, zij droomden
  71. NL.202 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van sterke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van sterke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd:
    • stam + uitgang
    • met klankverandering

    Voorbeelden

    Sterke werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd
    jij dacht, hij ging, jullie aten
  72. NL.203 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de onvoltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  73. NL.204 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van werkwoorden in de voltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van werkwoorden in de voltooid verleden tijd:
    vervoeging van ‘hebben’ of ‘zijn’ in de onvoltooid verleden tijd + voltooid deelwoord

    Te hanteren begrippen

    de voltooid verleden tijd

    Voorbeelden

    Werkwoorden in de voltooid verleden tijd:
    ik had gewerkt, ik was gekomen.
  74. NL.205 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.7; L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de voltooid verleden tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  75. NL.206 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.5

    Illustreren het vervoegen van werkwoorden in de toekomende tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vorming van werkwoorden in de onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd:
    vervoeging van het werkwoord zullen + infinitief

    Te hanteren begrippen

    de infinitief, de toekomende tijd
  76. NL.207 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.5

    Schrijven werkwoorden in de toekomende tijd.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

  77. NL.208 Engageren L5 L6 L6 1.2.5

    Tonen hun kennis van spellingsregels van frequente werkwoorden in de tegenwoordige, verleden, voltooide en toekomende tijd in verschillende contexten.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van werkwoordsvormen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • In de klas werken de leerlingen rond het brede thema ‘Toen, nu en binnenkort’. Amir,
        Jackson en Robin onderzoeken hoe onze kustlijn zich doorheen de tijd verlegde. Ze
        schrijven daarover een artikel voor op de klasblog. Bij het schrijven letten ze op de
        spelling van de werkwoorden in de verschillende tijden.
    • Nadia koos ervoor om een verhaal te schrijven over haar moeder, haar grootmoeder en
        zijzelf wanneer ze 8 jaar oud waren. Daarin vergelijkt ze het leven van haar
        grootmoeder, haar moeder en zichzelf. Na het schrijven kijkt Nadia na of ze telkens de
        juiste spelling van de werkwoorden in de verschillende tijden heeft gebruikt.
  78. NL.209 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met een medeklinkercluster vooraan of achteraan.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Woorden met een medeklinkercluster vooraan:
    de kraan, de trap, de strik
    Woorden met een medeklinkercluster achteraan:
    de poort, de berg, herfst
  79. NL.210 Gebruiken L1 L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven -ng en -nk woorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  80. NL.211 Gebruiken L1 L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met sch-.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  81. NL.212 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met meerdere medeklinkers in het midden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Woorden met meerdere medeklinkers in het midden:
    het masker, het kasteel, onder
  82. NL.213 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met au/ou en ei/ij.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  83. NL.214 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven woorden met meertekenklanken.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Meertekenklanken:
    • aai
    • ooi
    • oei
    • eeuw
    • ieuw
    • uw
    • eu
    • ui
    • oe
  84. NL.215 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.5

    Schrijven -ch/-g en -cht/-gt woorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  85. NL.216 Gebruiken L4 L5 GO!-doel

    Schrijven woorden die eindigen op -teit en -heid.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

  86. NL.217 Gebruiken L5 GO!-doel

    Schrijven laagfrequente woorden met een dubbele medeklinker.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Laagfrequente woorden met een dubbele medeklinker:
    onmiddellijk, het parallellogram, de professor
  87. NL.218 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven woorden die eindigen op -isch(e), -air(e), -iaal, -eaal, -ueel, -ieel.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met specifieke lettercombinaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het grondwoord, het achtervoegsel
  88. NL.219 Gebruiken L1 L4 1.2.5

    Schrijven de doffe klank in lidwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met een doffe klank

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lidwoorden:
    de, het, een
  89. NL.220 Gebruiken L2 L4 1.2.5

    Schrijven de doffe klank in hoogfrequente woorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met een doffe klank

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    doffe klank in hoogfrequente woorden:
    me, de moeder, deze
  90. NL.221 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.5

    Schrijven de doffe klank in onbeklemtoonde lettergrepen, weergegeven door e, i, o of u.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met een doffe klank

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    doffe klank in onbeklemtoonde lettergrepen:
    de dokter, de havik, de avond, de datum
  91. NL.222 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.5

    Schrijven in woorden met een voor- en/of achtervoegsel de doffe klank.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van woorden met een doffe klank

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    voor- en/of achtervoegsel:
    • ge-, ver-, be-
    • -elen, -eren, -enen
    • -ig, -lijk
  92. NL.223 Begrijpen L4 L6 1.2.4

    Herkennen frequente leenwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Frequente leenwoorden:
    de agenda, de game
  93. NL.224 Begrijpen L4 L5 L6 L6 1.2.4

    Herkennen tweeklanken in frequente leenwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Tweeklanken in frequente leenwoorden:
    cacao, patio, koala
  94. NL.225 Gebruiken L4 L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven frequente leenwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

  95. NL.226 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Herkennen frequente woorden met een afwijkende uitspraak van de letters ‘g’, ‘j’ en ‘ch’.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Frequente woorden met een afwijkende uitspraak:
    de bagage, de jury, de chauffeur
  96. NL.227 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Herkennen in frequente woorden fonemen die als bepaalde grafemen geschreven worden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Fonemen die als bepaalde grafemen geschreven worden:
    • k als c
    • s als c
    • t als th
    • i als y
    • z als s
    • s als t
    • ks als cc
    • k als cc
    • k als q
    • kw als qu
    • ks als x
    • wr als vr
    • oo als eau
    • oo als au
    • oe als ou
    • ie als i

    Voorbeelden

    Woorden met fonemen die als bepaalde grafemen geschreven worden:
    cursus, citroen, thuis, systeem, museum, politie, accent, accordeon, quotiënt, aquarium,
    examen, wreed, bureau, restaurant, journalist, februari
  97. NL.228 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Herkennen in frequente woorden medeklinkers die niet uitdrukkelijk uitgesproken worden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Frequente woorden met medeklinkers die niet uitdrukkelijk uitgesproken worden:
    zachtjes, het lichtje
  98. NL.229 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

  99. NL.230 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren de oorsprong van woorden uit verschillende vakgebieden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Oorsprong van woorden uit verschillende vakgebieden:
    fauna en flora uit het Latijn; fotografie uit het Grieks
  100. NL.231 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven woorden uit verschillende vakgebieden met een oorsprong in het Latijn of Grieks.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

  101. NL.232 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4; L6 1.4.5

    Herkennen vaak voorkomende afkortingen, initiaalwoorden en letterwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    afkortingen:
    a.u.b., bv.
    initiaalwoorden:
    EHBO, pc
    letterwoorden:
    vip, ufo
  102. NL.233 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4; L6 1.4.5

    Schrijven vaak voorkomende afkortingen, initiaalwoorden en letterwoorden.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Spelling van woorden › Spelling van leenwoorden en frequente woorden waarin specifieke letter(combinatie)s afwijkend worden uitgesproken

  103. NL.234 Begrijpen L2 L3 L4 1.2.5

    Illustreren de regels voor het gebruik van hoofdletters bij schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regels voor het gebruik van hoofdletters:
    • aan het begin van een zin
    • bij het schrijven van eigennamen van personen
    • bij titels van boeken en films

    Te hanteren begrippen

    de hoofdletter, de kleine letter

    Voorbeelden

    Gebruik van hoofdletters:
    • Op een dag gebeurde er iets geks.
    • Erwin Vandenbroucke, Adelinde Loconsole
    • Sjakie en de chocoladefabriek (boek van Roald Dahl)
    • Wonka (film naar het boek van Roald Dahl)
  104. NL.235 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.5

    Illustreren de regels voor het gebruik van hoofdletters bij schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regels voor het gebruik met hoofdletters:
    • het eerste woord van een aanhaling
    • aan het begin van een zin
    • aardrijkskundige namen
    • namen van windstreken die verwijzen naar een geografisch gebied
    • feestdagen
    • namen van talen en taalvariëteiten
    
    Regels voor het gebruik zonder hoofdletter:
    • een zin die met een getal begint

    Te hanteren begrippen

    de hoofdletter, de kleine letter

    Voorbeelden

    Met hoofdletter:
    • Hij zei: “Ik lust geen kaas.”
    • België, Gent, Limburg
    • Noord, Zuid
    • Dag van de Leraar, Dag van de Arbeid, Nieuwjaar, Internationale Vrouwendag,
        Europese Dag van de Talen, Werelddierendag
    • Nederlands, West-Vlaams
    Zonder hoofdletter:
    67 personen werden geëvacueerd.
  105. NL.236 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.4

    Illustreren de regels voor het gebruik van hoofdletters bij schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Regels voor het gebruik met hoofdletter:
    • na een afgekort woord aan het begin van een zin: ‘s en ‘t
    • vaste benaming van een bekende historische gebeurtenis
    • afleidingen van aardrijkskundige namen
    • namen van windstreken die deel uitmaken van aardrijkskundige namen
    • namen van gebouwen, bedrijven en merken
    
    Regels voor het gebruik zonder hoofdletter:
    • historische periodes
    • namen van windstreken in afleidingen

    Voorbeelden

    Met hoofdletter:
    • ’s Morgens eet ik yoghurt.
    • de Slag bij Waterloo, de Tweede Wereldoorlog
    • een Antwerpenaar, Franse kaas
    • Zuid-Afrika, Noord-Amerika
    • het Atomium
    Zonder hoofdletter:
    • middeleeuwen, ijstijd, juli
    • de westerse beschaving, oosterse wijsheid
  106. NL.237 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.5; L6 1.2.4

    Passen de regels voor het gebruik van hoofdletters toe bij schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

  107. NL.238 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.8

    Gebruiken interpunctietekens bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpunctietekens:
    • het punt
    • het uitroepteken
    • het vraagteken
  108. NL.239 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.8

    Gebruiken interpunctietekens bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpunctietekens:
    • het dubbele punt
    • de komma
  109. NL.240 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.6

    Gebruiken interpunctietekens bij het schrijven.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Interpunctietekens:
    de dubbele aanhalingstekens, de haakjes
  110. NL.241 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.4

    Schrijven frequent gebruikte woorden met woordtekens.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woordtekens:
    het trema, het koppelteken, de apostrof, het accent

    Te hanteren begrippen

    het trema, het koppelteken, de apostrof, het accent
  111. NL.242 Engageren L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.8; L6 1.2.6

    Tonen hun kennis van spelling in verschillende contexten.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Hoofdletters en interpunctie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Jean-Baptist controleert zijn toets op spelling en merkt dat hij werkwoorden in de
        verleden tijd correct moet vervoegen om een foutloze tekst te schrijven.
    • Lena schrijft een boodschappenlijstje en let erop dat ze woorden zoals ‘yoghurt’ en
        ‘mayonaise’ correct spelt.
  112. NL.243 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.8

    Schrijven zinnen en teksten met aandacht voor het gebruik van hoofdletters en interpunctie.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruik van hoofdletters en interpunctie:
    • hoofdletter aan het begin van een zin
    • leesteken aan het einde van de zin: punt, uitroepteken, vraagteken
  113. NL.244 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.8

    Schrijven zinnen en teksten met aandacht voor het gebruik van hoofdletters en interpunctie.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruik van hoofdletters en interpunctie:
    • hoofdletter aan het begin van een zin, inclusief uitzondering bij een zin die met een
        getal begint
    • leesteken in de zin: komma, dubbele punt
  114. NL.245 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.6

    Schrijven zinnen en teksten met aandacht voor het gebruik van hoofdletters en interpunctie.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruik van hoofdletters en interpunctie:
    • hoofdletter aan het begin van een zin, inclusief uitzonderingen zoals ’s Morgens… en 14
        dagen later…
    • hoofletter aan het begin van een aanhaling
    • leesteken in de zin: dubbele aanhalingstekens
  115. NL.246 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.8

    Schrijven zinnen in teksten met aandacht voor zinsstructuren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • enkelvoudige zinnen
    • mededelende zin
    
    Zinsstructuren:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin
  116. NL.247 Gebruiken L2 L3 L4 1.2.8

    Schrijven zinnen in teksten met aandacht voor zinsstructuren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • enkelvoudige zinnen
    • uitroepende zin, vragende zin, ontkennende zin, gebiedende wijs
    
    Zinsstructuren:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin
  117. NL.248 Gebruiken L3 L4 1.2.8; L6 1.2.6

    Schrijven zinnen in teksten met aandacht voor zinsstructuren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • enkelvoudige en samengestelde zinnen
    • mededelende zin
    
    Zinsstructuren:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin
  118. NL.249 Gebruiken L4 L5 L6 L4 1.2.8; L6 1.2.6

    Schrijven zinnen in teksten met aandacht voor zinsstructuren.

    Nederlands Schrijven › Correct schrijven › Correct schrijven van zinnen en teksten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • enkelvoudige en samengestelde zinnen
    • mededelende zin, uitroepende zin, vragende zin, ontkennende zin, gebiedende wijs
    
    Zinsstructuren:
    • juiste woordvolgorde: met woorden op de juiste plaats in de zin, afgestemd op de soort
        zin
  119. NL.250 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Gebruiken tekeningen, krabbels, symbolen, letter- of cijfervormen om ideeën, gebeurtenissen en kennis vast te leggen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Lotje tekent een smiley naast haar opdracht om aan te geven dat ze het leuk vond om
        die te maken.
    • Achilles vult de eerste letter van een woord aan met een zelf uitgevonden letterteken.
  120. NL.251 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Geven de betekenis van hun schrijfproduct weer.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Gilles toont met trots zijn prijslijst en zegt: “Ik heb een lijst gemaakt voor de winkel”
  121. NL.252 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Gebruiken specifieke stukken uit het schrijfproduct als antwoord op een specifieke vraag.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    De leraar vraagt aan Gilles wat hij schreef. Hij toont zijn prijslijst, zegt en wijst tegelijkertijd
    aan: “Ik schreef wortel, brood, banaan en de prijzen”
  122. NL.253 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Gebruiken het schrijven geïntegreerd tijdens hun spel.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • tekeningen
    • al dan niet uitgevonden grafemen
  123. NL.254 Gebruiken K2 K3 KO 1.2.8

    Schrijven teksten voor zelfgekozen doeleinden.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Teksten voor zelfgekozen doeleinden:
    • kopiërend letters, woorden en zinnen schrijven voor eigen plezier
    • een eigen ervaring, belevenis, gevoelens… in een dagboek schrijven
  124. NL.255 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.9

    Noteren informatie in een aangeboden schematische voorstelling.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Informatie:
    uit verschillende vakdisciplines
    
    Schematische voorstelling:
    • schema
    • lijst

    Voorbeelden

    • Het is winter. De kinderen leren over weersverschijnselen die bij de winter horen. Ze
        leren ook dat daar aangepaste kledij bij hoort. Ze maken een lijstje van welke kledij
        geschikt is om in de winter te dragen.
    • In de les verkeer onderzoeken de kinderen welke soorten verkeersborden er zijn. Ze
        noteren in hun schema welke vormen en kleuren de aangeboden verkeersborden
        hebben, door de vorm te tekenen en in te kleuren. Samen met de leerkracht noteren ze
        er de naam bij en wat de betekenis van de combinatie van vorm en kleur is, zoals
        verbodsbord, gevaarsbord… Zo hebben ze een handig overzicht gemaakt van de soorten
        verkeersborden dat ze later nog kunnen raadplegen om de betekenis van een ongezien
        verkeersbord te achterhalen.
  125. NL.256 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.9

    Herkennen kernwoorden in teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

  126. NL.257 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.9

    Maken beknopte notities met behulp van kernwoorden uit teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Teksten:
    • mondeling of schriftelijk aangeboden
    • van verschillende vakdisciplines
  127. NL.258 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.9

    Gebruiken schematische voorstellingen bij het ordenen van inhouden uit teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    • met gebruik van kernwoorden
    • met weergave van verbanden

    Voorbeelden

    • In een tekst over de verschillende diersoorten worden er verschillende voorbeelden
        gegeven. Suzanna en Doris maken samen een lijstje waarin ze per diersoort de
        voorbeelden opsommen.
    • Linde en Samia vergelijken twee landschappen met elkaar. Ze stellen dit voor in een
        venndiagram.
  128. NL.259 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.10

    Verwoorden de hoofdgedachte van een tekst in een korte zin.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekst:
    • een alinea of de volledige tekst
    
    Verwoorden:
    • met behulp van genoteerde kernwoorden
  129. NL.260 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.10

    Schrijven de hoofdgedachte van een tekst in een korte zin.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekst:
    • een alinea of de volledige tekst
    
    Schrijven:
    • met behulp van kernwoorden
  130. NL.261 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.9

    Maken gestructureerde aantekeningen met behulp van kernwoorden.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

  131. NL.262 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.7

    Schrijven in eigen woorden het kernidee van een tekst op.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekst:
    een alinea of de volledige tekst
  132. NL.263 Begrijpen L5 L6 GO!-doel

    Verwoorden het belang van het samenvatten van teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Belang van samenvatten:
    • informatie verwerven en onthouden
    • Een gelezen verhaal kort samenvatten omdat je het wil aanraden aan een vriend.
  133. NL.264 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.8

    Vatten een tekst samen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Samenvatten:
    • kernidee/hoofdgedachte
    • argumenten
    • relevante details
  134. NL.265 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.8

    Vatten de inhoud van teksten samen, gebruikmakend van de tekststructuur/verhaalstructuur.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekststructuur/verhaalstructuur:
    • vormelijke elementen van tekststructuur/verhaalstructuur: titel, tussentitel, alinea,
        hoofdstuk, bladzijde, regel, cursief, vet, tekstopmaak
    • inhoudelijke elementen van tekststructuur: oorzaak-gevolgstructuur, chronologische
        opbouw, probleem-oplossingsstructuur, vergelijkende opbouw, beschrijvende opbouw
    • inhoudelijke elementen van verhaalstructuur: begin (kennismaking: personages, situatie,
        plaats), midden (probleem en obstakels), slot (oplossing en afloop); chronologische
        opbouw

    Te hanteren begrippen

    het hoofdstuk, de bladzijde, de alinea, de regel, de titel, de tussentitel, de tekstopmaak,
    cursief, vet
  135. NL.266 Gebruiken L5 L6 GO!-doel

    Schrijven teksten op basis van informatie, verzameld uit verschillende bronnen (synthese).

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te leren › Noteren en samenvatten

  136. NL.267 Begrijpen K2 K3 KO 1.2.9

    Illustreren de functies van geschreven taal.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Invloed van de auteur op de lezer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Functies van geschreven taal:
    • om te informeren
    • om te communiceren
  137. NL.268 Begrijpen L3 L4 L4 1.2.16

    Illustreren dat je als auteur invloed kan uitoefenen op de lezer.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Invloed van de auteur op de lezer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Invloed auteur:
    • taalgebruik
    • woordkeuze

    Voorbeelden

    Invloed auteur:
    • In een spannend verhaal kies je geschikte woorden om als auteur te beschrijven wat een
        angstig personage voelt, ziet en hoort. De lezer kan deze spanning als het ware in zijn
        lichaam voelen.
    • Als auteur van een informatiebrochure kies je voor korte, krachtige zinnen en duidelijke
        afbeeldingen. Zo moet de lezer weinig moeite doen om te lezen en is die toch goed
        geïnformeerd.
  138. NL.269 Engageren L3 L4 L4 1.2.16

    Reflecteren samen over de invloed die elkaars schrijfproducten uitoefenen op lezers.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Invloed van de auteur op de lezer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Evi maakte een poster om iedereen duidelijk te maken dat bananenschillen in de
        groenafvalbak horen. Ze kleurde de afvalbak groen en tekende een pijl van de
        bananenschil naar de vuilbak. Evi en haar klasgenoten reflecteren samen over de
        duidelijkheid van deze boodschap. Ze leggen aan elkaar uit hoe zij de boodschap op de
        poster van Evi begrijpen.
    • Mehmet maakte een verslag met een tekening over de voetbalmatch. Mehmet schreef in
        grote letters wat de supporters riepen en hij gebruikte uitroeptekens. Mehmet en zijn
        klasgenoten reflecteren samen over de tekstopmaak. Zij leggen aan elkaar uit in
        hoeverre grote letters en uitroeptekens duidelijk maken dat de supporters roepen.
    • Daria schreef een spookverhaal. De leerlingen ervaren hoe spannend het is door de
        manier waarop Daria beschrijft hoe het hoofdpersonage kippenvel krijgt en rilt van angst
        wanneer ze een deur hard hoorde dichtklappen. Daria en haar klasgenoten reflecteren
        samen over de spanning in het verhaal. Ze geven aan welke woorden of woordgroepen
        het verhaal voor hen spannend maken.
  139. NL.270 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.15

    Geven weer wat hen als auteur motiveert om iets te schrijven wat invloed kan uitoefenen op de lezers.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Invloed van de auteur op de lezer

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Dario schreef als auteur van een fantastisch verhaal over de knotsgekke avonturen van
        een kind om de lezers plezier te doen beleven aan een fantasievol verhaal.
    • Misha wil als auteur dierenleed onder de aandacht brengen door een schokkende poster
        van een verwaarloosd huisdier te maken.
  140. NL.271 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.2.11; L4 1.2.12; L4 1.2.13; L4 1.2.14; L4 1.2.15; L4 1.2.16; L4 1.2.17; L4 1.2.18; L6 1.2.10; L6 1.2.11; L6 1.2.12; L6 1.2.13; L6 1.2.14; L6 1.2.15; L6 1.2.16; L6 1.2.17

    Beschrijven stappen van een schrijfproces.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijfstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfproces:
    • schrijven voorbereiden
    • boodschap formuleren
    • reviseren
    • verzenden/ publiceren
    • reflecteren op het schrijfproces
  141. NL.272 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.19; L6 1.2.18

    Voeren de stappen van het schrijfproces nauwkeurig uit.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijfstrategieën

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Uitvoeren:
    • met aandacht
    • met doorzettingsvermogen
  142. NL.273 Begrijpen K2 K3 L1 KO 1.2.9

    Beschrijven het schrijfdoel en -publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Schrijfdoel en -publiek:
    • Binnenkort gaan de kleuters op bezoek in het rusthuis. Samen met de meester schrijven
        ze een brief om de inwoners van het rusthuis te vertellen dat ze ernaar uitkijken om
        samen spelletjes te spelen en dat ze een verrassing voor hen hebben. Samen met de
        meester verwoorden de kleuters dat ze een brief schrijven aan de rusthuisbewoners
        (publiek) om hen te informeren over wat ze komen doen (doel).
    • Richard (publiek) is ziek. Alle kinderen van de klas hebben een tekening voor hem
        gemaakt. Samen met de juf schrijven de kleuters een kaartje met beterschapswensen
        (doel). De kleuters brengen samen met de juf het hele pakket naar de post.
  143. NL.274 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.16

    Beschrijven het schrijfdoel en -publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    gebruik makend van het communicatiemodel: zender, ontvanger, boodschap, kanaal
  144. NL.275 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.15

    Beschrijven het schrijfdoel en -publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    gebruik makend van het communicatiemodel: doel, medium, effect
  145. NL.276 Gebruiken K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.16; L6 1.2.15

    Bepalen het schrijfdoel en -publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Sara heeft een raadsel geschreven en hangt het op het prikbord achteraan in de klas. Aan
        haar klasgenoten én de meester (publiek) vertelt ze dat zij hun oplossing (doel) op een
        papiertje mogen noteren en in de pot stoppen. Aan het einde van de week kijkt ze na of
        er iemand het raadsel heeft opgelost. Het juiste antwoord hangt ze bij het raadsel op het
        prikbord.
    • Tiago, Zayn en Matteo kiezen ervoor om een mail te schrijven naar het jeugdverblijf
        (publiek) waar ze binnenkort met de klas naartoe gaan. Ze willen weten of er een lift in
        het gebouw is zodat Zayn met zijn rolstoel naar de tweede verdieping kan gaan (doel).
  146. NL.277 Gebruiken L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.11; L6 1.2.10

    Selecteren een teksttype dat het best bij het schrijfdoel en het -publiek past.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Teksttype:
    uit een variatie aan teksten
  147. NL.278 Engageren L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.2.11; L6 1.2.10

    Reflecteren over de keuze van teksttype in functie van het schrijfdoel.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

  148. NL.279 Begrijpen L2 L3 L4 L4 1.2.12; L4 1.2.13; L4 1.2.15

    Beschrijven manieren om een bepaald schrijfonderwerp voor te bereiden.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Manieren om een schrijfonderwerp voor te bereiden:
    • inhoud bedenken, gebruikmakend van vakspecifieke kennis en voorkennis
    • verzamelen van ideeën en informatie via een woordspin of schema
    • selecteren van ideeën en geschikte informatie
    • ordenen van ideeën en verzamelde informatie via een woordspin of schema
    • structureren van ideeën en verzamelde informatie: begin, midden, slot

    Te hanteren begrippen

    het begin, het midden, het slot

    Voorbeelden

    Manieren om een schrijfonderwerp voor te bereiden:
    • inhoud bedenken, verzamelen en ordenen gebruik makend van een woordspin,
        mindmap, tabel
    • inhoud selecteren en structureren gebruik makend van een stroomschema, tijdlijn,
        venndiagram, boomdiagram
  149. NL.280 Begrijpen L5 L6 L6 1.2.11; L6 1.2.12; L6 1.2.14

    Beschrijven manieren om een bepaald schrijfonderwerp voor te bereiden.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Manieren om een schrijfonderwerp voor te bereiden:
    • inhoud bedenken, gebruikmakend van vakspecifieke kennis en voorkennis
    • inhoud bedenken met behulp van strategieën: brainstorm, vragen stellen, associëren
    • verzamelen van ideeën en informatie
    • selecteren van ideeën en geschikte informatie
    • ordenen van ideeën en verzamelde informatie
    • structureren van ideeën en verzamelde informatie: titel, tussentitels, alinea’s,
        structuuraanduiders

    Te hanteren begrippen

    de titel, de tussentitel, de alinea, verwijswoorden, verbindingswoorden

    Voorbeelden

    Manieren om een schrijfonderwerp voor te bereiden:
    • inhoud bedenken en verzamelen gebruik makend van een woordspin, mindmap, tabel
    • inhoud selecteren en structureren gebruik makend van een stroomschema, tijdlijn,
        venndiagram, boomdiagram
  150. NL.281 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.13; L6 1.2.12

    Ordenen verzamelde ideeën en informatie over het bepaalde schrijfonderwerp.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

  151. NL.282 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.13

    Selecteren relevante ideeën en informatie die in de geschreven tekst zullen worden verwerkt.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

  152. NL.283 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.12

    Selecteren geschikte informatie uit verschillende (relevante) bronnen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Schrijven voorbereiden

  153. NL.284 Engageren K2 K3 KO 1.2.10

    Dragen bij aan een tekst om eigen ervaringen, creatieve ideeën en aangeboden inhouden vast te leggen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

  154. NL.285 Gebruiken K2 K3 L1 KO 1.2.10

    Schrijven teksten over voor hen bekende onderwerpen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    • samen met de leraar
    • met letters, cijfers en al dan niet uitgevonden tekens
  155. NL.286 Begrijpen L1 L2 L3 KO 1.2.10

    Begrijpen het principe van hardop schrijven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Principe van hardop schrijven:
    • gedachten weergeven in de vorm van woorden, zinnen en teksten
    • zinnen en formuleringen uitproberen ‘in mijn hoofd’
  156. NL.287 Gebruiken L1 L2 L4 1.2.14; L; 4; L4 1.2.16

    Schrijven korte teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Korte teksten:
    • met meestal één inhoudselement
    • vaak met chronologische opbouw
    • korte zinnen, meestal enkelvoudig, grammaticaal eenvoudig
  157. NL.288 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.11; L4 1.2.14; L4 1.2.16

    Schrijven langere teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Langere teksten:
    • met enkele inhoudselementen
    • met chronologische opbouw
    • langere zinnen, naast enkelvoudige ook samengestelde zinnen
  158. NL.289 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.10; L6 1.2.13; L6 1.2.15

    Schrijven langere teksten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Boodschap formuleren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Langere teksten:
    • met meerdere, samenhangende inhoudselementen: de tekst bevat steeds meer details,
        karakters worden steeds meer uitgediept, ideeën worden steeds dieper uitgewerkt
    • variatie in zinsbouw
    • gepaste woordkeuze
    • figuurlijk taalgebruik
    • register afgestemd op het publiek
  159. NL.290 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 1.2.18

    Verbeteren hun schrijfproducten op basis van feedback.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Shari kan heel goed vriendschapsbandjes maken. Ze maakt een stappenplan voor haar
        klasgenootjes, zodat die zelf vriendschapsbandjes kunnen maken. Ze beschrijft hoe de
        draden aan elkaar geknoopt moeten worden, maar vergeet te schrijven dat het een
        stappenplan is om vriendschapsbandjes te maken. Haar klasgenootjes geven haar
        hierover feedback. Shari verbetert haar werk door een passende titel bovenaan haar
        stappenplan te schrijven.
    • In zijn verhaal gebruikt Bert vaak erg lange zinnen zonder komma’s. Bij een klassikale
        leesbeurt door de meester valt het de leerlingen op dat er weinig leestekens gebruikt
        zijn. Bert gaat er meteen mee aan de slag. Het helpt hem om daarbij de zinnen zachtjes
        aan zichzelf voor te lezen. Zo merkt hij wanneer er een komma moet komen om adem te
        halen.
  160. NL.291 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.18

    Lezen zelfgeschreven schrijfproducten na.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Nalezen:
    verbeteren foutjes die ze zelf opmerken alvorens hun werk in te leveren
  161. NL.292 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.18; L6 1.2.16

    Gaan in dialoog met elkaar bij het reviseren van hun schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reviseren:
    • tekststructuur
    • zinsbouw
    • woordgebruik
    • tekstconventies
    • spelling

    Voorbeelden

    • Levi las zijn zelfgeschreven verhaal voor in de klas. De klasgenoten konden meelezen op
        het Smartboard. Nona merkt op dat het hoofdpersonage zeer goed beschreven is: ze kan
        zich inbeelden hoe die eruitziet en hoe die zich voelt. (woordgebruik)
    • Jax en Phil schreven een krantenartikel over de klasuitstap voor de schoolkrant. Lien en
        Frauke lezen het artikel na. Ze ervaren de tekst als verwarrend omdat alle
        gebeurtenissen door elkaar zijn opgesomd. Ze helpen Jax en Phil om de tekst goed te
        structureren.
  162. NL.293 Begrijpen L3 L4 GO!-doel

    Illustreren hulpmiddelen om schrijfproducten te reviseren.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Hulpmiddelen:
    woordenboek
  163. NL.294 Begrijpen L5 L6 GO!-doel

    Illustreren hulpmiddelen om schrijfproducten te reviseren.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Hulpmiddelen:
    woordenboek, spellingscorrector
  164. NL.295 Gebruiken L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Gebruiken hulpmiddelen bij het reviseren van schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reviseren

  165. NL.296 Engageren K2 K3 GO!-doel

    Tonen een selectie aan eigen schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

  166. NL.297 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Selecteren uit eigen geschreven teksten welke ze willen delen met anderen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigen geschreven teksten:
    • persoonlijke teksten
    • teksten van de groep
  167. NL.298 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.2.16; L4 1.2.17; L6 1.2.15; L6 1.2.17

    Illustreren criteria waaraan een schrijfproduct dat ze willen delen met anderen moet voldoen.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Criteria:
    • afgestemd op het publiek
    • gepast taalregister
    • gepaste woordkeuze
    • figuurlijk taalgebruik
    • variatie aan zinsbouw
    • gepaste tekstopmaak
    • gepaste kanaal en medium: geschreven tekst

    Voorbeelden

    Gepaste kanaal en medium - geschreven tekst:
    een kartonboekje voor een verhaal voor jonge kleuters, een poster om een oproep te doen
    aan kinderen, een brief aan een ouder persoon
  168. NL.299 Begrijpen L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Illustreren presentatievormen voor schrijfproducten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Presentatievormen:
    een klaskrant, een poster, een dagboek, een presentatie, een leesboek, een informatiemuur
  169. NL.300 Gebruiken L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Bepalen een presentatievorm in functie van het schrijfdoel en publiek.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

  170. NL.301 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.17

    Schrijven teksten met een verzorgde tekstopmaak.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijven:
    passend bij het schrijfdoel
  171. NL.302 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.17

    Schrijven teksten met een verzorgde opmaak.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verzorgde opmaak:
    • handgeschreven
    • digitaal
  172. NL.303 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.17

    Gebruiken digitale middelen om geschreven teksten vorm te geven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Verzenden/ publiceren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Geschreven teksten:
    • voor verschillende doeleinden en -groepen
    
    Vormgeven:
    • volgens gangbare schrijfconventies

    Voorbeelden

    Digitale middelen:
    • verschillende devices (of dragers)
    • tekstverwerkers
    • presentatiesoftware
  173. NL.304 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 1.2.18; L6 1.2.16

    Duiden de gemaakte keuzes bij het schrijven van een tekst in functie van het schrijfdoel.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reflectie op het schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Duiden gemaakte keuzes:
    • over het eigen schrijfproces en schrijfproduct
    • over het schrijfproces en schrijfproduct van anderen

    Voorbeelden

    Keuzes in functie van het schrijfdoel:
    • Een brief schrijven op een wisbordje is niet handig.
    • De structuur ‘inleiding – midden – slot’ gebruiken bij het schrijven van een verhaal.
    • Bij een presentatie schrijf je trefwoorden, géén zinnen.
    • Bij een verslag over ons groepswerk schrijven we hoe we te werk zijn gegaan, in de juiste
        volgorde.
    • In een versje dat we schrijven voor de kleuters van de eerste kleuterklas, gebruiken we
        geen moeilijke woorden.
  174. NL.305 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.2.18; L6 1.2.16

    Vergelijken de eigen intentie als schrijver met de interpretatie van het publiek over hun eigen geschreven tekst.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reflectie op het schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    De eigen intentie en interpretatie van het publiek:
    • Ik schreef een instructie om een doosje van papier te vouwen. Ik zie dat mijn klasgenoten
        er niet in slagen om met behulp van mijn instructie succesvol een doosje te vouwen. Mijn
        instructie is dus niet duidelijk genoeg.
    • Ik schreef een recensie over een boek dat ik héél goed vind. Ik zie dat mijn klasgenoten
        dit boek nu ook willen lezen. Ik ben erin geslaagd om mijn enthousiasme over het boek
        over te brengen op de klasgenoten die mijn recensie lazen.
  175. NL.306 Engageren L5 L6 L4 1.2.18; L6 1.2.16

    Reflecteren over hun persoonlijke schrijfstijl.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfproces sturen › Reflectie op het schrijven

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Reflecteren:
    op kenmerken van hun teksten die specifiek zijn voor hun eigen schrijfstijl
  176. NL.307 Gebruiken L4 L5 L6 L4 1.2.17; L6 1.2.17

    Schrijven teksten met aandacht voor schrijfconventies.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Schrijfconventies

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schrijfconventies:
    • leesbaar handschrift
    • tekstopmaak afgestemd op teksttype en schrijfdoel
    • met aandacht voor een passende bladschikking: schrijven naast de kantlijn, schrijven op
        de schrijflijn, spaties tussen woorden, zinnen en alinea’s, afspraken rond het gebruik van
        leestekens

    Te hanteren begrippen

    tekstopmaak, cursief, vet
  177. NL.308 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.12; L4 1.2.15

    Gebruiken kennis over tekststructuur/verhaalstructuur om de eigen gedachten te structureren ter voorbereiding op het uiteindelijke schrijfproduct.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekststructuur:
    • vormelijke structuur
    • inhoudelijke structuur: oorzaak-gevolgstructuur, chronologische opbouw, probleem-
        oplossingstructuur, vergelijkende opbouw, beschrijvende opbouw

    Te hanteren begrippen

    de tekst, het begin, het midden, het slot
  178. NL.309 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.11; L6 1.2.14

    Gebruiken kennis over tekststructuur/verhaalstructuur om de eigen gedachten te structureren ter voorbereiding op het uiteindelijke schrijfproduct.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekststructuur:
    • vormelijke structuur
    • inhoudelijke structuur: oorzaak-gevolgstructuur, chronologische opbouw, probleem-
        oplossingstructuur, vergelijkende opbouw, beschrijvende opbouw

    Te hanteren begrippen

    de titel, de tussentitel, de alinea, de structuuraanduiders
  179. NL.310 Gebruiken L3 L4 L4 1.2.15

    Schrijven teksten met een eenvoudige en herkenbare structuur die bij het teksttype past.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Teksten met eenvoudige en herkenbare structuur:
    • een recept: ingrediënten, werkwijze
    • een brief: plaats en datum, aanhef, slot
  180. NL.311 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.14

    Schrijven steeds complexer wordende teksten in een structuur die bij het teksttype past.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Steeds complexer worden teksten:
    • een brochure: omslag met titel en afbeelding of logo; introductie; informatief gedeelte
        met alinea’s en tussentitels, contactgegevens
    • een verhaal: inleiding-midden-slot
  181. NL.312 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.15

    Schrijven teksten met variatie in zinsbouw.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

  182. NL.313 Engageren L4 L5 L6 L4 1.2.15; L6 1.2.14

    Tonen hun kennis over tekststructuur/verhaalstructuur in verschillende contexten.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Tekststructuur/verhaalstructuur

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Levi leest een stappenplan om pannenkoeken te bakken. Hij zegt dat er eerst een lijst
        met benodigdheden staat, gevolgd door duidelijke instructies in volgorde. Hij herkent dat
        dit een instructietekst is.
    • Rebecca vertelt een zelfverzonnen verhaal aan haar klasgenoten. Ze begint met wie en
        waar, daarna vertelt ze wat er misloopt en eindigt met hoe het opgelost wordt. Ze
        gebruikt bewust de opbouw van een verhaalstructuur.
  183. NL.314 Gebruiken L2 L3 L6 1.2.14

    Gebruiken structuuraanduiders om verbanden in teksten weer te geven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Verbanden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    signaalwoorden die de volgorde aanduiden

    Voorbeelden

    Structuuraanduiders:
    eerst, toen, daarna
  184. NL.315 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L6 1.2.14

    Illustreren het gebruik van structuuraanduiders.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Verbanden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden: verwijzen naar iemand of iets wat eerder in de tekst genoemd was
    • verbindingswoorden: leggen verbanden tussen zinnen en tussen alinea’s
    • signaalwoorden: geven het soort verband tussen zinnen en tussen alinea’s weer (tijd:
        eerst, toen, daarna; oorzaak: omdat, doordat; gevolg: zodat, waardoor; tegenstelling:
        maar; opsomming: en, bovendien; conclusie: dus, daarom)

    Voorbeelden

    Structuuraanduiders:
    • Het konijn van Alice was verdwenen. Alle buren hielpen haar zoeken. (verwijswoord)
    • Juf Jo was ervan overtuigd dat onze school kampioen zou worden. We hadden dan ook
        goed getraind. (verbindingswoord)
    • Meester Steve gelooft dat het ons zal lukken om heerlijke pannenkoeken te bakken.
        Maar dan is het wel nodig om de ingrediënten precies af te meten. (signaalwoord)
  185. NL.316 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.2.14

    Gebruiken structuuraanduiders om verbanden in teksten weer te geven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Verbanden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    • verwijswoorden: verwijzen naar iemand of iets wat eerder in de tekst genoemd was
    • verbindingswoorden: leggen verbanden tussen zinnen en tussen alinea’s
    • signaalwoorden: geven het soort verband tussen zinnen en tussen alinea’s weer
  186. NL.317 Gebruiken L5 L6 L6 1.2.14

    Gebruiken structuuraanduiders om verbanden in teksten weer te geven.

    Nederlands Schrijven › Schrijven om te delen › Verbanden

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Structuuraanduiders:
    argumentatieve verbindingswoorden

    Voorbeelden

    Structuuraanduiders:
    We willen dat de bibliotheek in onze school aantrekkelijk blijft.
    • Daarom zetten we de boeken netjes terug op hun plaats in de boekenkasten. (argument)
    • Toch zijn er nog altijd boeken die in de sofa blijven liggen. (tegenargument)