NL.589
Gebruiken
K1
K2
K3
L1
Vertellen in eigen woorden een (prenten)boek na.
Nederlands › Literatuur › Interactie met literatuur › Literatuur lezen
- Leeftijd
- 2,5-4,4-5,5-6,6-7 jaar
- Handelingswerkwoord
- Vertellen
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- KO 1.5.4
- In de PDF
- pagina 5
Leerlijn
Vertellen in eigen woorden een (prenten)boek na. MIA Navertellen: • de verhaallijn • de kern van het verhaal • mét ondersteuning van beelden of symbolen • zonder ondersteuning van beelden of symbolen
Hangt samen met
- Schakel NL.073 Begrijpen de verhaallijn van (voor)gelezen teksten*. K1,K2,K3,L1
- Vlag NL.070 Begrijpen (voor)gelezen teksten.* K1,K2,K3,L1
- Vlag NL.072 Geven informatie uit een (voor)gelezen tekst weer. K3,L1
- Vlag NL.074 Geven de belangrijkste elementen uit een verhaallijn van (voor)gelezen teksten weer. K2,K3,L1
Wordt verwezen vanuit
- Vlag NL.070 Begrijpen (voor)gelezen teksten.* K1,K2,K3,L1
- Vlag NL.071 Geven informatie uit een voorgelezen tekst weer. K1,K2
- Vlag NL.073 Begrijpen de verhaallijn van (voor)gelezen teksten*. K1,K2,K3,L1
- Vlag NL.074 Geven de belangrijkste elementen uit een verhaallijn van (voor)gelezen teksten weer. K2,K3,L1
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Literatuur”
KO De kleuters kennen 1.5.1 auteur, illustrator, titel, kaft. De kleuters kunnen 1.5.2 gedachten of gevoelens verwoorden bij het in contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.3 een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen of personages. 1.5.4 in eigen woorden de kern van een prentenboek navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen. L4 De leerlingen kennen 1.5.1 personage, hoofdpersonage, thema. 1.5.2 plot: belangrijkste gebeurtenissen. 1.5.3 context: tijd en plaats. De leerlingen kunnen 1.5.4 voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur. 1.5.5 aangereikte en zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.6 verwoorden waarom een tekst aanspreekt. 1.5.7 verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en emoties en gedachten tijdens het lezen van de tekst. 1.5.8 complexere verhaallijnen navertellen. 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. L6 De leerling kent 1.5.1 vertelperspectief: ik-verteller. De leerling kan 1.5.2 literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non- fictie en bekroonde jeugdliteratuur. 1.5.3 zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.4 elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
KO De kleuters kunnen 1.5.5 experimenteren met taal en verhalen via spreken, tekenen en eenvoudige spelvormen. L4 De leerlingen kunnen 1.5.9 op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog > L6 De leerling kan 1.5.5 een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk presenteren. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog >