Leerplannen Leerplandoelen
MV.089 Gebruiken K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

Gebruiken bouwstenen, vaardigheden/technieken en vormgevingsmiddelen van verschillende muzische domeinen in een geïntegreerde muzische creatie.

Muzische vorming Muzisch proces Geïntegreerde muzische creatie

Leeftijd
5-6,6-7,7-8,8-9,9-10,10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Gebruiken
Verwerkingsaspect
Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
Minimumdoelen
geen — GO!-doel op populatieniveau
In de PDF
pagina 37,38

Leerlijn

Gebruiken bouwstenen, vaardigheden/technieken en vormgevingsmiddelen van
verschillende muzische domeinen in een geïntegreerde muzische creatie.

MIA
Geïntegreerde muzische creatie:
• vormgeving van ervaring, gevoel, idee, situatie, sfeer, verhaal, fantasie
• een muzische creatie die minstens 2 muzische domeinen integreert

Voorbeelden
Geïntegreerde muzische creatie:
De expressieve kracht van een mimestuk vergroten door gepaste muziek aan
dramatische passages toe te voegen.
Samen een lied zingen met een zelfbedachte choreografie.
een musical/muziektheater creëren, een bewegingstheater-stuk maken, een
Installatie/performance-art creëren, een bewegingsexpressie vanuit poëzie creëren,
een klankverhaal vanuit literatuur/prentenboek creëren

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Muzisch proces”
KO

De kleuters kunnen
6.1.1 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen verkennen.
6.1.2 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen verkennen:
• muziek: de stem, het lied, de handtrom, de triangel,
    de tamboerijn, de fluit;
• beeld: het potlood, het penseel, de verf, de
    stempel, het tekenpapier;
• drama: de handpop, het toneel, de verkleedkleren,
    het masker;
• dans: de dans, de beweging, de kring, de rij;
• media: de (video)camera.
6.2.2 patronen van lange en korte geluiden
onderscheiden.
6.2.3 snelle en langzame ritmische en melodische
patronen onderscheiden.
6.2.4 hoge en lage tonen herkennen en eenvoudige
melodieën aangepast aan het stembereik zingen.

De kleuters kennen
6.2.1 de volgende begrippen: kort, lang, hoog, laag, snel,
langzaam, hard, zacht, klank, toon, de zanger(es), de
muzikant, het instrument.
6.2.5 de volgende begrippen: de stem, het lied, de
handtrom, de triangel, de tamboerijn, de fluit.

L4

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen gebruiken.
6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen gebruiken:
• muziek: de woodblock, de toeter, de sleebel, de
    boomwhackers, de xylofoon;
• beeld: de graffiti, de waterverf, de plakkaatverf, de
    houtskool, de natuurklei;
• drama: het poppenspel, het schimmenspel;
• dans: de volksdans, het dansverhaal;
• media: de schijnwerper, de opnameapparatuur.
6.2.2 het metrum en ritmepatronen onderscheiden.
6.2.3 variaties in tempo herkennen.
6.2.4 variaties in dynamiek herkennen en gebruiken.
6.2.5 herhaling en contrast herkennen.

De leerlingen kennen
6.2.1 de volgende begrippen: het versnellen, het
vertragen, de toonhoogte, de strofe, het refrein.
6.2.6 de volgende begrippen: de woodblock, de toeter,
de sleebel, de boomwhackers, de xylofoon.

L6

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen toepassen.
6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen toepassen:
• muziek: de grafische partituur, de koebel, de Orff-
    instrumenten;
• beeld: de optische illusie, beeldhouwen;
• drama: het rollenspel, de theatertekst,
    improviseren;
• dans: de wals, de tango, de moderne dans, de
    hiphop, de breakdance ;
• media : de audiosoftware, de
    beeldbewerkingssoftware.
6.2.3 variaties in tempo, versnellen/vertragen,
onderbreken uitvoeren.
6.2.4 meerstemmige melodieën met aangepast
stembereik zingen.
6.2.5 variaties in dynamiek toepassen.
6.2.6 eenvoudige muziekvormen herkennen.
< bv. herkennen van een rondo-vorm >
6.2.7 families van instrumenten onderscheiden.
6.2.8 samenklank herkennen.

De leerlingen kennen
6.2.1 de volgende begrippen: een canon, de melodische
lijn, het motief, de solo, het ensemble, de componist.
6.2.2 de bouwstenen van muziek: ritme, tempo,
dynamiek, structuur/vorm, klankkleur, samenklank.
6.2.9 de volgende begrippen:
• musiceren;
• de grafische partituur, de koebel, de Orff-
instrumenten.
KO

De kleuters kunnen
6.1.1 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen verkennen.
6.1.2 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen verkennen:
• muziek: de stem, het lied, de handtrom, de triangel,
    de tamboerijn, de fluit;
• beeld: het potlood, het penseel, de verf, de
    stempel, het tekenpapier;
• drama: de handpop, het toneel, de verkleedkleren,
    het masker;
• dans: de dans, de beweging, de kring, de rij;
• media: de (video)camera.
6.3.2 lijnsoorten onderscheiden en maken.
6.3.3 verschillende texturen onderscheiden.
6.3.4 primaire en secundaire kleuren herkennen.

L4

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen gebruiken.
6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen gebruiken:
• muziek: de woodblock, de toeter, de sleebel, de
    boomwhackers, de xylofoon;
• beeld: de graffiti, de waterverf, de plakkaatverf, de
    houtskool, de natuurklei;
• drama: het poppenspel, het schimmenspel;
• dans: de volksdans, het dansverhaal;
• media: de schijnwerper, de opnameapparatuur.
6.3.2 figuren weergeven met omtreklijnen.
6.3.3 stofuitdrukking in het beeldend werk weergeven.
< bv. de schubben van een vis weergeven >
6.3.4 kleurnuance en contrast aanbrengen met behulp
van primaire en secundaire kleuren.

L6

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen toepassen.
6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen toepassen:
• muziek: de grafische partituur, de koebel, de Orff-
    instrumenten;
• beeld: de optische illusie, beeldhouwen;
• drama: het rollenspel, de theatertekst,
    improviseren;
• dans: de wals, de tango, de moderne dans, de
    hiphop, de breakdance ;
• media : de audiosoftware, de
    beeldbewerkingssoftware.
6.3.3 met lijnstructuren en arcering een beeld maken.
6.3.4 de betekenis van kleuren, toon- en tintwaarden
benoemen en gebruiken.
De kleuters kennen
6.3.1 de volgende begrippen: rood, geel, blauw, wit,
grijs, zwart, groen, bruin, oranje, paars, licht, donker,
rond, recht, gebogen, dik, dun, groot, klein, zacht, hard,
ruw, glad, het patroon, de kunstenaar, de schilder, het
schilderij.
6.3.5 de volgende begrippen: het potlood, het penseel,
de verf, de stempel, het tekenpapier.

6.3.5 soorten licht, lichtrichting en schaduw benoemen
en aanduiden.
6.3.6 effecten van ordeningswijzen in composities
herkennen.
6.3.7 standpunt en horizon gebruiken.

De leerlingen kennen
6.3.1 de volgende begrippen: primaire en secundaire
kleuren, koude en warme kleuren, de schaduw, de
diepte, de lichtbron, de horizon, het contrast, het
accent, de beeldhouwer.
6.3.8 de volgende begrippen: de graffiti, de waterverf,
de plakkaatverf, de houtskool, de natuurklei.

6.3.5 de functies en symboolwaarden van kleuren
benoemen en gebruiken.
6.3.6 sfeer scheppen door middel van lichtrichting en
schaduw.
6.3.7 vogel- en kikkerperspectief gebruiken.
6.3.8 ruimte-innemende, ruimte doorstekende en
ruimte-omvattende creaties maken.

De leerlingen kennen
6.3.1 de volgende begrippen: tertiaire en
complementaire kleuren, signaal- en
camouflagekleuren, het silhouet, het perspectief,
kleurtinten en kleurtonen, driedimensionale vormen, de
architect.
6.3.2 de bouwstenen van beeld: ruimte, kleur, licht,
textuur, vorm, compositie, lijn.
6.3.9 de volgende begrippen: de optische illusie,
beeldhouwen.
KO

De kleuters kunnen
6.1.1 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen verkennen.
6.1.2 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen verkennen:
• muziek: de stem, het lied, de handtrom, de triangel,
    de tamboerijn, de fluit;
• beeld: het potlood, het penseel, de verf, de
    stempel, het tekenpapier;
• drama: de handpop, het toneel, de verkleedkleren,
    het masker;
• dans: de dans, de beweging, de kring, de rij;
• media: de (video)camera.
6.4.2 eenvoudige rollen spelen.
6.4.3 het stemgebruik aanpassen in functie van de rol.
6.4.4 een eenvoudige speelruimte benutten.
6.4.5 eenvoudige scènes spelen.

De kleuters kennen
6.4.1 de volgende begrippen: verzinnen, de rol, het
decor, het kostuum, de acteur.
6.4.6 de volgende begrippen: de handpop, het toneel,
de verkleedkleren, het masker.

L4

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen gebruiken.
6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen gebruiken:
• muziek: de woodblock, de toeter, de sleebel, de
    boomwhackers, de xylofoon;
• beeld: de graffiti, de waterverf, de plakkaatverf, de
    houtskool, de natuurklei;
• drama: het poppenspel, het schimmenspel;
• dans: de volksdans, het dansverhaal;
• media: de schijnwerper, de opnameapparatuur.
6.4.2 zich inleven in een personage en de rol
vasthouden.
6.4.3 lichaamstaal gebruiken.
6.4.4 zich richten naar en rekening houden met het
publiek tijdens het spelen.
6.4.5 op het juiste moment inspelen op de ander.

De leerlingen kennen
6.4.1 de volgende begrippen: het personage, tot leven
laten komen, de tegenspeler, de toneelschrijver, drama,
de mime, de scène, het script, de mimiek, de
rekwisieten, de belichting.
6.4.6 de volgende begrippen: het poppenspel, het
schimmenspel.

L6

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen toepassen.
6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen toepassen:
• muziek: de grafische partituur, de koebel, de Orff-
    instrumenten;
• beeld: de optische illusie, beeldhouwen;
• drama: het rollenspel, de theatertekst,
    improviseren;
• dans: de wals, de tango, de moderne dans, de
    hiphop, de breakdance ;
• media : de audiosoftware, de
    beeldbewerkingssoftware.
6.4.3 een personage geloofwaardig neerzetten.
6.4.4 een scenario ontwerpen.

De leerlingen kennen
6.4.1 de volgende begrippen: de monoloog, de dialoog,
de tragedie, de komedie, de pantomime, het scenario,
de regisseur.
6.4.2 de bouwstenen van drama: rol, handeling/taal,
ruimte, structuur, tijd, samenspel.
6.4.5 de volgende begrippen: het rollenspel, de
theatertekst, improviseren.
KO

De kleuters kunnen
6.1.1 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen verkennen.
6.1.2 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen verkennen:
• muziek: de stem, het lied, de handtrom, de triangel,
    de tamboerijn, de fluit;
• beeld: het potlood, het penseel, de verf, de
    stempel, het tekenpapier;
• drama: de handpop, het toneel, de verkleedkleren,
    het masker;
• dans: de dans, de beweging, de kring, de rij;
• media: de (video)camera.
6.5.2 in een bepaald ritme en tempo dansen.
6.5.3 een bepaald vloerpatroon uitvoeren.

L4

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen gebruiken.
6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen gebruiken:
• muziek: de woodblock, de toeter, de sleebel, de
    boomwhackers, de xylofoon;
• beeld: de graffiti, de waterverf, de plakkaatverf, de
    houtskool, de natuurklei;
• drama: het poppenspel, het schimmenspel;
• dans: de volksdans, het dansverhaal;
• media: de schijnwerper, de opnameapparatuur.
6.5.2 ritmische bewegingen versnellen en vertragen.
6.5.3 in een specifieke opstelling dansen.
6.5.4 zelf bewegingszinnen ontwerpen en uitvoeren.

L6

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen toepassen.
6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen toepassen:
• muziek: de grafische partituur, de koebel, de Orff-
    instrumenten;
• beeld: de optische illusie, beeldhouwen;
• drama: het rollenspel, de theatertekst,
    improviseren;
• dans: de wals, de tango, de moderne dans, de
    hiphop, de breakdance ;
• media : de audiosoftware, de
    beeldbewerkingssoftware.
6.5.3 de duurtijd van een beweging aanpassen.
6.5.4 in een bepaalde richting dansen.
6.5.5 een bewegingszin in een bepaalde volgorde
uitvoeren.

De kleuters kennen
6.5.1 de volgende begrippen: de snelle en trage, de
grote en kleine, de zware en lichte, de korte en lange.
6.5.6 de volgende begrippen: de dans, de beweging, de
kring, de rij.

6.5.5 synchroon dansen.
6.5.6 dansen vanuit een specifieke spierspanning.
6.5.7 bewegingen vergroten, verkleinen en vervormen.

De leerlingen kennen
6.5.1 de volgende begrippen: de volgorde, solo, duo, de
plaats in de ruimte, versnellen en vertragen.
6.5.8 de volgende begrippen: de volksdans, het
dansverhaal.

6.5.4 een frasering ontwerpen en uitvoeren rond een
thema.
6.5.5 op elkaar inspelen en elkaar volgen in een dans.
6.5.6 bewegingen overdrijven.

De leerlingen kennen
6.5.1 de volgende begrippen: de cadans, de
spierspanning, dansstijlen, de choreografie, slow
motion, het dansstuk, het evenwicht, opstellingen,
synchroon, leiden en volgen.
6.5.2 de bouwstenen van dans: tijd, vorm, kracht,
relatie, ruimte en structuur.
6.5.7 de volgende begrippen: de wals, de tango, de
moderne dans, de hiphop, de breakdance.
KO

De kleuters kunnen
6.1.1 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen verkennen.

L4

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen gebruiken.

L6

De leerlingen kunnen
6.1.3 technieken/vaardigheden van de vijf muzische
domeinen toepassen.
6.1.2 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen verkennen:
• muziek: de stem, het lied, de handtrom, de triangel,
    de tamboerijn, de fluit;
• beeld: het potlood, het penseel, de verf, de
    stempel, het tekenpapier;
• drama: de handpop, het toneel, de verkleedkleren,
    het masker;
• dans: de dans, de beweging, de kring, de rij;
• media: de (video)camera.
6.6.2 een onderwerp plaatsen binnen een beeld.
6.6.3 geluiden bedenken bij een verhaal.

De kleuters kennen
6.6.1 de volgende begrippen: de foto, de film, het
geluid, de stilte, de camera, de microfoon, in en buiten
beeld, dichtbij, veraf, het beeld, de klank.
6.6.4 het volgende begrip: de (video)camera.

6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen gebruiken:
• muziek: de woodblock, de toeter, de sleebel, de
    boomwhackers, de xylofoon;
• beeld: de graffiti, de waterverf, de plakkaatverf, de
    houtskool, de natuurklei;
• drama: het poppenspel, het schimmenspel;
• dans: de volksdans, het dansverhaal;
• media: de schijnwerper, de opnameapparatuur.
6.6.2 geluid vervormen.
6.6.3 de meest geschikte lichtbron en lichtrichting
bepalen.
6.6.4 diepte in het beeld creëren.
6.6.5 de plaats van een beeld en geluid in een verhaal
bepalen.

De leerlingen kennen
6.6.1 de volgende begrippen:
• de geluidsbron, het voor- en achtergrondgeluid, de
    animatie, het warm en koud licht, het storyboard;
• monteren, scherpstellen.
6.6.6 de volgende begrippen: de schijnwerper, de
opnameapparatuur.

6.1.4 vormgevingsmiddelen van de vijf muzische
domeinen toepassen:
• muziek: de grafische partituur, de koebel, de Orff-
    instrumenten;
• beeld: de optische illusie, beeldhouwen;
• drama: het rollenspel, de theatertekst,
    improviseren;
• dans: de wals, de tango, de moderne dans, de
    hiphop, de breakdance ;
• media : de audiosoftware, de
    beeldbewerkingssoftware.
6.6.3 effecten van belichting en samenspel tussen licht
en donker toepassen in functie van de boodschap.
6.6.4 verschillende camerastandpunten gebruiken in
functie van het beoogde effect.
6.6.5 beelden en geluiden monteren in functie van de
boodschap.

De leerlingen kennen
6.6.1 de volgende begrippen: de sfeer, het
camerastandpunt, het focuspunt.
6.6.2 de bouwstenen van media: geluid, kader, licht,
montage en beeldbewerking.
6.6.6 de volgende begrippen: de audiosoftware, de
beeldbewerkingssoftware.