NL.586
Gebruiken
K1
K2
K3
L1
Lezen een grote variatie aan boeken en teksten.
Nederlands › Literatuur › Interactie met literatuur › Literatuur lezen
- Leeftijd
- 2,5-4,4-5,5-6,6-7 jaar
- Handelingswerkwoord
- Lezen
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- KO 1.5.4
- In de PDF
- pagina 4
Leerlijn
Lezen een grote variatie aan boeken en teksten. MIA Variatie aan boeken en teksten: • uit een variatie aan genres • aangereikte teksten en boeken • zelfgekozen teksten en boeken op basis van interesse, voorkeur en leesmotivatie • fictie- en non fictie • bekroonde kinder- en jeugdliteratuur
Hangt samen met
- Vlag NL.119 Herkennen een grote variatie aan teksttypes. K1,K2,K3,L1,L2,L3,L4,L5,L6
- Vlag NL.577 Herkennen een variatie aan soorten boeken en genres. K2,K3,L1,L2
Wordt verwezen vanuit
- Schakel NL.596 Herkennen hoe je zorg draagt voor boeken. K1
- Schakel NL.597 Beschrijven hoe je zorg draagt voor boeken. K2,K3,L1,L2
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Literatuur”
KO De kleuters kennen 1.5.1 auteur, illustrator, titel, kaft. De kleuters kunnen 1.5.2 gedachten of gevoelens verwoorden bij het in contact komen met bekroonde jeugdliteratuur, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.3 een eigen voorkeur tonen voor bepaalde verhalen of personages. 1.5.4 in eigen woorden de kern van een prentenboek navertellen met ondersteuning van beelden of symbolen. L4 De leerlingen kennen 1.5.1 personage, hoofdpersonage, thema. 1.5.2 plot: belangrijkste gebeurtenissen. 1.5.3 context: tijd en plaats. De leerlingen kunnen 1.5.4 voor hen geschikte boeken kiezen uit een variatie aan genres, passend bij het leesdoel en de eigen leesvoorkeur. 1.5.5 aangereikte en zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie. < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.6 verwoorden waarom een tekst aanspreekt. 1.5.7 verbanden leggen tussen elementen uit de tekst en emoties en gedachten tijdens het lezen van de tekst. 1.5.8 complexere verhaallijnen navertellen. 1.1.4 teksten en boeken lezen met aandacht en doorzettingsvermogen. L6 De leerling kent 1.5.1 vertelperspectief: ik-verteller. De leerling kan 1.5.2 literaire voorkeuren verwoorden binnen fictie, non- fictie en bekroonde jeugdliteratuur. 1.5.3 zelfgekozen bekroonde jeugdliteratuur lezen, zowel fictie als non-fictie < bv. de Boon voor Jeugdliteratuur, de Gouden Griffel, de Kinderjury Nederland, de Leesjury Vlaanderen, de Woutertje Pieterse Prijs > 1.5.4 elementen uit de tekst situeren binnen zijn/haar vakspecifieke kennis en voorkennis.
KO De kleuters kunnen 1.5.5 experimenteren met taal en verhalen via spreken, tekenen en eenvoudige spelvormen. L4 De leerlingen kunnen 1.5.9 op basis van voorbeelden een eigen talige creatie maken. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog > L6 De leerling kan 1.5.5 een eigen talige creatie mondeling of schriftelijk presenteren. < bv. een verhaal, een gedicht, een toneeldialoog >