GE.007
Begrijpen
L5
GO!-doel
Beschrijven hoe mensen zich doorheen de prehistorie ontwikkelden.
Geschiedenis › Historisch referentiekader › Historische periodes › Prehistorie
- Leeftijd
- 10-11 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- geen — GO!-doel op populatieniveau
- In de PDF
- pagina 5
Leerlijn
Beschrijven hoe mensen zich doorheen de prehistorie ontwikkelden.
Voorbeelden
Ontwikkelingen:
• rechtop lopen: Dit gaf vroege mensachtigen een beter overzicht van hun omgeving
en maakte hun handen vrij voor werktuigen en gebaren. Deze ontwikkeling begon
waarschijnlijk in Afrika, vooral in de regio van de Rift-vallei.
• ontwikkeling van taal: Communicatie verbeterde, wat samenwerking en sociale
banden versterkte. Neanderthalers hadden waarschijnlijk een eenvoudige vorm van
taal. Bij de Homo sapiens was taal verder ontwikkeld, wat samenwerking,
kennisoverdracht en migratie naar nieuwe gebieden vergemakkelijkte.
• complexere omgang met anderen: Sociale groepen werden groter en het
samenleven kreeg complexere structuren. In nederzettingen zoals Çatalhöyük
leefden mensen dicht op elkaar en ontstonden nieuwe vormen van samenwerking,
taakverdeling en organisatie. Çatalhöyük is een van de oudste bekende permanente
nederzettingen.
• werktuigen van brons en ijzer: Mensen leerden werktuigen en wapens van brons en
later van ijzer maken. Deze metalen werktuigen waren sterker en duurzamer dan
stenen werktuigen en verbeterden landbouw, ambacht en overlevingskansen. Deze
ontwikkelingen verspreidden zich over grote delen van Europa, waaronder de
Maasvallei, waar vroege landbouwgemeenschappen leefden.
• eerste migraties: Vroege mensen verspreidden zich vanuit Afrika (waarschijnlijk
vanuit de Rift-vallei) naar andere delen van de wereld, waaronder Flores, waar een
aparte mensensoort, Homo floresiensis, leefde.
• relaties tussen mens, dier en plant: Aan het einde van de prehistorie begonnen
mensen dieren te domesticeren en gewassen te verbouwen, wat leidde tot een
sedentaire levensstijl, waarbij mensen op vaste plekken gingen wonen.
Neanderthalers leefden sterk in afhankelijkheid van hun natuurlijke omgeving en
pasten zich aan koude klimaten aan door hun jachttechnieken, kleding en gebruik
van vuur.
• leven in het ritme van dag en nacht en seizoenen: Mensen leerden zich aan te
passen aan het klimaat en de cycli van de natuur, waardoor ze effectiever konden
jagen, verzamelen en uiteindelijk landbouw ontwikkelen. Kennis van seizoenen
werd belangrijk voor het plannen van voedselvoorziening en landbouwactiviteiten.
Hangt samen met
- Vlag BU.138 Illustreren migratie in onze samenleving. L4,L5,L6
Wordt verwezen vanuit
- Vlag BU.138 Illustreren migratie in onze samenleving. L4,L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Historisch referentiekader”
KO
De kleuters weten
5.1.1 hoe mensen tijdens de prehistorie overleefden en
samenleefden.
• ontwikkelingen: het gebruik van vuur, jagen, voedsel
verzamelen, werktuigen (steen en been), grot- en
muurschilderingen;
• personen en groepen: kleine groep (stam).
5.1.2 hoe mensen tijdens de oudheid overleefden en
samenleefden.
Egyptische samenleving
• ontwikkelingen: schrift (hiërogliefen, de Steen van
Rosetta, papyrus), bouwen en begraven;
• plaatsen: de Nijl, de piramides van Gizeh;
• personen en groepen: boer, priester, farao.
5.1.3 hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd
samenleefden.
• ontwikkelingen: veranderingen in het straatbeeld, het
interieur van een woning, technologie;
• plaatsen, personen en groepen:
o eigen woning, eigen stad, dorp of straat;
o familieherinneringen uit de kindertijd.
De kleuters kunnen
5.2.1 soorten bronnen vanuit de bestudeerde
samenlevingen benoemen:
• beenderen, fossielen, werktuig, rotsschildering, graf;
• standbeeld, foto, dagboek, brief.
5.2.2 enkele veranderingen tussen verleden en heden
opnoemen.
L4
De leerlingen weten
5.1.1 hoe mensen tijdens de prehistorie met de natuur
omgingen en samenleefden.
• ontwikkelingen: rechtop lopen, taal, omgang met
anderen, werktuigen (brons en ijzer), de eerste
migraties, relaties tussen mens-dier-plant, leven op
het ritme van dag/nacht/seizoenen;
• plaatsen: Afrika (Riftvallei), Flores, Maasvallei,
Çatalhöyük;
• personen en groepen: complexere sociale groepen,
Neanderthaler, Sapiens.
5.1.2 hoe mensen tijdens de oudheid overleefden,
samenleefden en hoe ze dachten.
Mesopotamië
• ontwikkelingen: standenmaatschappij,
beroepsspecialisatie, slavernij, handel,
irrigatielandbouw, spijkerschrift, epische verhalen;
• plaatsen: stroomgebied van Tigris en Eufraat,
stadstaat, ziggurat;
• personen en groepen: slaafgemaakten,
schriftgeleerde, koning;
• gebeurtenissen: Codex Hammurabi, Gilgamesj-epos.
De Griekse wereld
• ontwikkelingen: mythologie, religie, filosofie,
democratie, burgerrechten;
• plaatsen: Athene, de Akropolis, de berg Olympos;
• personen en groepen: de aristocratie, Socrates,
Archimedes, Hippocrates, vrouwen in de Griekse
oudheid;
• gebeurtenissen: de wetten van Solon.
De Romeinen
L6
De leerlingen weten
5.1.1 hoe mensen in de vroegmoderne tijd overleefden,
samenleefden en hoe ze dachten.
Afrika
• ontwikkelingen: mondelinge tradities, religie,
machtsverhoudingen, slavenhandel, staatsvorming;
• plaatsen: de Kongostroom;
• personen en groepen: Lukeni Lua Nimi, Portugese
handelaren, Afonso I, Garcia II van Kongo;
• gebeurtenissen: de oprichting van het Kongo-
koninkrijk, introductie van het Christendom.
Contacten tussen samenlevingen
• ontwikkelingen: uitwisseling van ideeën in kunst,
wetenschap en kosmologie,
• wereldimperialisme, Atlantische driehoekshandel;
• plaatsen: zijderoutes, handelspost, kolonie;
• personen en groepen: slaafgemaakten, zeevaarders,
Vermeer, Columbus, de West-Indische Compagnie, La
Malinche;
• gebeurtenissen: het ronden van Kaap de Goede
Hoop.
5.1.2 hoe mensen tijdens de moderne tijd met de natuur
omgingen, overleefden, samenleefden en dachten.
• ontwikkelingen: industriële en agrarische revolutie,
effecten van verstedelijking op leef- en
werkomstandigheden, leven op het ritme van de klok,
migratie, imperialisme, veranderende grenzen,
grondwetten, emancipatie;
• plaatsen, personen, groepen en gebeurtenissen:
o de Verklaring van de Rechten van de Mens
en van de Burger, het Burgerlijk Wetboek
• ontwikkelingen: imperialisme, identiteit en integratie,
migratie, handel over lange afstanden, culturele
uitwisseling, voedselproductie, dagelijks leven;
• plaatsen: wegennetwerk, keukens, Rome, Pompeii,
Carthago, Tongeren, Velzeke, Limes;
• personen en groepen: Hannibal, Cornelia, Caesar,
keizer Augustus, slaafgemaakten, de Kelten,
Germanen, Constantijn;
• gebeurtenissen: ontstaan van het christendom, Pax
Romana.
5.1.3 hoe mensen tijdens de middeleeuwen overleefden,
samenleefden en hoe ze dachten.
De Arabische wereld
• ontwikkelingen: het ontstaan en de verspreiding van
de islam, kennisontwikkeling, Arabische kunst;
• plaatsen: Bagdad (huis van wijsheid);
• personen en groepen: Al Ghazali, geleerden,
kaliefen;
• gebeurtenissen: schisma tussen sjiieten en
soennieten;
<de Slag van de Kameel>.
Europa
• ontwikkelingen: rurale en stedelijke samenleving,
ziekten (de pest), agrarische (r)evolutie, handel,
rechtspraak, machtsverhoudingen en ongelijkheid,
christendom;
• plaatsen: Brugge, Gent, kloosters en abdijen;
• personen en groepen: Hildegard van Bingen, de
Bourgondiërs, begijnen, gilde, ambachtslieden;
• gebeurtenissen: de keure van Kortenberg, het
drieslagstelsel.
Contacten tussen samenlevingen
• ontwikkelingen: interculturele contacten;
• plaatsen: Al-Andaluz, de moskee van Cordoba, het
Alhambra, Dorestad;
• personen en groepen: Maimonides, conversos,
vikingen, Rollo de Noorman;
• gebeurtenissen: de Reconquista, de belegering van
Parijs.
van Napoleon, de Belgische Grondwet, de
Bloednacht in Leuven;
o Charleroi, arbeiders en opdrachtgevers,
Lieven Bauwens, Emilie Claeys,
landschapsverandering (terrils, kleiputten,
kanalen, spoorwegen), landverhuizers;
o conferentie van Berlijn, de Onafhankelijke
Kongostaat, Union Minière du Haute-
Katanga, Paul Panda Farnana;
o Begraafplaatsen, monumenten en
gedenktekens van de Eerste Wereldoorlog,
Verdrag van Versailles.
5.1.3 hoe mensen tijdens de hedendaagse tijd
samenleefden.
• ontwikkelingen: internationale rivaliteit en
samenwerking; vrouwenemancipatie, burgerrechten;
informatie-, communicatie- en technologierevoluties,
ruimte-exploratie;
• plaatsen, personen, groepen en gebeurtenissen:
o het Fort van Breendonk en de Kazerne
Dossin, verzetsstrijders en collaborateurs;
o Verenigde Naties, Europese Unie, de Muur
van Berlijn;
o Rosa Parks, gastarbeiders, de pil, stemrecht
voor vrouwen, homohuwelijk;
o Neil Armstrong, het internet.
De leerlingen kunnen
5.2.1 aangereikt bewijs uit bronnen gebruiken bij het
antwoorden op historische vragen.
5.2.2 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de
vroegmoderne, moderne en hedendaagse tijd noemen.
5.2.3 typische historische vragen stellen met betrekking
tot:
• continuïteit-verandering;
< bv. wat veranderde er voor vrouwen in de 20e
eeuw? >
• oorzaak-gevolg.
< bv. welke impact had de Europese handel op het
Kongo-koninkrijk?, waarom werd de Muur van Berlijn
afgebroken? >
5.1.4 hoe mensen tijdens de vroegmoderne tijd
overleefden, samenleefden en hoe ze dachten.
Europa
• ontwikkelingen: religieuze conflicten, staatsvorming,
imperialisme, boekdrukkunst;
• plaatsen: Frankrijk, Duitse Rijk, Antwerpen;
• personen en groepen: Karel V, Plantijn, Lodewijk XIV;
• gebeurtenissen: de Vrede van Westfalen.
De leerlingen kunnen
5.2.4 diverse, veelgebruikte bronnen relevant voor de
oudheid, de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd
noemen.
5.2.5 gelijkenissen en verschillen onderscheiden binnen
en tussen bestudeerde samenlevingen.
< bv. vergelijking van Mesopotamische en Egyptische
samenlevingen; of vergelijking van ervaringen van
mannen en vrouwen, boeren en reizende kooplieden,
binnen Mesopotamië >
5.2.6 aspecten van verandering en continuïteit
bespreken.
5.2.7 oorzaken en gevolgen van een gebeurtenis of een
ontwikkeling verklaren.
5.2.8 een onderscheid tussen een perspectief van mensen
in het verleden en een hedendaags perspectief op het
verleden begrijpen.
5.2.4 hun gedachten ordenen om typische historische
vragen te beantwoorden met betrekking tot:
• continuïteit-verandering;
• oorzaak-gevolg.
5.2.5 hun historische kennis gebruiken om vragen te
stellen over de perspectieven van mensen en groepen in
het verleden.
< bv. waarom was het zo belangrijk voor Afonso I dat zijn
zoon bisschop was?, waarom schafte de Europese clerus de
Congolese bisschopszetel gauw terug af?, waarom stelde
Pieter Bruegel de Oude “de Korenoogst” voor als erg hard
werken en armoedig? >
5.2.6 redeneringen over personen, groepen,
gebeurtenissen en ontwikkelingen in het verleden
verwoorden vanuit verschillende perspectieven.