Leerplannen Leerplandoelen
WT.106 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 GO!-doel

Tonen hun kennis over de levenscyclus in verschillende contexten.

Wetenschap en techniek Organismen Ontwikkeling en voortplanting van organismen Flora: de levenscyclus

Leeftijd
4-5,5-6,6-7,7-8,8-9,9-10 jaar
Handelingswerkwoord
Tonen
Verwerkingsaspect
Engageren — reflectie en toepassing in nieuwe, authentieke contexten
Minimumdoelen
geen — GO!-doel op populatieniveau
In de PDF
pagina 35,36

Leerlijn

Tonen hun kennis over de levenscyclus in verschillende contexten.

MIA
Levenscyclus:
• fauna
• flora

Voorbeeld
Shema helpt haar buurvrouw met het voederen van hun drachtige kat. Terwijl ze
zachtjes over de buik van de kat wrijft, vertelt ze dat de kleintjes daarbinnen groeien tot
ze geboren worden als kittens.
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Organismen”
KO

De kleuters kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot
organismen: de fauna, de zoogdieren, de vogels, de
vissen, de insecten, de flora.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.

De kleuters kunnen
3.1.2
• organismen beschrijven op basis van waarneembare
    kenmerken;
• fauna beschrijven op basis van voortplantingswijze.

L4

De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: de gewervelde dieren, de
amfibieën, de ongewervelde dieren, de spinachtigen, de
schimmels.
3.1.2 de classificatie van organismen:
• de fauna:
      o de gewervelde dieren:
            ▪ de zoogdieren;
            ▪ de vogels;
            ▪ de amfibieën;
            ▪ de vissen.
      o de ongewervelden:
            ▪ de insecten;
            ▪ de spinachtigen.
• de flora;
• de schimmels.
3.2.3 de rol van organismen in de voedselkringloop:
producenten, consumenten, reducenten.
3.2.7 de volgende begrippen:
• de wortel, de stam, de stengel, het blad, de bloem,
    de vrucht, het zaad;
• het transport.
3.2.8 de functie van de verschillende delen van een plant:
wortel, stengel, stam, bladeren, bloemen, vruchten, zaad.

De leerlingen weten
3.2.9 dat stoffen worden getransporteerd binnen dieren
en planten.

L6

De leerlingen kennen
3.1.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
classificatie van organismen: het classificeren, de
taxonomie, de reptielen, de geleedpotigen, de
zaadplanten, de sporenplanten, de bacteriën.
3.1.2 de classificatie van organismen.
• de fauna:
      o de gewervelden:
            ▪ de zoogdieren;
            ▪ de vogels;
            ▪ de reptielen;
            ▪ de amfibieën;
            ▪ de vissen.
      o de ongewervelden:
            ▪ de geleedpotigen:
            ▪ de insecten;
            ▪ de spinachtigen.
      o andere ongewervelden.
• de flora;
      o de zaadplanten;
      o de sporenplanten.
• de schimmels;
• de bacteriën.
3.1.4 de volgende begrippen: de voortplanting, de
geslachtelijke voortplanting, de ongeslachtelijke
voortplanting, de bestuiving, de bevruchting.
3.1.5 redenen waarom organismen zichzelf voortplanten.
3.1.6 het proces van geslachtelijke en ongeslachtelijke
voortplanting bij zaadplanten.
De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen beschrijven op basis van kenmerken:
bouw en voortplantingswijze.
3.1.7 verschillen en overeenkomsten beschrijven bij de
voortplanting van fauna.

3.1.7 het belang van insecten bij de bestuiving van
zaadplanten.
3.2.9 de volgende begrippen:
• de kelkbladeren, de kroonbladeren, de stamper, de
    meeldraden, het vruchtbeginsel;
• de cel;
• de evolutie, de soort, de aanpassing, de erfelijke
    eigenschappen.
3.2.10 de functie van de verschillende delen van een
bloem: kelkbladeren, kroonbladeren, stamper,
vruchtbeginsel, meeldraden.
3.2.11 het concept van evolutie.

De leerlingen weten
3.2.14 dat nakomelingen erfelijke eigenschappen van hun
ouders meekrijgen.

De leerlingen kunnen
3.1.3 organismen classificeren op basis van kenmerken:
bouw, voedingswijze en voortplantingswijze.
3.1.8 onderscheid maken tussen geslachtelijke en
ongeslachtelijke voortplanting bij zaadplanten.
KO

De kleuters kennen

L4

De leerlingen kennen

L6

De leerlingen kennen
3.1.3 de volgende begrippen in verband met de
levenscyclus: geboren worden, kiemen, groeien, sterven.
3.1.4 de fasen van de levenscyclus: geboorte/kieming,
groei, voortplanting, dood.

3.1.4 de volgende begrippen: de levenscyclus, de
metamorfose.
3.1.5 de levenscyclus van fauna, voor elk van deze
groepen: zoogdieren, vogels, amfibieën, insecten.
3.1.6 de fasen van lichamelijke groei en ontwikkeling bij
de mens.

3.3.1 de volgende begrippen:
    ● de waarneming, de zintuigen, de hersenen, de
      zenuwen;
    ● de voortplanting, de teelbal, de zaadleider, de
      penis, het sperma, de eierstok, de eileider, de
      eicel, de baarmoeder, de vagina;
    ● de ademhaling, de keel, de luchtpijp, de longen;
    ● de bloedsomloop, de bloedvaten, de ader,
      de slagader, de haarvaten, zuurstofrijk,
      zuurstofarm.
3.3.2 fysieke functies van de mens, en de bijbehorende
weefsels en organen met hun functie: waarneming,
voortplanting, ademhaling, bloedsomloop.