WT.190
Begrijpen
K1
Herkennen hoe het lichaam beweegt.
Wetenschap en techniek › Het menselijk lichaam › Fysieke functies van het menselijk lichaam › Skelet en spieren
- Leeftijd
- 2,5-4 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- KO 3.3.2
- In de PDF
- pagina 65
Leerlijn
Herkennen hoe het lichaam beweegt. MIA Bewegen: • buigen en strekken • draaien
Hangt samen met
- Vlag LO.076 Demonstreren bij het bewegen dat ze de opbouw van hun lichaam kennen. K1,K2,K3
- Vlag LO.077 Demonstreren diverse lichaamshoudingen. K1,K2,K3
Wordt verwezen vanuit
- Vlag LO.001 Ontwikkelen spierkracht. K1,K2,K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag LO.002 Oefenen lenigheid. K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag LO.077 Demonstreren diverse lichaamshoudingen. K1,K2,K3
- Vlag LO.088 Ontwikkelen spierspanning. K1,K2,K3
- Vlag LO.089 Demonstreren dat ze gedurende een bepaalde tijd een ontspannen houding kunnen aannemen. K1,K2,K3
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Het menselijk lichaam”
KO
De kleuters kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spieren, de botten, de longen, het hart, de maag,
de ogen, de oren, de neus, de mond, de huid;
• bewegen, steunen, ademen, de hartslag, de honger,
de dorst;
• zien, horen, ruiken, proeven, voelen.
L4
De leerlingen kennen
3.3.1 de volgende begrippen:
• de spijsvertering, de slokdarm, de lever, de darmen,
de anus;
• de beweging, de spieren, de pezen, het skelet, de
gewrichten.
L6
De leerlingen kennen
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
eigenschappen.
3.3.2 lichaamsdelen en hun functie: spieren, botten,
longen, hart, maag, ogen, oren, neus, mond, huid.
De kleuters kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen op het eigen lichaam aanduiden
en benoemen.
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.
3.3.2 fysieke functies van de mens en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: spijsvertering,
beweging, steun (skelet).
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen op het
eigen lichaam aanduiden en benoemen.
3.3.1 de volgende begrippen:
• de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
zenuwen;
• de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de penis,
het sperma, de eierstok, de eileider, de eicel, de
baarmoeder, de vagina;
• de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
• de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader, de
slagader, de haarvaten, zuurstofrijk, zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.
3.2.17 de volgende begrippen:
• de fotosynthese, de koolstofdioxide, het zuurstofgas;
• de voedingsstoffen, de suiker, het eiwit, het vet, het
water, het mineraal, de vitamine, de vezels.
De leerlingen weten
3.2.12 dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
De leerlingen kunnen
3.3.3 deze lichaamsdelen, weefsels en organen
schematisch weergeven.