GE.148
Begrijpen
K2
K3
L1
Herkennen de regelmaat en de structuur van een dag.
Geschiedenis › Historisch strategisch: perspectief en chronologie › Chronologisch bewustzijn › Dagelijkse tijd
- Leeftijd
- 4-5,5-6,6-7 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- KO 2.3.16; KO.2.; KO 3.17; KO 2.3.19; L4 2.3.36
- In de PDF
- pagina 45
Leerlijn
Herkennen de regelmaat en de structuur van een dag.
MIA
Een dag:
• verloop
• opeenvolging van activiteiten; ordenen van gebeurtenissen
• associëren van delen van een dag met typische klasactiviteiten
Te hanteren begrippen
de morgen/de ochtend, de voormiddag, de middag, de namiddag, de avond, de nacht,
’s morgens, ’s middags, ’s avonds, ’s nachts, daarna, daarvoor, straks, later, vroeger, de
daglijn, de dag
Voorbeelden
• Ibrahim herkent de vaste ochtendroutine en zegt: "Elke ochtend beginnen we in
de kring."
• Ellis weet dat het bijna middag is en zegt: "De juf leest altijd een verhaaltje voor
we gaan eten.”
Hangt samen met
- Schakel AA.185 Bepalen welke dagelijkse gebeurtenissen bij dag en welke bij nacht horen. K2,K3,L1
- Vlag AA.181 Illustreren dat de zon overdag voor licht zorgt. K2
- Vlag WI.667 Verwoorden tijdstip en tijdsduur bij gebeurtenissen. K2
- Vlag WI.669 Verwoorden tijdstip en tijdsduur bij gebeurtenissen. K3
Wordt verwezen vanuit
- Vlag AA.181 Illustreren dat de zon overdag voor licht zorgt. K2
- Schakel AA.185 Bepalen welke dagelijkse gebeurtenissen bij dag en welke bij nacht horen. K2,K3,L1
- Schakel WI.667 Verwoorden tijdstip en tijdsduur bij gebeurtenissen. K2
- Vlag WI.668 Meten de duur van een activiteit. K2,K3
- Schakel WI.669 Verwoorden tijdstip en tijdsduur bij gebeurtenissen. K3
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch strategisch: perspectief en chronologie”
KO
De kleuters kunnen
5.2.2 enkele veranderingen tussen verleden en heden
opnoemen.
5.2.4 gebeurtenissen en eigen ervaringen chronologisch
ordenen.
5.2.5 drie gegeven bronnen uit het verleden
chronologisch ordenen met behulp van de begrippen:
heel lang geleden, lang geleden, nu.
L4
De leerlingen kunnen
5.2.5 gelijken en verschillen onderscheiden binnen en
tussen bestudeerde samenlevingen.
< bv. vergelijking van Mesopotamische en Egyptische
samenlevingen; of vergelijking van ervaringen van
mannen en vrouwen, boeren en reizende kooplieden,
binnen Mesopotamië >
5.2.6 aspecten van verandering en continuïteit
bespreken.
5.2.7 oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een
ontwikkeling verklaren.
L6
De leerlingen kunnen
5.2.3 typische historische vragen stellen met betrekking tot:
• continuïteit-verandering;
< bv. wat veranderde er voor vrouwen in de 20e eeuw?
>
• oorzaak-gevolg.
< bv. welke impact had de Europese handel op het
Kongo-koninkrijk?, waarom werd de Muur van Berlijn
afgebroken? >
5.2.4 hun gedachten ordenen om typische historische
vragen te beantwoorden met betrekking tot:
2.3.18 zeggen welke dag van de week het vandaag is, welke dag het gisteren was en welke dag het morgen zal zijn. 2.3.19 gebeurtenissen tijdens de dag chronologisch ordenen (seriëren). 2.3.20 aftellen tussen nu en speciale gebeurtenissen binnen de periode van een week. De kleuters kennen 5.2.3 de volgende begrippen: heel lang geleden, lang geleden, nu, later, oud, nieuw. 2.3.16 de dagen van de week [F]. 2.3.17 de volgende begrippen [F]: ● eerder, vroeger, later, eerst, dan, daarna, laatst; ● (te) laat, (te) vroeg; ● straks; ● (even) lang, (even) kort; ● langer, korter; ● langst, kortst; ● vandaag, gisteren, morgen; ● de dag, de week, het jaar. 5.2.8 een onderscheid tussen een perspectief van mensen in het verleden en een hedendaags perspectief op het verleden begrijpen. 5.2.11 aangereikte bronnen over de bestudeerde historische periodes chronologisch ordenen. De leerlingen kennen 5.2.9 de volgende begrippen: het verleden, het heden, de toekomst, de periode, de duur, geschiedenis. 5.2.10 de tijdsaanduidingen: v.o.t. en o.t. 2.3.34 de maanden van het jaar [F]. 2.3.35 het aantal dagen van de maanden [F]. 2.3.36 de volgende begrippen [F]: ● het uur, het halfuur, het kwartier, de minuut, de seconde; ● eergisteren, overmorgen; ● het jaar (365 dagen), het schrikkeljaar. • continuïteit-verandering; • oorzaak-gevolg. 5.2.5 hun historische kennis gebruiken om vragen te stellen over de perspectieven van mensen en groepen in het verleden. < bv. waarom was het zo belangrijk voor Afonso I dat zijn zoon bisschop was?, waarom schafte de Europese clerus de Congolese bisschopszetel gauw terug af?, waarom stelde Pieter Bruegel de Oude “de Korenoogst” voor als erg hard werken en armoedig? > 5.2.6 redeneringen over personen, groepen, gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden verwoorden vanuit verschillende perspectieven. De leerlingen kennen 5.2.7 de zes periodes van het gehanteerde historische referentiekader: prehistorie, oudheid, middeleeuwen, vroegmoderne tijd, moderne tijd, hedendaagse tijd.