Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

202 doelen

CSV downloaden filters wissen

vak: WI ✕ Meetkunde ✕

  1. WI.703 Begrijpen K1 KO 2.4.2

    Herkennen ruimtefiguren in de omgeving.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    bol, kegel
    objecten uit de omgeving
  2. WI.704 Begrijpen K2 K3 KO 2.4.1; KO 2.4.2

    Herkennen ruimtefiguren in de omgeving.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    bol, kegel, piramide, kubus, balk en cilinder
    objecten uit de omgeving

    Te hanteren begrippen

    de bol
  3. WI.705 Gebruiken K1 K2 KO 2.4.1; KO 2.4.2

    Controleren of ze ruimtefiguren kunnen rollen en/of stapelen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    objecten uit de omgeving
  4. WI.706 Gebruiken K1 K2 K3 KO 4.2.3

    (De)monteren ruimtefiguren tot een bouwsel en omgekeerd.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    (de)monteren:
    opdelen en samenstellen
  5. WI.707 Gebruiken K3 KO 2.4.1; KO 2.4.2; KO 2.4.18

    Classificeren ruimtefiguren.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    • kubus, balk, bol, kegel, piramide, cilinder
    objecten uit de omgeving
    
    Classificeren:
    • volgens de manier waarop je ze kunt verplaatsen: rollen, stapelen, schuiven

    Te hanteren begrippen

    de bol, de kegel, de kubus, de balk, de piramide
  6. WI.708 Begrijpen K3 L1 KO 2.4.1; KO 2.4.2

    Duiden de vlakken van een ruimtefiguur aan.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    kubus, balk, kegel, piramide, cilinder

    Te hanteren begrippen

    de driehoek, het vierkant, de rechthoek, de cirkel
  7. WI.709 Gebruiken L1 L2 L4 2.4.2; L4 2.4.7

    Classificeren ruimtefiguren.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    kubus, balk, kegel, piramide, cilinder, bol
    Classificeren:
    volgens de vorm van de vlakken: driehoek, vierkant, rechthoek, cirkel
  8. WI.710 Begrijpen L2 L4 2.4.2; L4 2.4.7; L6 2.4.2

    Herkennen delen van een ruimtefiguur.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    balk, kubus, kegel, piramide, cilinder
    
    Delen:
    ribbe, vlak, rand

    Te hanteren begrippen

    de ribbe, het vlak, de rand
  9. WI.711 Begrijpen L3 L4 2.4.2; L4 2.4.7

    Herkennen delen van een ruimtefiguur.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    kubus, balk, bol, piramide, cilinder, kegel
    
    Delen:
    ribbe, vlak, rand, gebogen oppervlak, hoekpunt

    Te hanteren begrippen

    het hoekpunt, het gebogen oppervlak
  10. WI.712 Begrijpen L3 L4 2.4.2; L4 2.4.7

    Beschrijven ruimtefiguren.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    kubus, balk, bol, piramide, cilinder, kegel
    
    Beschrijven:
    op basis van eigenschappen: aantal vlakken en gebogen oppervlakken

    Te hanteren begrippen

    de kubus, de balk, de piramide, de cilinder, de bol, de kegel
  11. WI.713 Gebruiken L3 L4 L6 2.4.4

    Onderscheiden ruimtefiguren en vlakke figuren van elkaar.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de ruimtefiguur, de vlakke figuur
  12. WI.714 Begrijpen L4 L4 2.4.1; L4 2.4.7

    Beschrijven ruimtefiguren.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ruimtefiguren:
    kubus, balk, bol, piramide, cilinder, kegel
    
    Beschrijven:
    Op basis van eigenschappen: aantal ribben, aantal hoekpunten, aantal vlakken en de
    vorm van de vlakken
  13. WI.715 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.2; L6 2.4.4

    Onderscheiden in een verzameling ruimtefiguren de veelvlakken en niet-veelvlakken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het (niet-)veelvlak
  14. WI.716 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.4

    Classificeren veelvlakken volgens het aantal vlakken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het viervlak, het vijfvlak, het zesvlak, het …vlak
  15. WI.717 Begrijpen L5 GO!-doel

    Verwoorden dat elk veelvlak minstens een viervlak is.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

  16. WI.718 Begrijpen L5 L6 2.4.2; L6 2.4.7

    Herkennen de delen van een kubus.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Delen:
    hoekpunt, ribbe(n), grondvlak, bovenvlak, zijvlak

    Te hanteren begrippen

    het grondvlak, het bovenvlak, het zijvlak, het oppervlak, de ribbe
  17. WI.719 Begrijpen L5 L6 L6 2.4.2; L6 2.4.7

    Verwoorden bij een ontvouwing van een kubus de eigenschappen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • het grondvlak, het bovenvlak en de zijvlakken zijn congruente vierkanten
    • alle ribben hebben dezelfde lengte

    Te hanteren begrippen

    de eigenschap, de ontvouwing
  18. WI.720 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.7

    Onderscheiden de verschillende correcte ontvouwingen van een kubus.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    selectie uit juiste en foute varianten
  19. WI.721 Begrijpen L5 L6 2.4.2; L6 2.4.7

    Herkennen de delen van een balk.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Delen:
    hoekpunt, ribbe(n), grondvlak, bovenvlak, zijvlak
  20. WI.722 Begrijpen L5 L6 L6 2.4.7

    Verwoorden bij een ontvouwing van een balk de eigenschappen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Het grondvlak en het bovenvlak zijn congruente rechthoeken.
    • Het grondvlak en het bovenvlak zijn evenwijdig.
    • De zijvlakken zijn rechthoeken.
  21. WI.723 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.7

    Onderscheiden de verschillende correcte ontvouwingen van een balk.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    selectie uit juiste en foute varianten
  22. WI.724 Begrijpen L5 GO!-doel

    Herkennen de delen van een piramide.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Delen:
    hoekpunt, ribbe(n), grondvlak, zijvlak
  23. WI.725 Begrijpen L5 L6 GO!-doel

    Verwoorden bij een ontvouwing van een piramide de eigenschappen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Het grondvlak is een veelhoek.
    • De zijvlakken zijn driehoeken met een gemeenschappelijk hoekpunt.
  24. WI.726 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.4

    Classificeren ruimtefiguren.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Classificeren:
    met behulp van verzamelingen
    volgens toenemend of afnemend aantal eigenschappen.

    Te hanteren begrippen

    en, of, niet

    Voorbeelden

    • Tibo plaatst de ruimtefiguren die een top hebben maar niet kunnen rollen in een
        verzameling.
    • Elena verzamelt de ruimtefiguren die vier of vijf vlakken hebben.
  25. WI.727 Begrijpen L6 L6 2.4.2; L6 2.4.7

    Herkennen de delen van een cilinder.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Delen:
    Gebogen oppervlak, grondvlak, bovenvlak, rand

    Te hanteren begrippen

    het gebogen oppervlak
  26. WI.728 Begrijpen L6 L6 2.4.7

    Verwoorden bij een ontvouwing van een cilinder de eigenschappen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Het grondvlak en het bovenvlak zijn congruente cirkels.
    • Het grondvlak en het bovenvlak zijn evenwijdig.
  27. WI.729 Gebruiken L6 L6 2.4.7

    Onderscheiden de verschillende correcte ontvouwingen van een cilinder.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    selectie uit juiste en foute varianten
  28. WI.730 Begrijpen L6 GO!-doel

    Herkennen de delen van een kegel.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Delen van een kegel:
    top, gebogen oppervlak, grondvlak, rand
  29. WI.731 Begrijpen L6 GO!-doel

    Verwoorden bij een ontvouwing van een kegel de eigenschappen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Het grondvlak is een cirkel.
    • Het zijvlak is een gebogen oppervlak.
    • De kegel eindigt in de top.
  30. WI.732 Begrijpen L6 GO!-doel

    Duiden bij een bol het gebogen oppervlak aan.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

  31. WI.733 Begrijpen L6 GO!-doel

    Verwoorden de eigenschappen van een bol.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Ruimtefiguren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een bol heeft één gebogen oppervlak.
    • Een bol heeft geen hoeken of zijden.
  32. WI.734 Begrijpen K1 KO 2.4.2

    Herkennen vlakke figuren in de omgeving.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren herkennen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vlakke figuren:
    driehoek, vierkant, rechthoek, cirkel

    Voorbeelden

    • Raf stempelt figuren die allemaal dezelfde vorm hebben, de leerkracht benoemt dit
        als ‘driehoek’.
    • Jonas maakt een afdruk van een glas in klei en bekomt een figuur, de leerkracht
        benoemt dit als ‘cirkel’.
  33. WI.735 Begrijpen K2 K3 L1 KO 2.4.1; KO 2.4.2

    Herkennen vlakke figuren in de omgeving.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren herkennen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de driehoek, het vierkant, de rechthoek, de cirkel

    Voorbeelden

    Bieke benoemt de vorm van verkeersborden: “Deze hebben de vorm van een cirkel, die
    van een driehoek.”
  34. WI.736 Gebruiken K2 K3 L1 KO 2.4.2; KO 2.4.18

    Classificeren vlakke figuren volgens vorm.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren herkennen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vlakke figuren:
    driehoek, vierkant, rechthoek, cirkel
  35. WI.737 Begrijpen L2 L4 2.4.2; L4 2.4.3

    Herkennen de delen van een vlakke figuur.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren herkennen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Vlakke figuren:
    driehoek, vierkant, rechthoek, cirkel, hoek, zijde, rand
    
    Delen:
    hoek, zijde, rand

    Te hanteren begrippen

    de hoek, de zijde, de rand
  36. WI.738 Begrijpen K1 KO 2.4.1

    Herkennen lijnen in de omgeving.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lijnen:
    recht, gebogen, rond

    Voorbeelden

    Boris gaat achter de rechte lijn staan, zoals de leerkracht vraagt.
  37. WI.739 Begrijpen K2 K3 KO 2.4.1

    Herkennen lijnen in de omgeving.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de lijn, recht, gebogen, rond

    Voorbeelden

    Lijnen in de omgeving:
    Een wasdraad tussen twee palen die strak aangespannen is benoem ik als een rechte
    lijn.
  38. WI.740 Gebruiken K2 K3 L1 L2 KO 2.4.1; L4 2.4.6

    Tekenen lijnen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lijnen:
    recht, gebogen, rond
  39. WI.741 Begrijpen L3 L4 2.4.2

    Herkennen rechten en krommen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    • in de omgeving
    • in 2D
    
    Wiskundige notatie:
    rechte a, kromme b

    Te hanteren begrippen

    de rechte, de kromme
  40. WI.742 Begrijpen L3 L4 2.4.17; L4 2.4.18

    Herkennen loodrechte stand en evenwijdigheid.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    • in de omgeving
    • in vlakke figuren met behulp van geodriehoek
    
    Wiskundige notatie:
    • evenwijdig (//)
    • loodrecht (ꓕ)

    Te hanteren begrippen

    loodrecht, evenwijdig
  41. WI.743 Gebruiken L3 L4 2.4.18; L4 2.4.19

    Tekenen rechten.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekenen:
    op ruitjespapier met een geodriehoek
    • snijdende rechten
    • loodrechte rechten
    • evenwijdige rechten
    
    Wiskundige notatie:
    rechte a, het snijpunt A, evenwijdig (//), loodrecht (ꓕ), snijdend (∦)
  42. WI.744 Begrijpen L3 GO!-doel

    Herkennen horizontale en verticale lijnen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in de omgeving

    Te hanteren begrippen

    horizontaal, verticaal
  43. WI.745 Gebruiken L3 GO!-doel

    Tekenen lijnen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lijnen:
    horizontale en verticale
    
    Tekenen:
    op ruitjespapier met een geodriehoek
  44. WI.746 Begrijpen L3 L4 2.4.17

    Illustreren dat een verticale lijn een lijn is die loodrecht staat op een horizontale lijn.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

  45. WI.747 Begrijpen L4 L4 2.4.17

    Illustreren dat evenwijdige lijnen elkaar nooit snijden omdat de afstand tussen de lijnen altijd dezelfde blijft.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

  46. WI.748 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.4.2; L4 2.4.18; L4 2.4.19; L6 2.4.2

    Tekenen rechten en lijnstukken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekenen:
    met een geodriehoek
    • snijdende rechten en lijnstukken
    • loodrechte rechten en lijnstukken
    • evenwijdige rechten en lijnstukken
    
    Wiskundige notatie:
    rechte a, kromme b, halfrechte [AB, lijnstuk [AB], het punt A, het snijpunt B, evenwijdig
    (//), loodrecht (ꓕ), snijdend (∦)

    Te hanteren begrippen

    de rechte (lijn), het lijnstuk, de halfrechte, de gebogen lijn, de kromme, het punt,
    begrensd, onbegrensd, loodrecht, evenwijdig, snijdend
  47. WI.749 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.4.19; L6 2.4.2

    Tekenen een loodlijn op een rechte.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Lijnen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Een loodlijn:
    • door een punt dat buiten de rechte ligt
    • door een punt dat op de rechte ligt

    Te hanteren begrippen

    de loodlijn
  48. WI.750 Begrijpen K1 K2 KO 2.4.1

    Herkennen een punt en een hoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in de omgeving

    Voorbeelden

    In de hoek van de klas ziet Abram een borstel staan.
  49. WI.751 Begrijpen K2 KO 2.4.1

    Herkennen een punt.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in 2D

    Te hanteren begrippen

    het punt

    Voorbeelden

    Lien trekt een lijn door de puntjes en bekomt een figuur.
  50. WI.752 Begrijpen K3 L1 L2 KO 2.4.1

    Herkennen een punt en een hoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    • in de omgeving
    • in 2D

    Te hanteren begrippen

    de hoek
  51. WI.753 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.2; L4 2.4.4

    Herkennen een hoek en een hoekpunt in een vlakke figuur.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Wiskundige notatie:
    hoek: Â of BÂC en boog tussen de benen
    rechte hoek: ∟

    Te hanteren begrippen

    het hoekpunt, de benen
  52. WI.754 Gebruiken L3 L4 2.4.4

    Bepalen het aantal hoeken van een vlakke figuur.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

  53. WI.755 Begrijpen L3 L4 2.4.3

    Verwoorden dat het aantal hoeken van een veelhoek gelijk is aan het aantal zijden.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

  54. WI.756 Begrijpen L3 L4 2.4.2; L4 2.4.4; L4 2.3.44; L4 2.3.45

    Herkennen een rechte, stompe en scherpe hoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    • in de omgeving
    • in vlakke figuren

    Te hanteren begrippen

    de rechte hoek, de stompe hoek, de scherpe hoek
  55. WI.757 Begrijpen L3 L4 2.4.2

    Herkennen de delen van een veelhoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Delen:
    hoek, hoekpunt, zijde

    Te hanteren begrippen

    de overstaande zijde, de overstaande hoek
  56. WI.758 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.2; L4 2.4.4

    Onderscheiden in een verzameling vlakke figuren de veelhoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de vlakke figuur, de (niet-)veelhoek
  57. WI.759 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.2; L4 2.4.3; L4 2.4.4

    Classificeren veelhoeken volgens het aantal hoeken en zijden.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Veelhoeken:
    driehoek, vierhoek, vijfhoek, zeshoek

    Te hanteren begrippen

    de vierhoek, de vijfhoek, de zeshoek, de … hoek
  58. WI.760 Gebruiken L4 L4 2.4.2; L4 2.4.4; L6 2.4.2

    Onderscheiden in een verzameling veelhoeken de regelmatige veelhoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de (on)regelmatige veelhoek
  59. WI.761 Begrijpen L4 L4 2.4.2; L6 2.4.2; L6 2.4.3

    Herkennen diagonalen in veelhoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de diagonaal
  60. WI.762 Gebruiken L4 L5 L6 L6 2.4.3

    Tekenen in een veelhoek alle diagonalen.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

  61. WI.763 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.1; L6 2.4.2; L6 2.4.5

    Leiden vanuit classificatie van (on)regelmatige veelhoeken de definities af.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Afleiden:
    • formulering van de definitie
    • beoordeling van de definitie
    • correctie van de definitie
    
    Definitie:
    • Een veelhoek is een vlakke figuur die bestaat uit 3 of meer lijnstukken.
    • Een regelmatige veelhoek is een veelhoek waarvan alle zijden even lang zijn en alle
        hoeken even groot zijn.
    • Een onregelmatige veelhoek is een veelhoek waarvan niet alle zijden even lang zijn
        en/of niet alle hoeken even groot zijn.

    Te hanteren begrippen

    de (on)regelmatige veelhoek
  62. WI.764 Begrijpen L5 L6 L6 2.4.2; L6 2.4.3

    Beschrijven diagonalen in veelhoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Diagonalen:
    • halverende diagonalen
    • loodrechte diagonalen
    • gelijke diagonalen

    Te hanteren begrippen

    de diagonaal
  63. WI.765 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.3; L6 2.4.4

    Bepalen de eigenschappen in verband met diagonalen in veelhoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Hoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Veelhoeken:
    verschillende types van eenzelfde vlakke figuur
    
    Eigenschappen:
    • halverende diagonalen
    • loodrechte diagonalen
    • gelijke diagonalen
    
    Wiskundige notatie:
    vierhoek 𝐴𝐵𝐶𝐷
  64. WI.766 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.2; L4 2.4.3; L4 2.4.4

    Herkennen driehoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoeken:
    • rechthoekige
    • scherphoekige
    • stomphoekige

    Te hanteren begrippen

    de rechthoekige driehoek, de scherphoekige driehoek, de stomphoekige driehoek
  65. WI.767 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.4

    Classificeren driehoeken volgens de hoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoeken:
    • rechthoekige
    • scherphoekige
    • stomphoekige
    
    Classificeren:
    met een tekendriehoek of geodriehoek
  66. WI.768 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.1; L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de hoeken van een driehoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een rechthoekige driehoek heeft één rechte hoek en twee scherpe hoeken.
    • Een stomphoekige driehoek heeft 1 stompe hoek en twee scherpe hoeken.
    • Een scherphoekige driehoek heeft drie scherpe hoeken.
  67. WI.769 Begrijpen L4 L4 2.4.2; L4 2.4.3; L4 2.4.4

    Herkennen driehoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoeken:
    • gelijkzijdige
    • gelijkbenige
    • ongelijkbenige

    Te hanteren begrippen

    de gelijkzijdige driehoek, de gelijkbenige driehoek, de ongelijkbenige driehoek
  68. WI.770 Gebruiken L4 L4 2.4.4

    Classificeren driehoeken volgens de zijden.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoeken:
    • gelijkzijdige
    • gelijkbenige
    • ongelijkbenige
    
    Classificeren:
    met een tekendriehoek of geodriehoek
  69. WI.771 Begrijpen L4 L4 2.4.1; L4 2.4.2; L4 2.4.3; L6 2.4.2

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden van een driehoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een gelijkbenige driehoek heeft minstens twee gelijke zijden.
    • Een gelijkzijdige driehoek heeft drie gelijke zijden.
    • Een ongelijkbenige driehoek heeft geen gelijke zijden.

    Te hanteren begrippen

    de zijde
  70. WI.772 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.4.4

    Classificeren driehoeken volgens de zijden en de hoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoeken:
    • ongelijkbenige scherphoekige driehoek, ongelijkbenige rechthoekige driehoek,
        ongelijkbenige stomphoekige driehoek
    • gelijkbenige scherphoekige driehoek, gelijkbenige rechthoekige driehoek,
        gelijkbenige stomphoekige driehoek
    • gelijkzijdige scherphoekige driehoek
    
    Wiskundige notatie:
    ∆𝐴𝐵𝐶
  71. WI.773 Begrijpen L5 L6 L4 2.4.1; L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de hoeken van een driehoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • De som van alle hoeken is 180°.
    • rechthoekige driehoeken: De som van de scherpe hoeken is 90°.
    • gelijkbenige driehoeken: minstens twee gelijke hoeken
    • gelijkzijdige driehoeken: drie hoeken van 60°
  72. WI.774 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.1; L6 2.4.2; L6 2.4.5

    Leiden vanuit classificatie van soorten driehoeken de definities af.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Afleiden:
    • formulering van de definitie
    • beoordeling van de definitie
    • correctie van de definitie
    
    Definitie:
    • Een rechthoekige driehoek heeft één rechte hoek.
    • Een stomphoekige driehoek heeft 1 stompe hoek.
    • Een scherphoekige driehoek heeft drie scherpe hoeken.
    • Een gelijkbenige driehoek heeft minstens twee gelijke zijden.
    • Een gelijkzijdige driehoek heeft drie gelijke zijden.
    • Een ongelijkbenige driehoek heeft geen gelijke zijden.

    Te hanteren begrippen

    de ongelijkbenige driehoek
  73. WI.775 Begrijpen L5 L6 L4 2.4.3

    Verwoorden de relatie tussen de eigenschappen van de zijden en de hoeken in een driehoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relatie:
    • Een ongelijkbenige en gelijkbenige driehoek kan zowel scherphoekig, stomphoekig
        als rechthoekig zijn.
    • Een gelijkzijdige driehoek is altijd scherphoekig.
  74. WI.776 Begrijpen L6 L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van driehoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Driehoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een driehoek heeft altijd ten minste 2 scherpe hoeken.
    • Een driehoek met meer dan één rechte hoek bestaat niet.
    • Een driehoek met een rechte hoek en een stompe hoek bestaat niet.
    • Een driehoek met meer dan één stompe hoek bestaat niet.
    • Een zijde van een driehoek is altijd korter dan de som van de andere twee zijden.
  75. WI.777 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.1; L4 2.4.2; L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden en hoeken van een rechthoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    Een rechthoek is een vierhoek met gelijke overstaande zijden, twee paar evenwijdige
    zijden en 4 rechte hoeken.

    Te hanteren begrippen

    de rechthoek, de eigenschap, de lengte, de breedte
  76. WI.778 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.1; L4 2.4.2; L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden en hoeken van een vierkant.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    Een vierkant is een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden, 4 gelijke zijden en 4
    rechte hoeken.

    Te hanteren begrippen

    het vierkant
  77. WI.779 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.1; L4 2.4.2; L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden en hoeken van een trapezium.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een trapezium is een vierhoek met minstens één paar evenwijdige zijden.
    • Een rechthoekig trapezium heeft minstens één rechte hoek.

    Te hanteren begrippen

    het trapezium
  78. WI.780 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.1; L4 2.4.2; L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden en hoeken van een parallellogram.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een parallellogram is een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden.
    • De overstaande zijden zijn even lang.
    • De overstaande hoeken zijn even groot.

    Te hanteren begrippen

    het parallellogram, de overstaande zijde, de overstaande hoek
  79. WI.781 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.1; L4 2.4.2; L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden en hoeken van een ruit.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een ruit is een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden en 4 gelijke zijden.
    • De overstaande hoeken zijn even groot.

    Te hanteren begrippen

    de ruit
  80. WI.782 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.4

    Classificeren soorten vierhoeken volgens de eigenschappen van de zijden en hoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Soorten vierhoeken:
    • rechthoeken
    • vierkanten
    • trapezia
    • parallellogrammen
    • ruiten
  81. WI.783 Begrijpen L5 L6 L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden en hoeken van een rechthoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een rechthoek is een vierhoek met gelijke overstaande zijden en 4 rechte hoeken.
    • De som van alle hoeken is gelijk aan 360°.
  82. WI.784 Begrijpen L5 L6 L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden en hoeken van een vierkant.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een vierkant is een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden, 4 gelijke zijden en 4
        rechte hoeken.
    • De som van alle hoeken is gelijk aan 360°.
  83. WI.785 Begrijpen L5 L6 L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden en hoeken van een trapezium.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een trapezium is een vierhoek met minstens één paar evenwijdige zijden.
    • De som van de aangrenzende hoeken van de niet-evenwijdige zijden is gelijk aan
        180°.
    • De som van alle hoeken is gelijk aan 360°.

    Te hanteren begrippen

    de aangrenzende hoek
  84. WI.786 Begrijpen L5 L6 L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de zijden en hoeken van een parallellogram.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een parallellogram is een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden.
    • De overstaande zijden zijn even lang.
    • De overstaande hoeken zijn even groot.
    • De som van twee aangrenzende hoeken is gelijk aan 180°.
    • De som van alle hoeken is gelijk aan 360°.
  85. WI.787 Begrijpen L5 L6 L4 2.4.3

    Verwoorden de eigenschappen van de hoeken en zijden van een ruit.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Een ruit is een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden en 4 gelijke zijden.
    • De overstaande hoeken zijn even groot.
    • De som van alle hoeken is gelijk aan 360°.
  86. WI.788 Begrijpen L5 L6 L6 2.4.4

    Illustreren relaties tussen vierhoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Relaties:
    • Elk vierkant is een rechthoek maar niet elke rechthoek is een vierkant.
    • Elk vierkant, elke ruit en elke rechthoek is een parallellogram maar niet elke
        parallellogram is een ruit, rechthoek of vierkant.
    • Elk vierkant is een ruit maar niet elke ruit is een vierkant.
    • Elk parallellogram is een trapezium maar niet elk trapezium is een parallellogram.
  87. WI.789 Gebruiken L5 L6 L4 2.4.4

    Classificeren soorten vierhoeken volgens de eigenschappen van de zijden en hoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Classificeren:
    In een verzameling vierhoeken, veelhoeken of vlakke figuren
    
    Soorten vierhoeken:
    • rechthoeken
    • vierkanten
    • trapezia
    • parallellogrammen
    • ruiten

    Te hanteren begrippen

    en, of, niet

    Voorbeelden

    • Liesbeth verzamelt de vlakke figuren die een rechthoek of een ruit zijn.
    • Aïsha verzamelt de parallellogrammen die geen trapezium zijn.
  88. WI.790 Gebruiken L5 L6 L4 2.4.5; L6 2.4.1

    Leiden vanuit classificatie van soorten vierhoeken de definities af.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vierhoeken

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Afleiden:
    • formulering van de definitie
    • beoordeling van de definitie
    • correctie van de definitie
    
    Definitie:
    • Een rechthoek is een vierhoek met 4 rechte hoeken.
    • Een vierkant is een vierhoek met 4 gelijke zijden en 4 gelijke hoeken.
    • Een trapezium is een vierhoek met minstens 1 paar evenwijdige zijden.
    • Een parallellogram is een vierhoek met 2 paar evenwijdige zijden.
    • Een ruit is een vierhoek met 4 gelijke zijden.
  89. WI.791 Gebruiken K1 K2 K3 L1 L2 L3 L4 KO 2.4.3; L4 2.4.5

    (De)monteren vlakke figuren tot een afbeelding en omgekeerd.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    (de)monteren:
    opdelen en samenstellen
  90. WI.792 Gebruiken L3 L4 2.4.6

    Construeren driehoeken, vierhoeken en samengestelde figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Construeren:
    op ruitjespapier of met behulp van een geobord
  91. WI.793 Gebruiken L4 L4 2.4.6

    Construeren driehoeken volgens de hoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoeken:
    scherphoekige, rechthoekige en stomphoekige
    
    Construeren:
    op ruitjespapier of met behulp van een geobord of meetkundige software
  92. WI.794 Gebruiken L5 L6 2.4.6

    Construeren driehoeken volgens de hoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoeken:
    scherphoekige, rechthoekige en stomphoekige
    
    Construeren:
    op ruitjespapier en met geodriehoek of met meetkundige software
  93. WI.795 Gebruiken L5 L6 2.4.6

    Construeren driehoeken volgens de zijden.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoeken:
    ongelijkbenige, gelijkbenige en gelijkzijdige
    
    Construeren:
    op ruitjespapier en met geodriehoek of met meetkundige software
  94. WI.796 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.6

    Construeren een scherphoekige en stomphoekige driehoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Construeren:
    met een gegeven hoekgrootte
  95. WI.797 Gebruiken L6 L6 2.4.6

    Construeren alle soorten driehoeken.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoeken:
    gecombineerde namen

    Voorbeelden

    Laïke tekent een rechthoekige ongelijkbenige driehoek op haar blad.
  96. WI.798 Gebruiken L6 L6 2.4.6

    Construeren een gelijkzijdige en gelijkbenige driehoek.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Driehoek:
    de lengte van de straal (d.i. zijde van de gelijkzijdige driehoek of been van gelijkbenige
    driehoek) is gegeven
    
    Construeren:
    met passer en liniaal
  97. WI.799 Gebruiken L4 L4 2.4.6

    Construeren een rechthoek en een vierkant.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Construeren:
    op ruitjespapier of met behulp van een geobord of meetkundige software
    • gegeven bij vierkant: afmeting van de zijde
    • gegeven bij rechthoek: lengte en breedte
  98. WI.800 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.6

    Construeren een rechthoek en een vierkant.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Construeren:
    op ruitjespapier en met geodriehoek en liniaal
    • gegeven bij vierkant: afmeting van de zijde
    • gegeven bij rechthoek: lengte en breedte
  99. WI.801 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.6

    Construeren een parallellogram, een ruit en een trapezium.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Construeren:
    op ruitjespapier en met geodriehoek en liniaal
  100. WI.802 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.6

    Gebruiken de eigenschappen van diagonalen bij constructies.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Liam gebruikt de diagonalen om een ruit te tekenen.
  101. WI.803 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.6

    Tekenen een cirkel.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekenen:
    met een cirkelsjabloon
  102. WI.804 Begrijpen L5 L6 L6 2.4.2

    Herkennen de delen van een cirkel.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de cirkel, de omtrek, de straal, het middelpunt, de middellijn, de diameter
  103. WI.805 Begrijpen L5 L6 L6 2.4.2

    Verwoorden dat de lengte van de straal de helft is van de lengte van de middellijn/diameter.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

  104. WI.806 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.6

    Tekenen een cirkel.

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekenen:
    met een passer
    met een gegeven straal of middellijn/diameter
  105. WI.807 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis van vormleer in verschillende contexten

    Wiskunde Meetkunde › Vormleer › Vlakke figuren › Vlakke figuren construeren

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • In haar schets als basis voor een tekening van haar buurt vertrekt Janne van vlakke
        figuren en ruimtefiguren.
    • Lotte wil de oppervlakte van haar kamer meten en deelt het grondoppervlak op in 2
        rechthoeken en 2 driehoeken.
  106. WI.808 Begrijpen K1 KO 2.4.15

    Herkennen congruente figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Gelijkvormigheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Congruente figuren:
    zijn gelijk van vorm en grootte (oppervlakte)
    met dezelfde oriëntatie
    
    Herkennen:
    in de omgeving
  107. WI.809 Gebruiken K1 KO 2.4.15

    Koppelen congruente vlakke figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Gelijkvormigheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Congruente vlakke figuren:
    met dezelfde oriëntatie
    
    Koppelen:
    met concreet materiaal
  108. WI.810 Begrijpen K2 K3 KO 2.4.14; KO 2.4.15

    Herkennen congruente figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Gelijkvormigheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Congruente figuren:
    • met dezelfde oriëntatie
    • met verschillende oriëntatie
    
    Herkennen:
    in de omgeving en in vlakke figuren

    Te hanteren begrippen

    dezelfde vorm, even groot
  109. WI.811 Gebruiken K2 K3 KO 2.4.15; KO 2.4.18

    Koppelen congruente vlakke figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Gelijkvormigheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Congruente vlakke figuren:
    • met dezelfde oriëntatie
    • met verschillende oriëntatie
    
    Koppelen:
    met concreet materiaal
  110. WI.812 Begrijpen K2 K3 KO 2.4.15

    Herkennen gelijkvormige figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Gelijkvormigheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gelijkvormige figuren:
    Gelijkvormige figuren zijn figuren met dezelfde vorm. De grootte/oppervlakte kan
    verschillen.
    • met dezelfde oriëntatie
    • met verschillende oriëntatie
    
    Herkennen:
    in de omgeving en in vlakke figuren
  111. WI.813 Gebruiken K2 K3 L1 L2 KO 2.4.15; KO 2.4.18

    Koppelen gelijkvormige vlakke figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Gelijkvormigheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gelijkvormige vlakke figuren:
    vergroting, verkleining

    Te hanteren begrippen

    de vergroting, de verkleining, vergroten, verkleinen
  112. WI.814 Begrijpen L1 L2 KO 2.4.15

    Herkennen congruente vlakke figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Gelijkvormigheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Congruente vlakke figuren:
    • met dezelfde oriëntatie
    • met verschillende oriëntatie
  113. WI.815 Begrijpen L3 L4 L5 L6 L4 2.4.21; L6 2.4.18; L6 2.4.19

    Herkennen congruentie, gelijkvormigheid en gelijkheid in figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Gelijkvormigheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gelijkheid:
    Gelijke figuren zijn figuren met dezelfde grootte/oppervlakte (de vorm kan verschillen).
    
    Herkennen:
    • bij twee of meer figuren, willekeurig georiënteerd: gelijkheid, gelijkvormigheid of
        congruentie
    • bij een verschuiving van een figuur (met concrete materialen): dezelfde oriëntatie,
        congruentie
    • bij een draaiing van een figuur (met concrete materialen): verschillende oriëntatie,
        congruentie
    • bij een spiegeling van een figuur (met concrete materialen): verschillende
        oriëntatie, congruentie

    Te hanteren begrippen

    congruent, gelijkvormig
  114. WI.816 Gebruiken L4 L5 L6 L6 2.4.20

    Construeren congruente vlakke figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Gelijkvormigheid

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Construeren:
    op geruit of wit papier
  115. WI.817 Begrijpen K3 L1 L2 KO 2.4.16

    Herkennen symmetrie.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Symmetrie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in de omgeving
  116. WI.818 Gebruiken K3 L1 L2 KO 2.4.16

    Construeren symmetrische figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Symmetrie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Construeren:
    met concreet materiaal

    Voorbeelden

    • Bavo vouwt een verfafdruk op papier.
    • Brigitte vervolledigt de andere helft van een huisje op papier.
  117. WI.819 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.20; L6 2.4.18

    Herkennen symmetrie en asymmetrie.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Symmetrie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in vlakke figuren

    Te hanteren begrippen

    symmetrisch, asymmetrisch
  118. WI.820 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.20

    Construeren symmetrische figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Symmetrie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Construeren:
    met concreet materiaal en op ruitjespapier

    Voorbeelden

    • Nina legt een tangramfiguur en zegt: "Ik maak een vlinder met twee gelijke vleugels.
        Beide kanten zijn symmetrisch.”
    • Youssef vouwt een blaadje papier dubbel, knipt een halve hartvorm en zegt: "Als ik
        openvouw, krijg ik een symmetrisch hart.”
  119. WI.821 Gebruiken L4 L4 2.4.20

    Tekenen in een vlakke figuur symmetrieassen.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Symmetrie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekenen:
    met behulp van een geospiegel
  120. WI.822 Begrijpen L5 L6 L6 2.4.17

    Duiden dat symmetrie het resultaat van een spiegeling is.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Symmetrie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Symmetrie:
    is een spiegeling die een figuur op zichzelf afbeeldt
    figuur en spiegelbeeld zijn congruent
    
    Illustreren:
    met een spiegel
  121. WI.823 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.18; L6 2.4.21

    Tekenen in een vlakke figuur alle symmetrieassen.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Symmetrie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de symmetrieas, de symmetrie, de asymmetrie, symmetrisch, asymmetrisch
  122. WI.824 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.22

    Gebruiken de symmetrieas om vlakke figuren te tekenen.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Symmetrie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Jonas gebruikt de symmetrieas om een gelijkbenige driehoek te tekenen.
  123. WI.825 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis van meetkundige relaties in verschillende contexten.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige relaties › Symmetrie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Jade maakt een kasteel met een gelijke toren links en rechts van de poort.
    • Daphne tekent twee gelijkvormige huizen: een groot huis vooraan en een kleiner
        huis verderop.
  124. WI.826 Begrijpen K3 KO 2.4.10; KO 2.4.11

    Herkennen eigenschappen in hun eigen spiegelbeeld en de spiegelingen van objecten.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • evenbeeld
    • verhouding afstand tot spiegel en spiegelbeeld

    Te hanteren begrippen

    vervormen, het spiegelbeeld, de spiegeling, spiegelen
  125. WI.827 Gebruiken K3 L1 L2 KO 2.4.11

    Gebruiken een spiegel om spiegelbeelden en spiegelingen te vinden.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spiegel:
    verschillende soorten m.i.v. een geospiegel
  126. WI.828 Gebruiken K3 L1 L2 KO 2.4.12

    Construeren het spiegelbeeld.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Construeren:
    met materiaal (eenvoudige figuren)
    met behulp van een doorkijkspiegel (geospiegel)
  127. WI.829 Begrijpen L1 L2 L4 2.4.11; L4 2.4.13; L4 2.4.14

    Verwoorden eigenschappen van een figuur en zijn spiegelbeeld.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Ze zijn even groot.
    • Ze hebben dezelfde vorm.
    • Ze zijn anders georiënteerd.
  128. WI.830 Begrijpen K3 L1 L2 L3 L4 L4 2.4.11; L4 2.4.14

    Herkennen een verschuiving en een draaiing.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    verschuiven, draaien
  129. WI.831 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.11; L4 2.4.14

    Verwoorden eigenschappen van een punt, een lijnstuk en een vlakke figuur en hun spiegelbeeld.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • Ze zijn even groot.
    • Ze hebben dezelfde vorm.
    • Ze zijn anders georiënteerd.
  130. WI.832 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.13; L4 2.4.15

    Gebruiken een spiegel om te bepalen of twee vlakke figuren elkaars spiegelbeeld zijn.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de spiegelas, het origineel, het beeld, het spiegelbeeld
  131. WI.833 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.15

    Bepalen de spiegelas.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bepalen:
    met een geospiegel
  132. WI.834 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.15

    Construeren het spiegelbeeld.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Het spiegelbeeld:
    • van een punt
    • van een lijnstuk
    • van eenvoudige vlakke figuren
    • de omlijning van de figuur volgt niet altijd het raster
    
    Construeren:
    op geruit papier
    • controle met een doorkijkspiegel (geospiegel)
  133. WI.835 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.14; L6 2.4.19

    Bepalen of twee figuren elkaars spiegelbeeld zijn door gebruik te maken van hun eigenschappen.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eigenschappen:
    • De figuur en het spiegelbeeld zijn congruent.
    • De punten liggen even ver van de spiegelas.
    • De verbindingslijn van de punten staat loodrecht op de spiegelas.
    • De oriëntatie van de figuur en zijn spiegelbeeld verandert.
  134. WI.836 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.14

    Construeren het spiegelbeeld.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Spiegeling, draaiing, verschuiving

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Spiegelbeeld:
    van vlakke figuren
    
    Construeren:
    op blanco papier, met geodriehoek
    gebruikmakend van de eigenschappen van een spiegeling
    
    Wiskundige notatie:
    • spiegelpunten met een hoofdletter en een accent
  135. WI.837 Begrijpen K2 K3 KO 2.4.10

    Nemen vergroting en verkleining door projectie waar.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    groter worden, kleiner worden, vergroten, verkleinen

    Voorbeelden

    Laurens onderzoekt schaduwbeelden en in het bijzonder het vergroten en verkleinen
    van de schaduw
  136. WI.838 Begrijpen L1 L2 L6 2.4.11; L6 2.4.15

    Beschrijven de projectie van vormen en figuren.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de vergroting, de verkleining
  137. WI.839 Gebruiken L3 L4 L6 2.4.11; L6 2.4.15

    Tekenen een vergroting of verkleining van een figuur.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekenen:
    op ruitjespapier
  138. WI.840 Begrijpen L5 L6 L6 2.4.12; L6 2.4.13; L6 2.3.11

    Duiden de schaal.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De schaal:
    lijnschaal en breukschaal
    • is een vergroting of verkleining met een vaste verhouding
    • is een verhouding tussen de werkelijkheid en een verkleinde ruimte
    • is het verband tussen lengtes van het origineel en die van zijn vergroting of
        verkleining

    Te hanteren begrippen

    de schaal, de verhouding, de lijnschaal, de breukschaal
  139. WI.841 Gebruiken L5 L6 L6 2.3.17

    Berekenen de schaal, de werkelijke lengte of de lengte op schaal wanneer twee van de drie grootheden gegeven zijn.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Rik zegt: “De lengte van Veurne naar Kampenhout op mijn kaart is 80 cm. De schaal op
    de kaart is 1 : 200 000. Ik bereken de werkelijke afstand, nl. 160 km.”
  140. WI.842 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.11; L6 2.4.15

    Tekenen een vergroting of verkleining van een figuur.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekenen:
    op ruitjespapier
    • volgens een vaste verhouding
    • volgens een gegeven schaal

    Voorbeelden

    • Fieke tekent het klaslokaal op schaal 1:100
    • Faysal tekent een ruit driemaal groter.
  141. WI.843 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis van meetkundige transformaties in verschillende contexten.

    Wiskunde Meetkunde › Meetkundige transformaties › Schaal

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Sara maakt een vlindertekening waarbij beide vleugels “spiegelbeeldig” gelijk zijn.
    • Ruben tekent een wapenschild na op ware grootte en in verhouding tot de tekening
        in zijn boek.
  142. WI.844 Begrijpen K1 KO 2.4.5; KO 2.4.7

    Herkennen ruimtelijke relaties tussen objecten.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    op, onder, boven, ver, dicht, voor, achter
  143. WI.845 Begrijpen K2 KO 2.4.5; KO 2.4.7

    Beschrijven ruimtelijke relaties tussen objecten.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    in, erop, uit, naast, hoog, laag, tussen, binnen, buiten, tegen, naar boven, naar beneden,
    omhoog, omlaag, vooruit, achteruit
  144. WI.846 Begrijpen K2 K3 KO 2.4.5; KO 2.4.9

    Verwoorden wat binnen en buiten het gezichtsveld ligt.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

  145. WI.847 Begrijpen K3 KO 2.4.9

    Verwoorden wat ze zien vanuit een ander gezichtspunt.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ander gezichtspunt:
    door zich te verplaatsen

    Voorbeelden

    • Mieke zegt: “Als ik achter het konijn sta, dan zie ik de staart van het konijn, als ik
        voor het konijn sta zie ik de kop van het konijn.”
    • Lina zegt: “Nu zit ik hier en ik zie een grijze doos, een bal en een bruine doos. Janne
        zit aan de andere kant waar ik zat en ziet nu een bruine doos, een bal en grijze
        doos.”
  146. WI.848 Begrijpen K3 KO 2.4.5; KO 2.4.7

    Beschrijven ruimtelijke relaties tussen objecten.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    • in de werkelijkheid
    • op een afbeelding

    Te hanteren begrippen

    erboven, eronder, ervoor, erachter, vooraan, achteraan, voorste, achterste, bovenaan,
    onderaan, bovenste, onderste, dicht(er)bij, ver(der)af, tegenover, naar mij toe, van mij
    weg, recht naar, schuin naar, opzij, midden, links, rechts

    Voorbeelden

    • Theo zegt: “Ik sta dicht bij Luca.”
    • Luca zegt: “Ik leg de bal op de bovenste plank.
  147. WI.849 Begrijpen L1 L2 KO 2.4.7

    Beschrijven ruimtelijke relaties tussen objecten.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    dichtstbij, verst, links, rechts, linkerkant, rechterkant, linkerzijde, rechterzijde,
    linksonder, rechtsonder

    Voorbeelden

    • Lowie zegt: “Aan mijn linkerzijde staat Lotte.”
    • Jelle zegt: “De meester staat rechts van het bord.”
  148. WI.850 Begrijpen L1 L2 L4 2.4.10

    Beschrijven wat ze zien vanuit een ander gezichtspunt.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    • in de werkelijkheid
    • op een afbeelding

    Voorbeelden

    • Stibe zegt: “Jorin zit aan de rechterkant van Elif.”
    • Mika zegt: “Sofie ziet een grijze doos, een bal en een bruine doos.”
  149. WI.851 Gebruiken K1 K2 K3 L1 L2 KO 2.4.6; KO 2.4.7

    Situeren zichzelf, personen en objecten.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Situeren:
    op basis van positie, afstand en richting ten opzichte van zichzelf en elkaar
  150. WI.852 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.10

    Verwoorden de elementen die een rol spelen bij het al dan niet kunnen zien van iets of iemand als er een obstakel in het gezichtsveld staat.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Elementen die een rol spelen:
    • afstand van zichzelf tot het obstakel
    • afstand van iets of iemand tot het obstakel
    • hoogte van zichzelf, het obstakel, iets of iemand
  151. WI.853 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.10

    Verwoorden dat de breedte van hun gezichtsveld bepaalt wat ze kunnen zien.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

  152. WI.854 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.4.10; L6 2.4.10

    Bepalen wat iemand vanop een bepaalde locatie kan zien.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bepalen:
    door middel van kijklijnen
    • op een foto
    • op een tekening
    • op een plattegrond

    Te hanteren begrippen

    de kijklijn
  153. WI.855 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.4.10; L6 2.4.10

    Bepalen de plaats van de waarnemer.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Ruimtelijke relaties

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bepalen:
    door middel van kijklijnen
    • op een foto
    • op een tekening
    • op een plattegrond
  154. WI.856 Begrijpen K1 KO 2.4.7; KO 2.4.9; KO 2.4.10

    Herkennen aanzichten van een object.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aanzichten:
    voorkant, achterkant, zijkant, onderkant, bovenkant
  155. WI.857 Begrijpen K2 K3 KO 2.4.7; KO 2.4.9; KO 2.4.10

    Beschrijven aanzichten van een object.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de voorkant, de achterkant, de zijkant, de onderkant, de bovenkant
  156. WI.858 Gebruiken K2 K3 KO 2.4.13

    Voeren constructies uit.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Uitvoeren:
    • op basis van verbale instructies
    • op basis van voorschriften op foto’s
    • op basis van voorschriften op tekeningen

    Voorbeelden

    Celeste volgt een stappenplan om met blokken een toren na te bouwen.
  157. WI.859 Begrijpen L3 L4 2.4.10; L4 2.4.12; L4 2.4.13

    Beschrijven aanzichten van een blokkenbouwsel.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aanzichten:
    vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht
    
    Beschrijven:
    • 3D
    • 2D

    Te hanteren begrippen

    het vooraanzicht, het zijaanzicht, het bovenaanzicht, het standpunt
  158. WI.860 Gebruiken L3 L4 2.4.16

    Tekenen aanzichten van een blokkenbouwsel.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aanzichten:
    vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht
    
    Tekenen:
    • 2D
    op ruitjespapier
  159. WI.861 Begrijpen L4 L4 2.4.10; L4 2.4.12; L4 2.4.13

    Beschrijven aanzichten van een blokkenbouwsel.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aanzichten:
    vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht, rechterzijaanzicht, linkerzijaanzicht
    
    Beschrijven:
    • 3D
    • 2D

    Te hanteren begrippen

    het rechterzijaanzicht, het linkerzijaanzicht
  160. WI.862 Begrijpen L5 L6 L4 2.4.10

    Beschrijven aanzichten van een blokkenbouwsel.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aanzichten:
    vooraanzicht, zijaanzicht, bovenaanzicht, rechterzijaanzicht, linkerzijaanzicht,
    achteraanzicht
    Beschrijven:
    2D

    Te hanteren begrippen

    het achteraanzicht
  161. WI.863 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.4.16

    Tekenen aanzichten van een blokkenbouwsel.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Aanzichten:
    vooraanzicht, bovenaanzicht, rechterzijaanzicht, linkerzijaanzicht
    
    Tekenen:
    2D
    op ruitjespapier
  162. WI.864 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.4.16; L6 2.4.16

    Tekenen het grondplan van een blokkenbouwsel.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tekenen:
    op ruitjespapier
  163. WI.865 Gebruiken L4 L5 L6 L6 2.4.16

    Construeren een blokkenbouwsel aan de hand van een grondplan.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Blokkenbouwsels

  164. WI.866 Gebruiken L3 L4 2.4.9; L6 2.4.8

    Lezen de coördinaten van een object.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Coördinaten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Coördinaten:
    • één coördinaat
    • meerdere coördinaten
    
    Lezen:
    op een coördinatenrooster
    
    Wiskundige notatie:
    • C1

    Te hanteren begrippen

    het coördinaat, de horizontale as, de verticale as

    Voorbeelden

    • Alouise zegt: "Ik kijk op het rooster en zie dat de bal op vak C1 ligt. C is op de
        horizontale as en 1 op de verticale as."
    • Lisanne zegt: "De boot ligt op E1, E2 en E3. Hij ligt dus horizontaal op drie vakken
        naast elkaar."
  165. WI.867 Gebruiken L3 L4 2.4.9

    Plaatsen objecten met behulp van coördinaten.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Coördinaten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Coördinaten:
    • één coördinaat
    • meerdere coördinaten
    
    Plaatsen:
    op een coördinatenrooster
    
    Wiskundige notatie
    • C1

    Voorbeelden

    Coördinaten:
    • Plaats de bal op B4.
    • Plaats de boot op D1, D2 en D3.
  166. WI.868 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.4.9; L6 2.4.8; L6 2.4.9

    Lezen de coördinaten van een punt.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Coördinaten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Coördinaten:
    puntcoördinaten
    negatieve waarden en/of positieve waarden
    
    Lezen:
    op een assenstelsel
    
    Wiskundige notatie
    • (4, -3)

    Te hanteren begrippen

    het coördinaat, de horizontale as, de verticale as

    Voorbeelden

    Op het meervoudig lijndiagram ziet Maxime dat de minimumtemperatuur op donderdag
    -3° bedroeg.
  167. WI.869 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.4.9; L6 2.4.9

    Plaatsen punten met behulp van coördinaten.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Coördinaten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Coördinaten:
    puntcoördinaten
    negatieve waarden en/of positieve waarden
    
    Plaatsen:
    op een assenstelsel
    
    Wiskundige notatie
    • (4, -3)
  168. WI.870 Engageren K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis van plaatsbepaling in verschillende contexten.

    Wiskunde Meetkunde › Plaatsbepaling › Coördinaten

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Joris en Sanne spelen een spelletje zeeslag.
    • Hugo denkt na over wat een chauffeur kan zien en wat in de dode hoek zit.
  169. WI.871 Begrijpen K1 KO 2.4.19

    Herkennen als-dan relaties.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in concrete situaties

    Voorbeelden

    Als het regent dan doet Miranda haar jas aan.
  170. WI.872 Begrijpen K1 KO 2.4.17

    Herkennen de betekenis van niet, en, of.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in concrete situaties

    Voorbeelden

    Jules luistert naar de instructie: “Neem een boek en een leeslamp. Ga in de kring of in de
    leeshoek zitten. Je mag niet praten.”
  171. WI.873 Gebruiken K1 K2 K3 KO 2.4.18

    Classificeren objecten volgens één kwalitatief kenmerk.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

  172. WI.874 Gebruiken K2 K3 KO 2.4.19

    Gebruiken als-dan relaties.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    in concrete situaties

    Te hanteren begrippen

    als, dan
  173. WI.875 Gebruiken K2 K3 KO 2.4.17

    Gebruiken de betekenis van niet, en, of, in, uit, binnen, buiten.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    in concrete situaties
    
    Te hanteren begrippen:
    en, of, niet, in, uit, binnen, buiten

    Voorbeelden

    En:
    “Zoek een bal die groen en groot is.”
    Of:
    “Je mag springen of draaien.”
    Niet:
    “Neem een kussen dat niet rood is.”
    In:
    “Welke knuffels zijn er in de cirkel?”
    Uit:
    “Haal één knuffel uit de cirkel.”
    Binnen:
    “Leg alle blauwe blokjes binnen de hoepel.”
    Buiten:
    “Kleur de sterren buiten het vierkant.”
  174. WI.876 Gebruiken K2 K3 KO 2.4.17; KO 2.4.18

    Classificeren objecten volgens twee kwalitatieve kenmerken.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

  175. WI.877 Begrijpen L1 L2 L4 2.4.22

    Verwoorden de gemeenschappelijke eigenschappen van objecten van een verzameling.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    behoort tot, behoort niet tot
  176. WI.878 Gebruiken L1 L2 L4 2.4.22; L4 2.4.24

    Bepalen verzamelingen en deelverzamelingen.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de verzameling, de deelverzameling
  177. WI.879 Begrijpen L3 L4 L4 2.4.22; L4 2.4.24

    Verwoorden de gemeenschappelijke eigenschappen van elementen van een verzameling.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    behoort (niet) tot, sommige, geen enkele, en, of, niet
  178. WI.880 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.22; L4 2.4.23; L4 2.4.24

    Bepalen verzamelingen en deelverzamelingen.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    (deel)verzamelingen:
    • voorstelling met een venndiagram
  179. WI.881 Gebruiken L5 L6 L4 2.4.23; L6 2.4.23; L6 2.4.1

    Bepalen verzamelingen en deelverzamelingen.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    (deel)verzamelingen:
    • voorstelling met een venndiagram
    • de doorsnede als het gemeenschappelijk gebied met de elementen die tot de twee
        verzamelingen behoren
  180. WI.882 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.24; L6 2.4.25; L6 2.4.1

    Gebruiken termen voor logisch denken.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Gebruiken:
    in concrete situaties

    Te hanteren begrippen

    als...dan.., (niet) alle, juist één, geen, ten minste, ten hoogste

    Voorbeelden

    Termen voor logisch denken:
    • Alle ruiten hebben gelijke zijden.
    • Een rechthoek die geen vierkant is, heeft slechts twee symmetrieassen.
  181. WI.883 Gebruiken L5 L6 L6 2.4.26

    Classificeren figuren volgens meerdere criteria.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Jakob classificeert de vierhoeken volgens hoeken en zijden.
  182. WI.884 Engageren L3 L4 L5 L6 L6 2.4.24; L6 2.4.27

    Beargumenteren of een uitspraak waar of onwaar is.

    Wiskunde Meetkunde › Logica en verzamelingen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beargumenteren:
    • Aan de hand van verzamelingen
    • Met (tegen)voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    waar, niet waar

    Voorbeelden

    • Noor zegt: "‘Alle cirkels zijn symmetrisch’ is waar, want een cirkel heeft oneindig
        veel symmetrieassen."
    • Yassin zegt: "‘Alle figuren met vier zijden zijn rechthoeken’ is niet waar. Een ruit of
        een trapezium heeft ook vier zijden, maar is geen rechthoek."
    • Noëmie van het zesde leerjaar zegt: “’Alle vierkanten hebben loodrechte
        diagonalen’ is waar. ‘Alle vierhoeken met loodrechte diagonalen zijn vierkanten’ is
        onwaar
  183. WI.885 Begrijpen K1 K2 K3 KO 2.4.4

    Herkennen een patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    in de omgeving

    Voorbeelden

    • Louisa merkt op dat dag en nacht een patroon is.
    • Yukka herkent een patroon in de vloerbedekking van de klas.
  184. WI.886 Begrijpen K1 KO 2.4.4

    Herkennen de patrooneenheid van een herhalend AB-patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herhalend AB-patroon:
    • één kenmerk
    • maximum 2 elementen

    Voorbeelden

    • Elka ziet dat de strepen van de zebra afwisselend zwart en wit zijn.
    • Milandro wijst naar een rij stoelen en zegt: "Er staat een hoge stoel, dan een lage,
        dan weer een hoge, …”
  185. WI.887 Gebruiken K1 KO 2.4.4

    Vormen een herhalend AB-patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herhalend AB-patroon:
    • één kenmerk
    • maximum 2 elementen
    
    Vormen:
    • maken
    • verderzetten
  186. WI.888 Begrijpen K2 KO 2.4.4

    Herkennen de patrooneenheid van een herhalend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herhalend patroon:
    • twee kenmerken
    • maximum 3 elementen (AB, ABC, AAB, ABB)

    Voorbeelden

    • Jean wijst naar de kralenrij en zegt: "Het gaat steeds zo: rood rondje, blauw
        vierkant, groen driehoekje... en dan weer opnieuw!"
  187. WI.889 Gebruiken K2 KO 2.4.4

    Vormen een herhalend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herhalend patroon:
    • twee kenmerken
    • maximum 3 elementen
    
    Vormen:
    • maken
    • namaken (ook met ander materiaal = generaliseren)
    • verderzetten
    • een ontbrekend element opvullen
  188. WI.890 Begrijpen K3 KO 2.4.1; KO 2.4.4

    Herkennen de patrooneenheid van een herhalend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herhalend patroon:
    • drie kenmerken
    • maximum 4 elementen (AB, ABC, AAB, ABB, AABB, ABCD)

    Te hanteren begrippen

    het patroon, opnieuw, hetzelfde, anders

    Voorbeelden

    Kenmerken:
    kleur, vorm, grootte
    Herhalend patroon:
    Mui-Ling kijkt aandachtig en zegt: "Het gaat steeds zo: grote gele cirkel, klein rood
    vierkant, grote gele driehoek, kleine rode cirkel."
  189. WI.891 Gebruiken K3 KO 2.4.4

    Vormen een herhalend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herhalend patroon:
    • drie kenmerken
    • maximum 4 elementen (AB, ABC, AAB, ABB, AABB, ABCD)
    
    Vormen:
    • maken
    • namaken (ook met ander materiaal = generaliseren)
    • verderzetten
    • een ontbrekend element opvullen
  190. WI.892 Begrijpen L1 L4 2.4.2; L4 2.4.8

    Herkennen de patrooneenheid van een herhalend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herhalend patroon:
    maximum 4 elementen
    alle combinaties

    Te hanteren begrippen

    de (patroon)eenheid
  191. WI.893 Gebruiken L1 L4 2.4.8

    Vormen een herhalend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herhalend patroon:
    • maximum 4 elementen
    • alle combinaties
    
    Vormen:
    • maken
    • namaken (ook met ander materiaal = generaliseren)
    • verderzetten
    • een ontbrekend element opvullen
  192. WI.894 Begrijpen L1 L2 L3 L4 L4 2.4.8

    Beschrijven de patrooneenheid van een herhalend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Beschrijven:
    met letters (generaliseren)
  193. WI.895 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 2.4.2; L4 2.4.8

    Vormen een herhalend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Herhalende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herhalend patroon:
    • met meetkundige objecten
    • met figuren en/of letters
    
    Vormen:
    • maken
    • verderzetten
    • een ontbrekend element opvullen

    Te hanteren begrippen

    Het herhalend patroon
  194. WI.896 Begrijpen L1 L2 L3 L4 L4 2.4.8

    Beschrijven een veranderend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Veranderende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Veranderend patroon:
    meetkundige objecten/figuren
    
    Beschrijven:
    met letters

    Voorbeelden

    Veranderend patroon:
    AB, ABB, ABBB, ABBBB
    ABC, ABD, ABE, ABF
  195. WI.897 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 2.4.8

    Zetten een veranderend patroon voort.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Veranderende patronen

  196. WI.898 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L4 2.4.8

    Vullen een ontbrekend element van een veranderend patroon op.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Veranderende patronen

  197. WI.899 Gebruiken L3 L4 L4 2.4.2; L4 2.4.8

    Vormen een zelfbedacht veranderend patroon.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Veranderende patronen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het veranderend patroon
  198. WI.900 Begrijpen L1 L2 L3 L4 L5 L6 L6 2.1.7

    Beschrijven orde, regelmaat, verbanden en patronen tussen getallen.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Getallenreeksen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Tibe kijkt naar de getallenreeks 10 – 8 – 12 – 10 – 14 – 12 en zegt: "Het patroon wisselt
    telkens: - 2 + 4. Het verband is ‘om de beurt 2 eraf en 4 erbij.”
  199. WI.901 Gebruiken L1 L2 L6 2.1.7

    Vormen een getallenreeks.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Getallenreeksen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Getallenreeks:
    • een lineaire reeks oplopend
    • een lineaire reeks aflopend
    Vormen:
    • maken
    • verderzetten
    • een ontbrekend element opvullen

    Voorbeelden

    Een lineaire reeks oplopend:
    2, 4, 6, 8, 10
    Een lineaire reeks aflopend:
    12, 10, 8, 6, 4, 2, 0
  200. WI.902 Gebruiken L3 L4 L6 2.1.7

    Vormen een getallenreeks.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Getallenreeksen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Getallenreeks:
    • toenemend verschil
    • afnemend verschil
    
    Vormen:
    • maken
    • verderzetten
    • een ontbrekend element opvullen

    Voorbeelden

    Toenemend verschil:
    2, 4, 8, 14, 22, 32
    Afnemend verschil:
    73, 68, 64, 61, 59, 58
  201. WI.903 Gebruiken L5 L6 L6 2.1.7

    Vormen een getallenreeks.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Getallenreeksen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Getallenreeks:
    • afwisselende bewerking
    • reeks met breuken
    
    Vormen:
    • maken
    • verderzetten
    • een ontbrekend element opvullen

    Voorbeelden

    Afwisselende bewerking:
    24, 27, 20, 23, 16, 19, 12, 15, 8, 11, 4
    Getallenreeks met breuken:
    24 8 3 4 1
      , , , ,
    6 4 3 8 4
  202. WI.904 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis van patronen in verschillende contexten.

    Wiskunde Meetkunde › Patronen › Getallenreeksen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Ibe bouwt een toren met afwisselend een rode en een blauwe blok.
    • De kinderen zingen een met een herhalend klap-patroon: klap-klap-pauze, klap-
        klap-pauze.