BU.016
Begrijpen
L3
L4
Beschrijven de belangrijke principes bij democratische verkiezingen.
Burgerschap › Democratische samenleving › Maatschappelijke basiswaarden › Verkiezingen
- Leeftijd
- 8-9,9-10 jaar
- Handelingswerkwoord
- Beschrijven
- Verwerkingsaspect
- Begrijpen — declaratieve kennis — weten wat
- Minimumdoelen
- L4 5.3.1
- In de PDF
- pagina 6,7
Leerlijn
Beschrijven de belangrijke principes bij democratische verkiezingen.
MIA
Democratische verkiezingen:
• op niveau van de school: kandidaten en verkiezingen van de leerlingenraad
• op niveau van de samenleving: Democratie maakt gebruik van regelmatige, vrije en
eerlijke verkiezingen waarin burgers kunnen stemmen op kandidaten of partijen. Dit
stelt hen in staat om hun voorkeuren te uiten en invloed uit te oefenen op het beleid.
Principes:
• Iedereen mag stemmen.
• De kiezers stemmen vrij en in het geheim.
• Elke stem telt even zwaar.
• Regelmatige en eerlijke verkiezingen zorgen ervoor dat vertegenwoordigers de
wensen van de kiezer uitvoeren.
• De verkozen personen nemen beslissingen voor anderen (vertegenwoordiging).
Te hanteren begrippen
de democratie, de kiezer, de stem, de vertegenwoordiger, de vertegenwoordiging, de
eerlijkheid, het geheim, de gelijkheid, de politieke partij, het stemrecht, de stemplicht, de
opkomstplicht, de macht, de campagne, de meerderheid, de minderheid
Voorbeelden
• Niels legt uit dat bij de verkiezingen voor de leerlingenraad elke klas één
vertegenwoordiger kiest door middel van stemming zodat iedereen een eerlijke kans
krijgt om mee te beslissen.
• Tine beschrijft hoe na het stemmen alle stemmen worden geteld en de kandidaat met
de meeste stemmen wordt gekozen, wat een belangrijk principe is in democratische
verkiezingen.
Gekoppelde minimumdoelen bij het onderwerp “Democratische samenleving”
KO De kleuters kennen 5.3.1 de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen. De kleuters kunnen 9.3.4 volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen en beantwoorden. L4 De leerlingen kennen 9.1.17 hun voornaamste rechten en plichten onder het VN-kinderrechtenverdrag, waaronder: • recht op onderwijs; • recht op privacy; • recht op vrije tijd; • recht op eigen identiteit; • recht op veiligheid en bescherming. 5.3.1 de volgende begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen, vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels, afspraken, gelijkheid. De leerlingen weten 9.1.18 dat volwassenen met de belangen van kinderen rekening moeten houden. De leerlingen kunnen 9.1.19 in hun eigen leefwereld herkennen hoe kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden. 5.3.2 principes van een democratische rechtsstaat herkennen in de bestudeerde samenlevingen uit het verleden. L6 De leerlingen kennen 9.1.14 organisaties die zich inzetten voor kinder- en mensenrechten. 5.3.1 de begrippen met betrekking tot de principes van de democratische rechtsstaat: democratie, regering, parlement, rechtbank, bescherming, wetten, grondwet, vrijheid. De leerlingen weten 9.1.15 wat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is. 9.1.16 hoe mensenrechten en kinderrechten zich tot elkaar verhouden. <bv. Kinderen hebben geen stemrecht> De leerlingen kunnen 9.1.17 illustreren hoe kinder- en mensenrechten in de maatschappij geschonden worden en hoe mensen voor deze rechten strijd voeren.
KO
De kleuters kennen
5.3.1 de volgende begrippen: mening, overleg, stemmen.
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels,
afspraken en signalen:
• zebrapad;
• verkeerslichten voor voetgangers en fietsers;
• stoppen bij een stopbord;
• niet spelen op of bij de straat;
• als voetganger op het voetpad of de berm blijven en
langs de huizenkant stappen;
• op het voetpad en de verhoogde berm fietsen tot 10
jaar;
• goed kijken bij het oversteken.
9.1.2 het belang van een veilige voetgangers- of
fietsuitrusting: fluorescerende kledij en fietshelm.
De kleuters weten
9.1.3 dat ze in een noodsituatie meteen een volwassene
moeten verwittigen.
De kleuter kunnen
9.3.4 volgens de klas- en schoolafspraken vragen stellen
en beantwoorden.
L4
De leerlingen kennen
5.3.1 de volgende begrippen met betrekking tot de
principes van de democratische rechtsstaat: verkiezingen,
vertegenwoordiging, macht, rechten, plichten, regels,
afspraken, gelijkheid.
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels en
signalen:
• hoe veilig oversteken als er geen voorzieningen zijn;
• fietsen op het fietspad rechts in de rijrichting of het
voetpad;
• auditieve signalen: fietsbel, bel, tram, claxon;
• fluitsignaal en armgebaren van een politieagent;
• handgebaren van een gemachtigd opzichter;
• bel- en lichtsignalen van hulpdiensten (brandweer,
ambulance, politie);
• waarschuwingssignalen op een spoorwegovergang:
knipperende rode lichten en een belgeluid;
• gevaarsborden waaronder A31 en A33;
• voorrangsborden waaronder B5;
• gebodsborden waaronder D1, D7, D10, D11;
• verbodsborden waaronder C3, C11, C19;
• aanwijsborden waaronder F49, F50.
9.1.2 het belang van een veilige voetgangers- of
fietsuitrusting: geen koptelefoon dragen.
9.1.3 de verplichte minimale fietsuitrusting.
9.1.6 het noodnummer 112.
9.1.17 hun voornaamste rechten en plichten onder het VN-
kinderrechtenverdrag, waaronder
• recht op onderwijs;
• recht op privacy;
• recht op vrije tijd;
• recht op eigen identiteit;
• recht op veiligheid en bescherming.
De leerlingen kunnen
L6
De leerlingen kennen
9.1.1 de betekenis van volgende verkeersregels en
signalen:
• voetgangers op het zebrapad hebben voorrang;
• passagiers van een bus of tram hebben bij het uit- of
instappen voorrang;
• een bus, die de bushalte verlaat, heeft voorrang;
• de algemene voorrangsregel ‘voorrang van rechts’;
• de wegmarkeringen: stopstreep, haaientanden,
fietsoversteekplaats, fietsopstelvlak;
• gevaarsborden waaronder A21, A41, A47;
• voorrangsborden waaronder B1, B9, B11, B15a, B17,
B19, B21;
• gebodsborden waaronder D1a, D1b, D5;
• verbodsborden waaronder C1, C31b;
• aanwijsborden waaronder F14, F45, F111, F113;
• onderborden betreffende fietsen en bromfietsen
waaronder M2, M5bis.
De leerlingen kunnen
9.1.5 gevarenpictogrammen van materialen en
substanties en veiligheidsvoorschriften naleven.
De leerlingen weten
9.1.15 wat de Universele Verklaring van de Rechten van
de Mens is.
9.1.4 zich als voetganger en fietser op de openbare weg onder begeleiding verplaatsen en de verkeersregels en signalisaties naleven. 9.1.5 als voetganger en fietser anticiperen op risicovolle situaties in het verkeer: • de dode hoek; • voorrangsregels voor de tram en de bus; • voorrangsregels voor de hulpdiensten. 9.1.10 een noodoproep uitvoeren in een gesimuleerde situatie. 9.1.19 in hun eigen leefwereld herkennen hoe kinderrechten gewaarborgd of geschonden worden.
KO L4 L6 De leerlingen kennen 9.1.6 de Belgische federale staatstructuur met drie gemeenschappen (Vlaams, Frans en Duitstalig) en drie gewesten (Vlaams, Waals en Brussels Hoofdstedelijk). Ze weten dat elk een eigen bestuur heeft waar beslissingen worden genomen. 9.1.10 de erkende symbolen van de Vlaamse gemeenschap (feestdag, vlag, wapen, memoriaal en volkslied).