FR.030
Gebruiken
L5
L6
Vormen zinnen vanuit een context.
- Leeftijd
- 10-11,11-12 jaar
- Handelingswerkwoord
- Vormen
- Verwerkingsaspect
- Gebruiken — procedurele kennis — weten hoe
- Minimumdoelen
- L6 10.3.3
- In de PDF
- pagina 8,9
Leerlijn
Vormen zinnen vanuit een context.
MIA
Vormen:
mondeling
vanuit opgegeven woorden
Zinnen:
met minimaal een onderwerp en een persoonsvorm
Voorbeelden
Zinnen vormen:
• zin bouwen met aangereikte woorden: Acheter/maman/pommes - Maman achète
des pommes.
• maak de zin af : Je mange … - Je mange un œuf.
• zin uitbreiden : Nous sommes en France. (visiter/ un château/ aujourd’hui) -
Aujourd’hui nous sommes en France pour visiter un château.
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Spreken”
KO L4 L6 De leerlingen kunnen 10.3.1 een tweemaal beluisterde zin van 5 à 7 aangeleerde woorden na 1 à 2 seconden vlot nazeggen als bevestiging van begrip en automatisering. 10.3.2 geschreven zinnen van elk 6 à 8 aangeleerde woorden vlot luidop lezen. 10.3.3 vanuit een context zinnen vormen vanuit opgegeven woorden. 10.3.4 zinnen vormen met aanpassing van opgegeven woorden (genus, getal, persoonsvorm). 10.3.5 zinnen omvormen van bevestigend naar ontkennend en omgekeerd. 10.3.6 zinnen omvormen qua tijden – tegenwoordige tijd (indicatif présent), verleden tijd (passé composé), nabije toekomst (futur proche). 10.3.7 beluisterde of gelezen Nederlandse zinnen van een 3 à 5 woorden vlot mondeling naar het Frans vertalen. 10.3.8 met een vorm van ondersteuning de gegevens van een tekst mondeling opsommen. 10.3.9 met een vorm van ondersteuning de inhoud van een tekst mondeling beschrijven. 10.3.10 zinnen vormen op basis van een afbeelding of uitbeelding.