Leerplannen Leerplandoelen
FR.095 Gebruiken L5 L6

Vervoegen werkwoorden in de tegenwoordige tijd (lindicatif présent) in een zin.

Frans Grammatica Inzicht en toepassing van grammaticale structuren Werkwoordtijden

Leeftijd
10-11,11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Vervoegen
Verwerkingsaspect
Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
Minimumdoelen
L6 10.7.1; L6 10.7.6; L6 10.7.7; L6 10.7.8
In de PDF
pagina 25

Leerlijn

Vervoegen werkwoorden in de tegenwoordige tijd (lindicatif présent) in een zin.

Hangt samen met

Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Grammatica”
KO

L4

L6

De leerlingen kennen
10.6.1 de woorden en structuren vermeld in de
woordenlijst Frans.
10.7.1 in het Nederlands de volgende voor het Frans
relevante termen:
• klank, klinker, medeklinker, uitspraak;
• alfabet, letter, hoofdletter, kleine letter, trema,
    accent, koppelteken, apostrof, leesteken, punt,
    vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt,
    spatie, aanhalingsteken, afkorting;
• woord, lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
    naamwoord, voornaamwoord, werkwoord, bijwoord,
enkelvoud, meervoud, mannelijk, vrouwelijk, stam,
    uitgang, persoon, persoonsvorm, infinitief, tijd,
    tegenwoordige tijd, verleden tijd, nabije toekomst;
• zin, zinsdeel, onderwerp, persoonsvorm,
    woordgroep;
• vervoegen, vervoeging, overeenkomen,
    overeenkomst.

De leerlingen kunnen
10.7.2 in een tekst lidwoorden, zelfstandige
naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en
werkwoorden aanduiden.
10.7.3 in een tekst woordvormen met de begrippen
enkelvoud, meervoud, mannelijk en vrouwelijk verklaren.
10.7.4 in een tekst werkwoordsvormen met de begrippen
infinitief, persoon, vervoeging, uitgang, tegenwoordige
tijd, verleden tijd en nabije toekomst verklaren.
10.7.6 bij luisteren en lezen de volgende elementen
functioneel inzetten:
Morfologie
• getal en genus van lidwoorden, van zelfstandige en
    bijvoeglijke naamwoorden;
• persoonlijke voornaamwoorden:
      o als onderwerp;
      o als beklemtoonde vorm;
      o als lijdend voorwerp (enkel derde persoon).
• bijvoeglijk gebruikte aanwijzende, bezittelijke en
    vragende voornaamwoorden;
• werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd
    (indicatif présent), de verleden tijd (passé composé)
    en de nabije toekomst (futur proche).
Syntaxis
• zinsbouw, onderwerp en persoonsvorm;
• lidwoorden: bepaald, onbepaald, deelaanduidend,
    samengetrokken, na een ontkenning en na een
    hoeveelheid;
• overeenkomst tussen:
      o lidwoord en zelfstandig naamwoord;
      o bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig
          naamwoord;
o onderwerp en persoonsvorm;
      o persoonlijk voornaamwoord en antecedent.
• mededelende en vragende zinnen, zowel bevestigend
    als ontkennend;
• vraagtypes:
      o intonatievraag;
      o est-ce que bij ja-neevragen;
      o inversievraag enkel idiomatisch (bv. Quel
          temps fait-il? Quelle heure est-il?).
• enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen.
10.7.7 bij spreken de voornoemde grammaticale
elementen functioneel inzetten.
10.7.8 bij schrijven, met een vorm van ondersteuning, de
voornoemde grammaticale elementen functioneel
inzetten.