Leerplannen Leerplandoelen
GE.220 Begrijpen L5

Illustreren de scharniermomenten van de historische periodes op de tijdsband.

Geschiedenis Historisch strategisch: perspectief en chronologie Chronologisch bewustzijn Historische tijd De eeuwenband

Leeftijd
10-11 jaar
Handelingswerkwoord
Illustreren
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L6 5.2.7
In de PDF
pagina 60

Leerlijn

Illustreren de scharniermomenten van de historische periodes op de tijdsband.

MIA
Scharniermomenten:
• prehistorie (ca. 3500 v.o.t.): ‘uitvinding’ van het schrift. Dit is een fundamentele
    breuklijn in de geschiedenis, omdat het schrift het mogelijk maakte om informatie
    systematisch vast te leggen en zo op grotere schaal een samenleving te organiseren
• oudheid (tot ca 500 o.t.): val van het West Romeinse rijk. Eind van de eeuwenlange
    overheersing van West-Europa door Rome.
• middeleeuwen (tot ca 1500 o.t.): de start van de ontdekkingsreizen en de
    boekdrukkunst
• vroegmoderne tijd (tot ca. 1800 o.t.): de Franse revolutie (1789) markeert de breuk
    met het ‘ancien régime’. Rond 1800 start ook de industriële revolutie
• moderne tijd (tot 1945 o.t.): Einde van de tweede wereldoorlog: einde van koloniale
    grootmachten, oprichting van de VN, start van technologische revoluties
• hedendaagse tijd (tot nu).

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch strategisch: perspectief en chronologie”
KO

De kleuters kunnen
5.2.2 enkele veranderingen tussen verleden en heden
opnoemen.
5.2.4 gebeurtenissen en eigen ervaringen chronologisch
ordenen.
5.2.5 drie gegeven bronnen uit het verleden
chronologisch ordenen met behulp van de begrippen:
heel lang geleden, lang geleden, nu.

L4

De leerlingen kunnen
5.2.5 gelijken en verschillen onderscheiden binnen en
tussen bestudeerde samenlevingen.
< bv. vergelijking van Mesopotamische en Egyptische
samenlevingen; of vergelijking van ervaringen van
mannen en vrouwen, boeren en reizende kooplieden,
binnen Mesopotamië >
5.2.6 aspecten van verandering en continuïteit
bespreken.
5.2.7 oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een
ontwikkeling verklaren.

L6

De leerlingen kunnen
5.2.3 typische historische vragen stellen met betrekking tot:
• continuïteit-verandering;
    < bv. wat veranderde er voor vrouwen in de 20e eeuw?
    >
• oorzaak-gevolg.
    < bv. welke impact had de Europese handel op het
    Kongo-koninkrijk?, waarom werd de Muur van Berlijn
    afgebroken? >
5.2.4 hun gedachten ordenen om typische historische
vragen te beantwoorden met betrekking tot:
2.3.18 zeggen welke dag van de week het vandaag is,
welke dag het gisteren was en welke dag het morgen zal
zijn.
2.3.19 gebeurtenissen tijdens de dag chronologisch
ordenen (seriëren).
2.3.20 aftellen tussen nu en speciale gebeurtenissen
binnen de periode van een week.

De kleuters kennen
5.2.3 de volgende begrippen: heel lang geleden, lang
geleden, nu, later, oud, nieuw.

2.3.16 de dagen van de week [F].
2.3.17 de volgende begrippen [F]:
● eerder, vroeger, later, eerst, dan, daarna, laatst;
● (te) laat, (te) vroeg;
● straks;
● (even) lang, (even) kort;
● langer, korter;
● langst, kortst;
● vandaag, gisteren, morgen;
● de dag, de week, het jaar.

5.2.8 een onderscheid tussen een perspectief van
mensen in het verleden en een hedendaags perspectief
op het verleden begrijpen.
5.2.11 aangereikte bronnen over de bestudeerde
historische periodes chronologisch ordenen.

De leerlingen kennen
5.2.9 de volgende begrippen: het verleden, het heden,
de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis.
5.2.10 de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t.

2.3.34 de maanden van het jaar [F].
2.3.35 het aantal dagen van de maanden [F].
2.3.36 de volgende begrippen [F]:
● het uur, het halfuur, het kwartier, de minuut, de
seconde;
● eergisteren, overmorgen;
● het jaar (365 dagen), het schrikkeljaar.

• continuïteit-verandering;
• oorzaak-gevolg.
5.2.5 hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen
over de perspectieven van mensen en groepen in het
verleden.
< bv. waarom was het zo belangrijk voor Afonso I dat zijn
zoon bisschop was?, waarom schafte de Europese clerus de
Congolese bisschopszetel gauw terug af?, waarom stelde
Pieter Bruegel de Oude “de Korenoogst” voor als erg hard
werken en armoedig? >
5.2.6 redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen
en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit
verschillende perspectieven.

De leerlingen kennen
5.2.7 de zes periodes van het gehanteerde historische
referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen,
vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.