BU.043
Begrijpen
K2
K3
Herkennen verkeersregels en -signalen.
Burgerschap › Democratische samenleving › Maatschappelijke participatie: actief burgerschap › Conventioneel burgerschap: deelnemen aan het verkeer › Verkeersregels en -signalen
- Leeftijd
- 4-5,5-6 jaar
- Handelingswerkwoord
- Herkennen
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- KO 9.1.1
- In de PDF
- pagina 16
Leerlijn
Herkennen verkeersregels en -signalen.
MIA
Verkeersregels en -signalen:
• Verkeerslichten voor voetgangers en fietsers
• Stop bij een stopbord.
• Speel niet op of bij de straat.
• Blijf als voetganger op het voetpad of de berm.
• Stap als voetganger langs de huizenkant.
• Je mag op het voetpad en de verhoogde berm fietsen als je jonger dan 10 jaar bent*.
• Steek over op een veilige plaats. Regel: Steek altijd over op een zebrapad of bij een
verkeerslicht, en wacht tot het licht groen is of tot het veilig is om over te steken.
Maak altijd oogcontact met aankomende bestuurders voor je oversteekt.
• Kijk goed bij het oversteken. Regel: Voordat je de straat oversteekt, moet je eerst naar
links, dan naar rechts, en opnieuw naar links kijken om te controleren of er geen
voertuigen aankomen.
• In de auto moet je in het kinderzitje zitten en de veiligheidsgordel om hebben.
Te hanteren begrippen
het rood licht, het groen licht, het zebrapad, oversteken, stoppen
* vanaf 1 juni 2027: als je jonger dan 12 jaar bent
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Democratische samenleving”
KO De kleuters kennen 5.3.1 de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen. De kleuters kunnen 9.3.4 volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen en beantwoorden. L4 De leerlingen kennen 9.1.17 hun voornaamste rechten en plichten onder het VN-kinderrechtenverdrag, waaronder: • recht op onderwijs; • recht op privacy; • recht op vrije tijd; • recht op eigen identiteit; • recht op veiligheid en bescherming. 5.3.1 de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid. De leerlingen weten 9.1.18 dat volwassenen met de belangen van kinderen rekening moeten houden. De leerlingen kunnen 9.1.19 in hun eigen leefwereld herkennen hoe kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden. 5.3.2 principes van een democratische rechtsstaat herkennen in de bestudeerde samenlevingen uit het verleden. L6 De leerlingen kennen 9.1.14 organisaties die zich inzetten voor kinder- en mensenrechten. 5.3.1 de begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: democratie, regering, parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet, vrijheid. De leerlingen weten 9.1.15 wat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is. 9.1.16 hoe mensenrechten en kinderrechten zich tot elkaar verhouden. <bv. Kinderen hebben geen stemrecht> De leerlingen kunnen 9.1.17 illustreren hoe kinder- en mensenrechten in de maatschappij geschonden worden en hoe mensen voor deze rechten strijd voeren.
KO
De kleuters kennen
5.3.1 de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen.
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels,
afspraken en signalen:
• zebrapad;
• verkeerslichten voor voetgangers en fietsers;
• stoppen bij een stopbord;
• niet spelen op of bij de straat;
• als voetganger op het voetpad of de berm blijven en
langs de huizenkant stappen;
• op het voetpad en de verhoogde berm fietsen tot 10
jaar;
• goed kijken bij het oversteken.
9.1.2 het belang van een veilige voetgangers- of
fietsuitrusting: fluorescerende kledij en fietshelm.
De kleuters weten
9.1.3 dat ze in een noodsituatie meteen een volwassene
moeten verwittigen.
De kleuter kunnen
9.3.4 volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen
en beantwoorden.
L4
De leerlingen kennen
5.3.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen,
vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels,
afspraken, gelijkheid.
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels en
signalen:
• hoe veilig oversteken als er geen voorzieningen zijn;
• fietsen op het fietspad rechts in de rijrichting of het
voetpad;
• auditieve signalen: fietsbel, bel, tram, claxon;
• fluitsignaal en armgebaren van een politieagent;
• handgebaren van een gemachtigd opzichter;
• bel- en lichtsignalen van hulpdiensten (brandweer,
ambulance, politie);
• waarschuwingssignalen op een spoorwegovergang:
knipperende rode lichten en een belgeluid;
• gevaarsborden waaronder A31 en A33;
• voorrangsborden waaronder B5;
• gebodsborden waaronder D1, D7, D10, D11;
• verbodsborden waaronder C3, C11, C19;
• aanwijsborden waaronder F49, F50.
9.1.2 het belang van een veilige voetgangers- of
fietsuitrusting: geen koptelefoon dragen.
9.1.3 de verplichte minimale fietsuitrusting.
9.1.6 het noodnummer 112.
9.1.17 hun voornaamste rechten en plichten onder het VN-
kinderrechtenverdrag, waaronder
• recht op onderwijs;
• recht op privacy;
• recht op vrije tijd;
• recht op eigen identiteit;
• recht op veiligheid en bescherming.
De leerlingen kunnen
L6
De leerlingen kennen
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels en
signalen:
• voetgangers op het zebrapad hebben voorrang;
• passagiers van een bus of tram hebben bij het uit- of
instappen voorrang;
• een bus, die de bushalte verlaat, heeft voorrang;
• de algemene voorrangsregel ‘voorrang van rechts’;
• de wegmarkeringen: stopstreep, haaientanden,
fietsoversteekplaats, fietsopstelvlak;
• gevaarsborden waaronder A21, A41, A47;
• voorrangsborden waaronder B1, B9, B11, B15a, B17,
B19, B21;
• gebodsborden waaronder D1a, D1b, D5;
• verbodsborden waaronder C1, C31b;
• aanwijsborden waaronder F14, F45, F111, F113;
• onderborden betreffende fietsen en bromfietsen
waaronder M2, M5bis.
De leerlingen kunnen
9.1.5 gevarenpictogrammen van materialen en
substanties en veiligheidsvoorschriften naleven.
De leerlingen weten
9.1.15 wat de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens is.
9.1.4 zich als voetganger en fietser op de openbare weg onder begeleiding verplaatsen en de verkeersregels en signalisaties naleven. 9.1.5 als voetganger en fietser anticiperen op risicovolle situaties in het verkeer: • de dode hoek; • voorrangsregels voor de tram en de bus; • voorrangsregels voor de hulpdiensten. 9.1.10 een noodoproep uitvoeren in een gesimuleerde situatie. 9.1.19 in hun eigen leefwereld herkennen hoe kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden.
KO L4 L6 De leerlingen kennen 9.1.6 de Belgische federale staatstructuur met drie gemeenschappen (Vlaams, Frans en Duitstalig) en drie gewesten (Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk). Ze weten dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen. 9.1.10 de erkende symbolen van de Vlaamse gemeenschap (feestdag, vlag, wapen, memoriaal en volkslied).