Leerplannen Leerplandoelen
GE.162 Begrijpen L1 L2

Herkennen de regelmaat en de structuur van een jaar.

Geschiedenis Historisch strategisch: perspectief en chronologie Chronologisch bewustzijn Dagelijkse tijd

Leeftijd
6-7,7-8 jaar
Handelingswerkwoord
Herkennen
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L4 2.3.34
In de PDF
pagina 49

Leerlijn

Herkennen de regelmaat en de structuur van een jaar.

MIA
Het jaar:
• chronologische volgorde van maanden
• Een jaar is twaalf maanden.
• chronologisch ordenen van seizoenen
• Een jaar is vier seizoenen.
• maandplaat

Te hanteren begrippen
januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november,
december, de maand, de lente, de zomer, de herfst, de winter, het seizoen, het jaar

Voorbeelden
• Lux herkent de structuur van het jaar en weet dat na juli augustus komt en dat
    december vóór januari komt.
• Remco begrijpt de volgorde van de maanden en ziet dat de zomermaanden juli en
    augustus volgen op elkaar, terwijl het nieuwe jaar altijd in januari begint.

Hangt samen met

Wordt verwezen vanuit

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch strategisch: perspectief en chronologie”
KO

De kleuters kunnen
5.2.2 enkele veranderingen tussen verleden en heden
opnoemen.
5.2.4 gebeurtenissen en eigen ervaringen chronologisch
ordenen.
5.2.5 drie gegeven bronnen uit het verleden
chronologisch ordenen met behulp van de begrippen:
heel lang geleden, lang geleden, nu.

L4

De leerlingen kunnen
5.2.5 gelijken en verschillen onderscheiden binnen en
tussen bestudeerde samenlevingen.
< bv. vergelijking van Mesopotamische en Egyptische
samenlevingen; of vergelijking van ervaringen van
mannen en vrouwen, boeren en reizende kooplieden,
binnen Mesopotamië >
5.2.6 aspecten van verandering en continuïteit
bespreken.
5.2.7 oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een
ontwikkeling verklaren.

L6

De leerlingen kunnen
5.2.3 typische historische vragen stellen met betrekking tot:
• continuïteit-verandering;
    < bv. wat veranderde er voor vrouwen in de 20e eeuw?
    >
• oorzaak-gevolg.
    < bv. welke impact had de Europese handel op het
    Kongo-koninkrijk?, waarom werd de Muur van Berlijn
    afgebroken? >
5.2.4 hun gedachten ordenen om typische historische
vragen te beantwoorden met betrekking tot:
2.3.18 zeggen welke dag van de week het vandaag is,
welke dag het gisteren was en welke dag het morgen zal
zijn.
2.3.19 gebeurtenissen tijdens de dag chronologisch
ordenen (seriëren).
2.3.20 aftellen tussen nu en speciale gebeurtenissen
binnen de periode van een week.

De kleuters kennen
5.2.3 de volgende begrippen: heel lang geleden, lang
geleden, nu, later, oud, nieuw.

2.3.16 de dagen van de week [F].
2.3.17 de volgende begrippen [F]:
● eerder, vroeger, later, eerst, dan, daarna, laatst;
● (te) laat, (te) vroeg;
● straks;
● (even) lang, (even) kort;
● langer, korter;
● langst, kortst;
● vandaag, gisteren, morgen;
● de dag, de week, het jaar.

5.2.8 een onderscheid tussen een perspectief van
mensen in het verleden en een hedendaags perspectief
op het verleden begrijpen.
5.2.11 aangereikte bronnen over de bestudeerde
historische periodes chronologisch ordenen.

De leerlingen kennen
5.2.9 de volgende begrippen: het verleden, het heden,
de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis.
5.2.10 de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t.

2.3.34 de maanden van het jaar [F].
2.3.35 het aantal dagen van de maanden [F].
2.3.36 de volgende begrippen [F]:
● het uur, het halfuur, het kwartier, de minuut, de
seconde;
● eergisteren, overmorgen;
● het jaar (365 dagen), het schrikkeljaar.

• continuïteit-verandering;
• oorzaak-gevolg.
5.2.5 hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen
over de perspectieven van mensen en groepen in het
verleden.
< bv. waarom was het zo belangrijk voor Afonso I dat zijn
zoon bisschop was?, waarom schafte de Europese clerus de
Congolese bisschopszetel gauw terug af?, waarom stelde
Pieter Bruegel de Oude “de Korenoogst” voor als erg hard
werken en armoedig? >
5.2.6 redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen
en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit
verschillende perspectieven.

De leerlingen kennen
5.2.7 de zes periodes van het gehanteerde historische
referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen,
vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.