Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

28 doelen

CSV downloaden filters wissen

vak: WI ✕ Geld ✕

  1. WI.627 Begrijpen K1 K2 KO 2.3.10

    Herkennen muntstukken en bankbiljetten.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

  2. WI.628 Gebruiken K2 KO 2.3.11; KO 2.3.14; KO 2.3.15

    Betalen met muntstukken van €1.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Muntstukken:
    tot en met 5 euro

    Te hanteren begrippen

    kosten, betalen, kopen, verkopen

    Voorbeelden

    In de speelgoedwinkel koopt Lisa een bal, een speelgoedauto en een pop. Ze betaalt
    met 3 munten van €1.
  3. WI.629 Gebruiken K2 K3 KO 2.3.11; KO 2.3.12

    Geven bij een object een prijs weer.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weergeven:
    • schematisch noteren

    Te hanteren begrippen

    de prijs, de euro, het geld

    Voorbeelden

    Victor maakt een prijslijst voor zijn ijsjeskraam. Hij noteert 1 streep bij 1 bol ijs, 2
    strepen bij 2 bollen ijs en 3 strepen bij 3 bollen ijs.
  4. WI.630 Gebruiken K3 KO 2.3.12; KO 2.3.13

    Geven bij een object een prijs weer.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Weergeven:
    • met een getal
  5. WI.631 Begrijpen K3 KO 2.3.11

    Illustreren de betekenis van geven, krijgen, kopen, verkopen, ruilen, sparen, geld, kosten en betalen.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Illustreren:
    • met concreet materiaal
    • met speelgoedgeld

    Te hanteren begrippen

    geven, krijgen, ruilen, sparen, goedkoop, duur, goedkoper, duurder, kost meer, kost
    minder, goedkoopst, duurst
  6. WI.632 Gebruiken K3 KO 2.3.13; KO 2.3.14; KO 2.3.15

    Betalen met muntstukken van €1..

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betalen:
    totale som van de aankoop ≤ 10
    • inclusief vergelijken van prijzen
    • 1 of meer objecten

    Voorbeelden

    Bij de groentenboer koopt Yoni een appel, een banaan en een peer. De appel kost €1, de
    banaan kost €2 en de peer €3. Ze legt de muntstukken en ziet dat het samen €6 is. De
    peer is duurder dan de appel. De banaan is goedkoper dan de peer.
  7. WI.633 Begrijpen L1 L4 2.3.26; L4 2.3.27

    Herkennen muntstukken en bankbiljetten.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Muntstukken:
    • 1 euro en 2 euro
    
    Bankbiljetten:
    • 5, 10 en 20 euro
    
    Wiskundige notatie:
    €

    Te hanteren begrippen

    het bankbiljet, het muntstuk
  8. WI.634 Gebruiken L1 L4 2.3.29

    Tellen verkort een bedrag.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bedrag:
    ≤ € 20
    
    Verkort:
    eerst de muntstukken/bankbiljetten met de grootste waarde, dan die met de kleinste
  9. WI.635 Gebruiken L1 L4 2.3.29

    Betalen een bedrag.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bedrag:
    ≤ € 20
    
    Betalen:
    gepast
    op verschillende manieren

    Voorbeelden

    Harald moet €16 betalen. Dit doet hij met €10, €5 en €1 of met 3 maal €5 en één
    muntstuk van €1.
  10. WI.636 Gebruiken L1 L4 2.3.30

    Bepalen de totale prijs van verschillende artikelen.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Totale prijs:
    som ≤ € 20
    • inclusief notatie
  11. WI.637 Gebruiken L1 L4 2.3.29

    Bepalen welk bedrag je moet teruggeven/terugkrijgen.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bedrag:
    aftrektal ≤ € 20
    
    Bepalen:
    door indirect op te tellen of door af te trekken (aftrektal ≤ € 20)
  12. WI.638 Begrijpen L2 L4 2.3.26; L4 2.3.27

    Herkennen muntstukken en bankbiljetten.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Muntstukken:
    • 1 euro en 2 euro
    • (1, 2)*, 5, 10, 20 en 50 eurocent
    
    Bankbiljetten:
    • 5, 10, 20, 50 en 100 euro
    
    Wiskundige notatie:
    €

    Te hanteren begrippen

    de eurocent, de euro
    
    *indien deze muntstukken nog gebruikt worden
  13. WI.639 Gebruiken L2 L4 2.3.29

    Tellen verkort een bedrag.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bedrag:
    • ≤ 100 euro
    • ≤ 100 eurocent
    
    Verkort:
    eerst de muntstukken/bankbiljetten met de grootste waarde, dan die met de kleinste
  14. WI.640 Begrijpen L2 L3 L4 2.3.28

    Verwoorden dat één euro gelijk is aan honderd eurocent.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

  15. WI.641 Gebruiken L2 L3 L4 2.3.29

    Betalen een bedrag.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bedrag:
    • ≤ 100 euro
    • ≤ 100 eurocent
    
    Betalen:
    gepast
    op verschillende manieren

    Voorbeelden

    • Paulus betaalt 58 euro met €50, €5, €2 en €1 of met 2 maal €20, €10, €5 en drie
        maal €1.
    • Liam betaalt 62 eurocent met 50 eurocent, 10 eurocent en 2 eurocent of met 3
        maal 20 eurocent en 2 maal 1 eurocent.
  16. WI.642 Gebruiken L2 L3 L4 2.3.30

    Bepalen de totale prijs van verschillende artikelen.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Totale prijs:
    natuurlijke getallen
    • som ≤ 100 euro
    • som ≤ 100 eurocent
    • inclusief notatie
  17. WI.643 Gebruiken L2 L3 L4 2.3.29

    Bepalen welk bedrag je moet teruggeven/terugkrijgen.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bedrag:
    geen samengesteld bedrag
    • aftrektal ≤ 100 euro
    • aftrektal ≤ 100 eurocent
    
    Bepalen:
    door indirect op te tellen of door af te trekken
  18. WI.644 Begrijpen L3 L4 L4 2.3.26; L4 2.3.27

    Benoemen alle muntstukken en bankbiljetten.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Wiskundige notatie:
    EUR, €

    Te hanteren begrippen

    de euro, de eurocent
  19. WI.645 Gebruiken L4 L4 2.3.29

    Betalen een bedrag.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Betalen:
    gepast
    op verschillende manieren

    Voorbeelden

    Vicky betaalt €10,45 met 2 maal €5, 2 maal 20 eurocent en 5 eurocent of met 1 maal
    €10, 4 maal 10 eurocent en 5 eurocent.
  20. WI.646 Gebruiken L4 L5 L6 GO!-doel

    Schatten het te betalen bedrag.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Schatten:
    functioneel afronden

    Voorbeelden

    Ulricke koopt 3 producten die elk €4,95 €2,9 en €3,55 kosten. Ze heeft enkel een
    bankbiljet van €10. Ze kan de aankoop niet betalen want het kost ongeveer €11,5.
  21. WI.647 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.3.30

    Bepalen de totale prijs van verschillende artikelen.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Totale prijs:
    inclusief notatie

    Voorbeelden

    Baziel koopt een zak aardappelen voor €5,5 en een groene kool voor €0,7. Hij betaalt
    €6,2.
  22. WI.648 Gebruiken L4 L5 L6 L4 2.3.29

    Bepalen welk bedrag je moet teruggeven/terugkrijgen.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

  23. WI.649 Gebruiken L4 L5 GO!-doel

    Geven referentiematen voor geldwaarden.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

  24. WI.650 Gebruiken L4 L5 L6 GO!-doel

    Schatten aan de hand van de referentiematen de waarde van enkele producten in.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

  25. WI.651 Gebruiken L5 L6 L6 2.3.3

    Berekenen het prijsverschil.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Berekenen:
    door om te zetten naar prijs per stuk

    Voorbeelden

    Prijsverschil:
    In winkel X betaal je voor 4 appels €2,40. In winkel Y betaal je voor 6 appels €3,60. In
    welke winkel zijn de appels het goedkoopst?
  26. WI.652 Gebruiken L5 L6 L6 2.3.23; L6 2.3.24

    Berekenen een prijs (inkoopprijs, verkoopprijs, winst, verlies) of percentage als twee van de drie prijzen gegeven zijn.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de inkoopprijs, de verkoopprijs, de winst, het verlies

    Voorbeelden

    • De mama van Ayla heeft een modezaak. Ze koopt 30 jassen aan €42 per jas
        (inkoopprijs). Ze verkoopt 12 jassen aan €95 per stuk (verkoopprijs) en 15 jassen
        aan €45 per stuk (verkoopprijs). Ayla rekent uit: de opbrengst is (12 × €95) + (15 ×
        €45) = €1 140 + €675 = €1 815. De totale inkoopprijs is 30 × €42 = €1 260. Dus de
        winst is €1 815 – €1 260 = €555.
    • Hans koopt een fiets voor € 800 (inkoopprijs) en verkoopt die voor €600
        (verkoopprijs). Hij maakt 25% verlies.
  27. WI.653 Gebruiken L5 L6 L6 2.3.23; L6 2.3.24

    Berekenen een eenvoudige korting.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Korting:
    uitgedrukt in procent

    Te hanteren begrippen

    de korting, het kortingspercentage, de oude prijs, de nieuwe prijs

    Voorbeelden

    Lina rekent: "Ik krijg 20% korting op een paar schoenen van €90 (oude prijs).
    20% van €90 is €18 (de korting). De nieuwe prijs is €90 – €18 = €72. Dus ik betaal €72
    voor de schoenen (nieuwe prijs)."
  28. WI.654 Gebruiken L5 L6 L6 2.3.3

    Berekenen de prijs van producten.

    Wiskunde Meten en metend rekenen › Geld

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Prijs:
    in combinatie met een andere grootheid

    Voorbeelden

    Prijs in combinatie met andere grootheid:
                              3
    • Zalm kost €18/kg. Hoeveel kost kg?
                              4
    • Mijn living meet 7m op 5m. De tegels kosten 22€/m². Hoeveel betaal ik?