FR.089
Begrijpen
L5
Herkennen voorzetsels.
Frans › Grammatica › Inzicht en toepassing van grammaticale structuren › Woordsoorten, woordvorming en woordgeslachten
- Leeftijd
- 10-11 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L6 10.6.1
- In de PDF
- pagina 24
Leerlijn
Herkennen voorzetsels. MIA Voorzetsels: dans, sur, sous, devant, derrière, à, en, avec, pour
Wordt verwezen vanuit
- Schakel FR.013 Leiden eenvoudige relaties en verbanden af in een beluisterde tekst. L5,L6
- Schakel FR.026 Leiden eenvoudige relaties en verbanden af in een gelezen tekst. L5,L6
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Grammatica”
KO
L4
L6
De leerlingen kennen
10.6.1 de woorden en structuren vermeld in de
woordenlijst Frans.
10.7.1 in het Nederlands de volgende voor het Frans
relevante termen:
• klank, klinker, medeklinker, uitspraak;
• alfabet, letter, hoofdletter, kleine letter, trema,
accent, koppelteken, apostrof, leesteken, punt,
vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt,
spatie, aanhalingsteken, afkorting;
• woord, lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
naamwoord, voornaamwoord, werkwoord, bijwoord,
enkelvoud, meervoud, mannelijk, vrouwelijk, stam,
uitgang, persoon, persoonsvorm, infinitief, tijd,
tegenwoordige tijd, verleden tijd, nabije toekomst;
• zin, zinsdeel, onderwerp, persoonsvorm,
woordgroep;
• vervoegen, vervoeging, overeenkomen,
overeenkomst.
De leerlingen kunnen
10.7.2 in een tekst lidwoorden, zelfstandige
naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en
werkwoorden aanduiden.
10.7.3 in een tekst woordvormen met de begrippen
enkelvoud, meervoud, mannelijk en vrouwelijk verklaren.
10.7.4 in een tekst werkwoordsvormen met de begrippen
infinitief, persoon, vervoeging, uitgang, tegenwoordige
tijd, verleden tijd en nabije toekomst verklaren.
10.7.6 bij luisteren en lezen de volgende elementen
functioneel inzetten:
Morfologie
• getal en genus van lidwoorden, van zelfstandige en
bijvoeglijke naamwoorden;
• persoonlijke voornaamwoorden:
o als onderwerp;
o als beklemtoonde vorm;
o als lijdend voorwerp (enkel derde persoon).
• bijvoeglijk gebruikte aanwijzende, bezittelijke en
vragende voornaamwoorden;
• werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd
(indicatif présent), de verleden tijd (passé composé)
en de nabije toekomst (futur proche).
Syntaxis
• zinsbouw, onderwerp en persoonsvorm;
• lidwoorden: bepaald, onbepaald, deelaanduidend,
samengetrokken, na een ontkenning en na een
hoeveelheid;
• overeenkomst tussen:
o lidwoord en zelfstandig naamwoord;
o bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig
naamwoord;
o onderwerp en persoonsvorm;
o persoonlijk voornaamwoord en antecedent.
• mededelende en vragende zinnen, zowel bevestigend
als ontkennend;
• vraagtypes:
o intonatievraag;
o est-ce que bij ja-neevragen;
o inversievraag enkel idiomatisch (bv. Quel
temps fait-il? Quelle heure est-il?).
• enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen.
10.7.7 bij spreken de voornoemde grammaticale
elementen functioneel inzetten.
10.7.8 bij schrijven, met een vorm van ondersteuning, de
voornoemde grammaticale elementen functioneel
inzetten.