Leerplannen Leerplandoelen
WI.430 Gebruiken L5 L6

Gebruiken de toetsen van de digitale rekentool correct.

Wiskunde Bewerkingen Toepassingen bij bewerkingen Digitale rekentool

Leeftijd
10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Gebruiken
Verwerkingsaspect
Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
Minimumdoelen
L4 2.2.11; L6 2.2.4; L6 2.2.22
In de PDF
pagina 63,64

Leerlijn

Gebruiken de toetsen van de digitale rekentool correct.
MIA
Toetsen:
• aan/uit, cijfertoetsen, C, + - x ÷ = komma %

Gebruiken:
• om natuurlijk getallen, breuken en decimale getallen in te tikken
• om bewerkingen met natuurlijk getallen en decimale getallen uit te voeren
• om procenten te berekenen met de procenttoets
• om grootheden zoals winst, verlies, korting te berekenen in betekenisvolle situaties
• om de rest te bepalen bij een deling

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Bewerkingen”
KO

De kleuters kennen
2.2.1 de volgende begrippen [F]:
• bijdoen, erbij, samen(tellen), samenvoegen;
• weg(nemen), eraf;
• evenveel, gelijk maken, (gelijke) groepjes maken;
• keer nemen;
• splitsen;
• (eerlijk) verdelen.

De kleuters kunnen
2.2.2 met concrete materialen en tot en met 10, volgende
rekenhandelingen uitvoeren en verwoorden:
• optellen en aftrekken als:
    ▪ oorzaak-verandering;
      < bv. ik heb 5 knikkers en ik win er 2, hoeveel heb
      ik nu? >
    ▪ combinatie;
      < bv. ik heb 5 knikkers en jij hebt er 2, hoeveel
      samen? >
    ▪ vergelijking.
      < bv. ik heb 5 knikkers en jij hebt er 2, hoeveel
      heb jij er minder? >
• splitsen van een aantal;
    < bv. ik heb 6 noten in mijn jaszakken: 4 in de ene, 2
    in de andere; dus 6 is gesplitst in een groepje van 4
    en een groepje van 2. >
• delen als verdelingsdeling.

L4

De leerlingen kennen
2.1.1 paraat de splitsingen tot en met 10 [F].
2.2.1 het optellen/aftrekken als: oorzaak-verandering,
combinatie, vergelijking [I].
< bv. zie bewerkingen kleuter >
2.2.7 het gebruik van haakjes om de rekenvolgorde te
doorbreken of de rekenvolgorde te benadrukken [I] .
< bv. volgorde doorbreken: 3 + 6 + 4 = 3 + (6 +
4)/rekenvolgorde te benadrukken: 7 + 9 = (7 + 3) + 6 >
2.2.8 de eigenschappen van bewerkingen [I]:
• neutraal en opslorpend element;
• commutativiteit;
• associativiteit;
• distributiviteit.
    < de deling is alleen rechtsdistributief t.o.v. de
    optelling/aftrekking >
2.2.9 relaties tussen bewerkingen [I]:
• een vermenigvuldiging als een herhaalde optelling en
    deling als een herhaalde aftrekking (of tellen van de
    sprongen);
• optellen/aftrekken en vermenigvuldigen/delen zijn
    elkaars inverse bewerking.
2.2.10 de volgende begrippen en wiskundige notaties [F]:
• +, -, x, :, /, (), =, ≠;
• optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen;
• plus, min, maal, keer, gedeeld door;
• de som, het verschil, het product, het quotiënt, de
    rest;

L6

De leerling kent
2.2.2 de eigenschappen van bewerkingen [I]:
• de som van twee getallen verandert niet als we bij
    één term een getal optellen en dit getal van de
    andere term aftrekken;
• het verschil van twee getallen verandert niet als we
    bij beide termen hetzelfde getal optellen of
    aftrekken;
• het product van twee getallen verandert niet als we
    de ene factor vermenigvuldigen met een getal en de
    andere factor delen door dit getal;
• het quotiënt van twee getallen verandert niet als we
    deeltal en deler vermenigvuldigen met of delen door
    eenzelfde getal (de rest verandert wel);
• het verband tussen deeltal, deler, quotiënt, rest: D =
    d x q + r;
• het product/quotiënt verandert niet als we een
    factor/ de deler ontbinden.
    < bv. vermenigvuldigen met 12 is hetzelfde al
    vermenigvuldigen met 3 en met 4, delen door 12 is
    delen door 3 en door 4 >
2.2.3 de volgorde van bewerkingen en het gebruik van
haakjes om die te doorbreken [I].

De leerling kan
2.2.5 flexibel een doelmatige rekenmethode uitkiezen,
uitvoeren en verantwoorden op basis van inzicht in de
< bv. Ik heb 8 knikkers en verdeel ze over 2 vrienden,
hoeveel elk? >

• de aftrekker, het aftrektal, de vermenigvuldiger, het
    vermenigvuldigtal, de deler, het deeltal;
• termen, factoren;
• aanvullen tot;
• compenseren, omgekeerde bewerking;
• van plaats wisselen, (aaneen)schakelen, splitsen en
    verdelen.
2.2.16 paraat de optellingen en aftrekkingen tot en met
20 [F].
2.2.25 procedures om te cijferen voor optellen en
aftrekken op basis van inzicht in de tientalligheid en het
plaatswaardesysteem van ons talstelsel [I].

De leerlingen kunnen
2.2.14 flexibel en doelmatige rekenmethode uitkiezen,
uitvoeren en verantwoorden op basis van inzicht in de
getalstructuur en begrip van de rekenhandelingen. Keuze
uit:
• hoofdrekenen: standaardprocedures;
• hoofdrekenen: handig rekenen, meer bepaald
    compenseren en eigenschappen van bewerkingen
    gebruiken.
2.2.18 standaardprocedures gebruiken voor natuurlijke
getallen tot en met 1 000 en grotere getallen met
eindnullen:
• optellen en aftrekken: door de tweede term te
    splitsen in opeenvolgende rangen;
    < bv. 124 + 254 = 124 + 200 + 50 + 4 >
• vermenigvuldigen als herhaalde optelling;
    < bv. 3 x 36 = 36 + 36 + 36 >
• opgaande en niet-opgaande deling: het quotiënt
    bepalen door sprongen te tellen (herhaalde
    aftrekking);
    < bv. 74 : 12 = … (12, 24, 36, 48, 60, 72 dus 6) 74 :
    12 = 6 met rest = 2 >

getalstructuur en begrip van de rekenhandelingen. Keuze
uit:
• hoofdrekenen: standaardprocedures;
• hoofdrekenen: handig rekenen;
• andere rekenwijzen : schattend rekenen, cijferen of met
    een digitale rekentool.
2.2.6 standaardprocedures uitbreiden voor natuurlijke
getallen tot en met 10 000 en grotere getallen met
eindnullen optellen en aftrekken.
2.2.10 eigenschappen van bewerkingen en relaties
gebruiken om handig te rekenen.
< bv. 31 + 19 = (31 – 1) + (19 + 1) = 30 + 20
    73 – 19 = (73 + 1) – (19 + 1) = 74 – 20
    12 x 5 = (12 : 2) x (5 x 2) = 6 x 10
    48 : 12 = (48 : 2) : (12 : 2) = 24 : 6
    98 x 12 = (100 – 2 ) x 12 = (100 x 12) – (2 x 12) = 1
    200 – 24 (compenseren, splitsen en verdelen)
    2 277 : 23 = (2 300 – 23) : 23 = (2 300 : 23) – (23 :
    23) = 100 – 1 (compenseren, splitsen en verdelen) >
2.2.23 volgende controlestrategieën inzetten om het
resultaat van een bewerking te controleren:
• de omgekeerde bewerking uitvoeren;
• een digitale rekentool gebruiken.
• opgaande deling door het deeltal te splitsen in een
    som en de distributiviteit toe te passen.
    < bv. 234 : 3 = (210 + 24) : 3 = (210 : 3) + (24 : 3) >
2.2.22 (bij) natuurlijke getallen tot en met 1 000:
• van plaats wisselen en schakelen om handig te
    rekenen;
• optellen en aftrekken naar analogie met optellingen
    en aftrekkingen tot 20;
    < bv. 20 + 30 = … 600 – 300 = … >
• aftrekken door aanvullend optellen;
    < bv. 801 – 796 = 5 als 796 + … = 801 >
• vermenigvuldigen en delen naar analogie met de
    tafels;
    < bv. 80 x 60 = …
        120 : 20 = … >
• compenseren op basis van de betekenis van de
    rekenhandeling: een keer meer, een keer minder,
    verdubbelen, halveren;
• compenseren op basis van de inverse bewerking.
    < bv. 140 + 99 = 140 + 100 – 1 = 239>
2.2.27 cijferalgoritmes voor optellen en aftrekken
gebruiken voor natuurlijke getallen tot en met 10 000.
2.2.29 volgende controlestrategieën inzetten om het
resultaat van een bewerking te controleren: de
omgekeerde bewerking uitvoeren.
KO

De kleuters kennen
2.2.1 de volgende begrippen [F]:
• bijdoen, erbij, samen(tellen), samenvoegen;
• weg(nemen), eraf;
• evenveel, gelijk maken, (gelijke) groepjes maken;
• keer nemen;
• splitsen;
• (eerlijk) verdelen.

L4

De leerlingen kennen
2.2.2 het vermenigvuldigen als: keerhandeling, rooster,
vergelijking, combinatie [I].
< bv. * keerhandeling: ik neem 6 keer een zakje met 24
knikkers, hoeveel knikkers heb ik?
* rooster: een moestuin heeft 4 rijen met 9 plantjes in
elke rij, hoeveel plantjes zijn er?
* vergelijking: je hebt 3 keer zoveel stripboeken als jouw
vriend, jouw vriend heeft er 18, hoeveel heb jij er?

L6

De leerling kent
2.2.2 de eigenschappen van bewerkingen [I]:
• de som van twee getallen verandert niet als we bij
    één term een getal optellen en dit getal van de
    andere term aftrekken;
• het verschil van twee getallen verandert niet als we
    bij beide termen hetzelfde getal optellen of aftrekken;
De kleuters kunnen
2.2.2 met concrete materialen en tot en met 10,
      volgende rekenhandelingen uitvoeren en
      verwoorden:
• optellen en aftrekken als:
    ▪ oorzaak-verandering;
      < bv. ik heb 5 knikkers en ik win er 2, hoeveel heb
      ik nu? >
    ▪ combinatie;
      < bv. ik heb 5 knikkers en jij hebt er 2, hoeveel
      samen? >
    ▪ vergelijking.
      < bv. ik heb 5 knikkers en jij hebt er 2, hoeveel
      heb jij er minder? >
• splitsen van een aantal;
    < bv. ik heb 6 noten in mijn jaszakken: 4 in de ene, 2
    in de andere; dus 6 is gesplitst in een groepje van 4
    en een groepje van 2. >
• vermenigvuldigen als keerhandeling;
    < bv. ik heb 2 zakjes met 3 knikkers, hoeveel knikkers
    in totaal? >
• delen als verdelingsdeling.
    < bv. ik heb 8 knikkers en verdeel ze over 2 vrienden,
    hoeveel elk? >

* combinatie: je hebt 4 soorten soep en 5 verschillende
broodjes, hoeveel verschillende maaltijden kun je
samenstellen? >
2.2.3 het delen als: verdelingsdeling, verhoudingsdeling,
opgaande en niet-opgaande deling [I].
< bv. * verdelingsdeling: ik heb 8 knikkers, ik verdeel ze
over twee vrienden, hoeveel elk?
* verhoudingsdeling: ik heb 8 knikkers, ik maak zakjes van
2 knikkers, hoeveel zakjes? >
2.2.4 het verband tussen verhoudingsdeling en
verdelingsdeling [I].
< bv. 6 : 2 = 3: ik deel 6 knikkers uit aan twee leerlingen
en kijk hoeveel ieder er krijgt (=3), ik kan ook tellen hoe
vaak ik 2 knikkers kan uitdelen (=3) >
2.2.8 de eigenschappen van bewerkingen [I]:
• neutraal en opslorpend element;
• commutativiteit;
• associativiteit;
• distributiviteit.
    < de deling is alleen rechtsdistributief t.o.v. de
    optelling/aftrekking>
2.2.9 relaties tussen bewerkingen [I]:
• een vermenigvuldiging als een herhaalde optelling en
    deling als een herhaalde aftrekking (of tellen van de
    sprongen);
• optellen/aftrekken en vermenigvuldigen/delen zijn
    elkaars inverse bewerking.
2.2.10 de volgende begrippen & wiskundige notaties [F]:
• +, -, x, :, /, (), =, ≠;
• optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen;
• plus, min, maal, keer, gedeeld door;
• de som, het verschil, het product, het quotiënt, de
    rest;
• de aftrekker, het aftrektal, de vermenigvuldiger, het
    vermenigvuldigtal, de deler, het deeltal;

• het product van twee getallen verandert niet als we
    de ene factor vermenigvuldigen met een getal en de
    andere factor delen door dit getal;
• het quotiënt van twee getallen verandert niet als we
    deeltal en deler vermenigvuldigen met of delen door
    eenzelfde getal (de rest verandert wel);
• het verband tussen deeltal, deler, quotiënt, rest: D = d
    x q + r;
• Het product/quotiënt verandert niet als we een
    factor/de deler ontbinden.
    < bv. vermenigvuldigen met 12 is hetzelfde als
    vermenigvuldigen met 3 en met 4, delen door 12 is
    delen door 3 en door 4 >
2.2.9 een werkwijze voor vermenigvuldigen met en delen
door 10 000, 4, 8 [I].
2.2.19 procedures om te cijferen voor vermenigvuldigen
en delen op basis van inzicht in de tientalligheid en het
plaatswaardesysteem van ons talstelsel [I].

De leerling kan
2.2.5 flexibel een doelmatige rekenmethode uitkiezen,
uitvoeren en verantwoorden op basis van inzicht in de
getalstructuur en begrip van de rekenhandelingen. Keuze
uit:
• hoofdrekenen: standaardprocedures;
• hoofdrekenen: handig rekenen;
• andere rekenwijzen : schattend rekenen, cijferen of met
    een digitale rekentool.
2.2.6 standaardprocedures uitbreiden voor natuurlijke
getallen tot en met 10 000 en grotere getallen met
eindnullen optellen en aftrekken.
2.2.10 eigenschappen van bewerkingen en relaties
gebruiken om handig te rekenen.
< bv. 31+ 19 = (31 – 1) + (19 + 1) = 30 + 20
• termen, factoren;
• aanvullen tot;
• compenseren, omgekeerde bewerking;
• van plaats wisselen, (aaneen)schakelen, splitsen en
    verdelen.
2.2.17 paraat de vermenigvuldigings- en deeltafels van 1,
2,...,10 [F].
2.2.21 een werkwijze voor het vermenigvuldigen met en
delen door 10, 100, 1 000 [I].

De leerlingen kunnen
2.2.12 bij een niet-opgaande deling de rest bepalen.
2.2.14 flexibel en doelmatige rekenmethode uitkiezen,
uitvoeren en verantwoorden op basis van inzicht in de
getalstructuur en begrip van de rekenhandelingen. Keuze
uit:
• hoofdrekenen: standaardprocedures;
• hoofdrekenen: handig rekenen, meer bepaald
    compenseren en eigenschappen van bewerkingen
    gebruiken.
2.2.15 andere rekenwijzen (zie verder) gebruiken:
schattend rekenen, cijferen.
2.2.18 standaardprocedures gebruiken voor natuurlijke
getallen tot en met 1 000 en grotere getallen met
eindnullen:
• optellen en aftrekken: door de twee termen te
    splitsen in opeenvolgende rangen;
    < bv. 124 + 254 = 124 + 200 + 50 + 4 >
• vermenigvuldigen als herhaalde optelling;
    < bv. 3 x 36 = 36 + 36 + 36 >
• opgaande en niet-opgaande delingen: het quotiënt
    bepalen door sprongen te tellen (herhaalde aftelling);
    < bv. 74 : 12 = … (12, 24, 36, 48, 60, 72 dus 6) 74 : 12
    = 6 met rest 2
• opgaande deling door het deeltal te splitsen in een
    som en de distributiviteit toe te passen.

73 – 19 = (73 + 1) – (19 + 1) = 74 – 20
12 x 5 = (12 : 2) x (5 x 2) = 6 x 10
48 : 12 = (48 : 2) : (12 : 2) = 24 : 6
98 x 12 = (100 – 2) x 12 = (100 x 12) – (2 x 12) = 1 200 – 24
(compenseren, splitsen en verspreiden)
2 277 : 23 = (2 300 – 23) : 23 = (2 300 : 23) – (23 : 23) =
100 – 1 (compenseren, splitsen en verspreiden) >
2.2.11 een factor ontbinden om handig te rekenen.
<bv. 25 x 32 = 25 x 4 x 8 = 100 x 8 = 800
  3000 : 12 = 3 000 : 3 : 4 = 1 000 : 4 = 250 >
2.2.20 cijferalgoritmes voor vermenigvuldigen en delen
gebruiken voor natuurlijke getallen tot en met 10 000 en
waarbij vermenigvuldiger en deler van de vorm (T)E zijn.
2.2.23 volgende controlestrategieën inzetten om het
resultaat van de bewerking te controleren:
• de omgekeerde bewerking uitvoeren;
• een digitale rekentool gebruiken.
< bv. 234 : 3 = (210 + 24) : 3 = (210 : 3) + (24 : 3) >
2.2.19 standaardprocedures gebruiken voor natuurlijke
getallen tot en met 10 000:
• vermenigvuldiging op basis van distributiviteit (E x
    HTE, TE x TE) .
2.2.22 (bij) natuurlijke getallen tot en met 1 000:
• van plaats wisselen en schakelen om handig te
    rekenen;
• optellen en aftrekken naar analogie met optellingen
    en aftrekkingen tot 20;
    < bv. 20 + 30 = … 600 – 300 = … >
• aftrekken door aanvullend optellen;
    < bv. 801 – 796 = 5 als 796 + … = 801 >
• vermenigvuldigen en delen naar analogie met de
    tafels;
    < bv. 80 x 60 = …
        120 : 20 = … >
• compenseren op basis van de betekenis van de
    rekenhandeling: een keer meer, een keer minder,
    verdubbelen, halveren;
• compenseren op basis van de inverse bewerking.
    < bv. 140 + 99 = 140 + 100 – 1 = 239>
2.2.29 volgende controlestrategieën inzetten om het
resultaat van een bewerking te controleren: de
omgekeerde bewerking uitvoeren.
KO

L4

De leerlingen kennen
2.2.21 een werkwijze voor het vermenigvuldigen met en
delen door 10, 100, 1 000 [I].
2.2.23 een schematische voorstelling voor de
oplossingsstrategie van optellen/aftrekken met breuken
[I].

De leerlingen kunnen
2.1.17 bij een gegeven
• geheel en deel, de breuk vinden;
• geheel en breuk, het deel bepalen;

L6

De leerling kent
2.1.10 een breuk als een deling [I].
2.2.1 het vermenigvuldigen: ‘van’ als ‘maal’ bij breuken
[I].
2.2.8 een werkwijze voor vermenigvuldigen met en delen
door 0,1; 0,01; 0,001; 0,2; 0,5; 2; 5; 25; 50 [I].
2.2.13 een procent van een getal als een
vermenigvuldigingsfactor [I].
2.2.14 een schematische voorstelling voor de
oplossingsstrategie van onderstaande bewerkingen met
breuken [I]:
• natuurlijk getal x breuk;
• deel en breuk, het geheel zoeken met behulp van een
    schematische voorstelling.
2.2.20 standaardprocedures gebruiken voor decimale
getallen (tot op 1 honderdste):
• optellen en aftrekken: door de tweede term te
    splitsen volgens het plaatswaardesysteem;
    < bv. 6,2 + 3,41 = 6,2 + 3 + 0,4 + 0,01 >
• vermenigvuldigen met een natuurlijk getal op basis
    van de herhaalde optelling.
    < bv. 3 x 0,4 = 0,4 + 0,4 + 0,4>
2.2.24 bij breuken waarbij de noemer beperkt is tot en
met 20:
• gelijknamige breuken optellen en aftrekken;
• breuk van een getal nemen.

• breuk x natuurlijk getal;
• breuk x breuk;
• breuk : natuurlijk getal;
• de drie basisregels die bovenstaande regels
    samenvatten [I/F]:
      • optellen en aftrekken van (on)gelijknamige
          breuken;
      • breuk x breuk;
      • breuk : breuk.

De leerling kan
2.1.18 breuken (noemer tot en met 100), procenten (tot
op eenheid) en decimale getallen (tot op 1 duizendste):
• lezen en noteren;
• schematisch voorstellen;
• vergelijken, ordenen en plaatsen op de getallenas;
• vereenvoudigen en gelijknamig maken;
• naar elkaar omzetten;
• afronden (decimale getallen en procenten).
2.2.7 standaardprocedures gebruiken om het resultaat
van een bewerking te vinden voor decimale getallen (tot
op 1 duizendste):
• optellen en aftrekken;
• vermenigvuldigen met een natuurlijk getal op basis
    van de keerhandeling;
    < bv. 0,6 x 3 = 3 x 0,6 = 3 x 6 t >
• delen door een natuurlijk getal op basis van de
    verdelingsdeling.
    < bv. 0,08 : 2 = 8 h : 2 >
2.2.10 eigenschappen van bewerkingen en relaties
gebruiken om handig te rekenen.
< bv. 31 + 19 = (31 – 1) + (19 + 1) = 30 + 20
    73 – 19 = (73 + 1) – (19 + 1) = 74 – 20
    12 x 5 = (12 : 2) x (5 x 2) = 6 x 10
    48 : 12 = (48 : 2) : (12 : 2) = 24 : 6
98 x 12 = (100 – 2 ) x 12 = (100 x 12) – (2 x 12) = 1
    200 – 24 (compenseren, splitsen en verdelen)
    2 277 : 23 = (2 300 – 23) : 23 = (2 300 : 23) – (23 :
    23) = 100 – 1 (compenseren, splitsen en verdelen) >
2.2.12 decimale getallen (tot op 1 duizendste)
vermenigvuldigen en delen door om te zetten naar
breuken.
              7 28
< bv. 4 × 0,7 = 4 × = = 2,8
              10 10
            4 28
0,4 × 7 = × 7 = = 2,8
            10 10
            18 72
0,18 × 4 = × 4 = = 0,72
            100 100
            4 7 28
0,4 × 0,7 = × = = 0,28
            10 10 100
            54 6
5,4: 9 = : 9 = = 0,6
            10 10
            72 8 72 10 720 9
0,72: 0,8 = : = × = = = 0,9
            100 10 100 8 800 10
              35 10 700
70: 3,5 = 70: = 70 × = = 20
              10 35 35
            54 12 54 10 540 9
5,4: 1,2 = : = × = = = 4,5 >
            10 10 10 12 120 2
2.2.15 bij breuken waarbij de noemer beperkt is tot en
met 20 of breuken die te vereenvoudigen zijn tot deze
breuken ongelijknamige breuken optellen en aftrekken.
2.2.16 breuken (noemer tot en met 100)
vermenigvuldigen en delen.
2.2.17 decimale getallen vermenigvuldigen en delen door
ze om te zetten naar breuken (zie Hoofdrekenen: handig
rekenen) .
2.2.18 een procent van een getal nemen.
KO

De kleuters kennen
2.2.1 de volgende begrippen [F]:
• bijdoen, erbij, samen(tellen), samenvoegen;
• weg(nemen), eraf;
• evenveel, gelijk maken, (gelijke) groepjes maken;
• keer nemen;
• splitsen;
• (eerlijk) verdelen.

L4

De leerlingen kennen
2.2.5 het gelijkheidsteken als aanduiding voor een
wiskundige gelijkheid [I].
< het gelijkheidsteken wordt vaak uitsluitend als signaal
gezien om iets uit te rekenen, terwijl het slaat op een
gelijkheid tussen beide zijden van het gelijkheidsteken >
2.2.6 de rekenvolgorde van links naar rechts [I].
2.2.7 het gebruik van haakjes om de rekenvolgorde te
doorbreken of de rekenvolgorde te benadrukken [I] .
< bv. volgorde doorbreken: 3 + 6 + 4 = 3 + (6 +
4)/rekenvolgorde te benadrukken: 7 + 9 = (7 + 3) + 6 >
2.2.17 paraat de vermenigvuldigings- en deeltafels van 1, 2,
…, 10 [F].

L6

De leerling kan
2.2.4 betekenisvolle situaties omzetten naar bewerkingen
met breuken en procenten.
2.2.5 flexibel een doelmatige rekenmethode uitkiezen,
uitvoeren en verantwoorden op basis van inzicht in de
getalstructuur en begrip van de rekenhandelingen. Keuze
uit:
• hoofdrekenen: standaardprocedures;
• hoofdrekenen: handig rekenen;
• andere rekenwijzen : schattend rekenen, cijferen of met
    een digitale rekentool.
2.2.26 de wiskundige notatie [F]: ≈ (aanduiding schatting) .

De leerlingen kunnen
2.2.11 betekenisvolle situaties omzetten naar bewerkingen
met natuurlijke getallen en decimale getallen.
2.2.13 het gelijkheidsteken correct gebruiken.
< bv. 76 + 23 = 76 + 20 + 3 = 96 + 3 = 99 en dus niet 76 + 23 =
76 + 20 = 96 + 3 = 99>
2.2.14 flexibel een doelmatige rekenmethode uitkiezen,
uitvoeren en verantwoorden op basis van inzicht in de
getalstructuur en begrip van de rekenhandelingen. Keuze
uit:
• hoofdrekenen: standaardprocedures;
• hoofdrekenen: handig rekenen, meer bepaald
    compenseren en eigenschappen van bewerkingen
    gebruiken.
2.2.15 andere rekenwijzen (zie verder) gebruiken:
schattend rekenen, cijferen.
2.2.28 schatten door gebruik te maken van
afrondingsregels.

2.2.21 schattend rekenen wanneer een bepaalde context
hierom vraagt zoals onvoldoende gegevens of wanneer
geen exact resultaat nodig is.
< bv. voor een optelling het ene getal naar boven en het
andere getal naar beneden afronden >
2.2.22 een digitale rekentool gebruiken voor:
• het uitvoeren van complexere berekeningen (grote
    getallen, decimale getallen met veel cijfers);
• het bepalen van de rest bij een deling;
• het berekenen van procenten.
2.2.23 volgende controlestrategieën inzetten om het
resultaat van een bewerking te controleren:
• de omgekeerde bewerking uitvoeren;
• digitale rekentool gebruiken.

De leerling kent
2.2.3 de volgorde van bewerkingen en het gebruik van
haakjes om die te doorbreken [I].