Leerplannen Leerplandoelen
FR.087 Begrijpen L6

Herkennen signaal- en verwijswoorden.

Frans Grammatica Inzicht en toepassing van grammaticale structuren Woordsoorten, woordvorming en woordgeslachten

Leeftijd
11-12 jaar
Handelingswerkwoord
Herkennen
Verwerkingsaspect
Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
Minimumdoelen
L6 10.6.1
In de PDF
pagina 24

Leerlijn

Herkennen signaal- en verwijswoorden.

MIA
Signaal- en verwijswoorden:
• oorzaak-gevolg: parce que, donc, alors, si
• vergelijking: comme, plus que, moins que
• tegenstelling: mais
• opeenvolging: d’abord, puis, après, enfin
• opsomming: et, ou

Te hanteren begrippen
parce que, donc, alors, si, comme, plus que, moins que, mais, d’abord, puis, après, enfin,
et, ou
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Grammatica”
KO

L4

L6

De leerlingen kennen
10.6.1 de woorden en structuren vermeld in de
woordenlijst Frans.
10.7.1 in het Nederlands de volgende voor het Frans
relevante termen:
• klank, klinker, medeklinker, uitspraak;
• alfabet, letter, hoofdletter, kleine letter, trema,
    accent, koppelteken, apostrof, leesteken, punt,
    vraagteken, uitroepteken, komma, dubbele punt,
    spatie, aanhalingsteken, afkorting;
• woord, lidwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk
    naamwoord, voornaamwoord, werkwoord, bijwoord,
enkelvoud, meervoud, mannelijk, vrouwelijk, stam,
    uitgang, persoon, persoonsvorm, infinitief, tijd,
    tegenwoordige tijd, verleden tijd, nabije toekomst;
• zin, zinsdeel, onderwerp, persoonsvorm,
    woordgroep;
• vervoegen, vervoeging, overeenkomen,
    overeenkomst.

De leerlingen kunnen
10.7.2 in een tekst lidwoorden, zelfstandige
naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden en
werkwoorden aanduiden.
10.7.3 in een tekst woordvormen met de begrippen
enkelvoud, meervoud, mannelijk en vrouwelijk verklaren.
10.7.4 in een tekst werkwoordsvormen met de begrippen
infinitief, persoon, vervoeging, uitgang, tegenwoordige
tijd, verleden tijd en nabije toekomst verklaren.
10.7.6 bij luisteren en lezen de volgende elementen
functioneel inzetten:
Morfologie
• getal en genus van lidwoorden, van zelfstandige en
    bijvoeglijke naamwoorden;
• persoonlijke voornaamwoorden:
      o als onderwerp;
      o als beklemtoonde vorm;
      o als lijdend voorwerp (enkel derde persoon).
• bijvoeglijk gebruikte aanwijzende, bezittelijke en
    vragende voornaamwoorden;
• werkwoordsvormen in de tegenwoordige tijd
    (indicatif présent), de verleden tijd (passé composé)
    en de nabije toekomst (futur proche).
Syntaxis
• zinsbouw, onderwerp en persoonsvorm;
• lidwoorden: bepaald, onbepaald, deelaanduidend,
    samengetrokken, na een ontkenning en na een
    hoeveelheid;
• overeenkomst tussen:
      o lidwoord en zelfstandig naamwoord;
      o bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig
          naamwoord;
o onderwerp en persoonsvorm;
      o persoonlijk voornaamwoord en antecedent.
• mededelende en vragende zinnen, zowel bevestigend
    als ontkennend;
• vraagtypes:
      o intonatievraag;
      o est-ce que bij ja-neevragen;
      o inversievraag enkel idiomatisch (bv. Quel
          temps fait-il? Quelle heure est-il?).
• enkelvoudige en eenvoudig samengestelde zinnen.
10.7.7 bij spreken de voornoemde grammaticale
elementen functioneel inzetten.
10.7.8 bij schrijven, met een vorm van ondersteuning, de
voornoemde grammaticale elementen functioneel
inzetten.