28 doelen
-
Herkennen muntstukken en bankbiljetten.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
-
Betalen met muntstukken van €1.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Muntstukken: tot en met 5 euro
Te hanteren begrippen
kosten, betalen, kopen, verkopen
Voorbeelden
In de speelgoedwinkel koopt Lisa een bal, een speelgoedauto en een pop. Ze betaalt met 3 munten van €1.
-
Geven bij een object een prijs weer.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Weergeven: • schematisch noteren
Te hanteren begrippen
de prijs, de euro, het geld
Voorbeelden
Victor maakt een prijslijst voor zijn ijsjeskraam. Hij noteert 1 streep bij 1 bol ijs, 2 strepen bij 2 bollen ijs en 3 strepen bij 3 bollen ijs.
-
Geven bij een object een prijs weer.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Weergeven: • met een getal
-
Illustreren de betekenis van geven, krijgen, kopen, verkopen, ruilen, sparen, geld, kosten en betalen.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Illustreren: • met concreet materiaal • met speelgoedgeld
Te hanteren begrippen
geven, krijgen, ruilen, sparen, goedkoop, duur, goedkoper, duurder, kost meer, kost minder, goedkoopst, duurst
-
Betalen met muntstukken van €1..
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betalen: totale som van de aankoop ≤ 10 • inclusief vergelijken van prijzen • 1 of meer objecten
Voorbeelden
Bij de groentenboer koopt Yoni een appel, een banaan en een peer. De appel kost €1, de banaan kost €2 en de peer €3. Ze legt de muntstukken en ziet dat het samen €6 is. De peer is duurder dan de appel. De banaan is goedkoper dan de peer.
-
Herkennen muntstukken en bankbiljetten.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Muntstukken: • 1 euro en 2 euro Bankbiljetten: • 5, 10 en 20 euro Wiskundige notatie: €
Te hanteren begrippen
het bankbiljet, het muntstuk
-
Tellen verkort een bedrag.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Bedrag: ≤ € 20 Verkort: eerst de muntstukken/bankbiljetten met de grootste waarde, dan die met de kleinste
-
Betalen een bedrag.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Bedrag: ≤ € 20 Betalen: gepast op verschillende manieren
Voorbeelden
Harald moet €16 betalen. Dit doet hij met €10, €5 en €1 of met 3 maal €5 en één muntstuk van €1.
-
Bepalen de totale prijs van verschillende artikelen.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Totale prijs: som ≤ € 20 • inclusief notatie
-
Bepalen welk bedrag je moet teruggeven/terugkrijgen.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Bedrag: aftrektal ≤ € 20 Bepalen: door indirect op te tellen of door af te trekken (aftrektal ≤ € 20)
-
Herkennen muntstukken en bankbiljetten.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Muntstukken: • 1 euro en 2 euro • (1, 2)*, 5, 10, 20 en 50 eurocent Bankbiljetten: • 5, 10, 20, 50 en 100 euro Wiskundige notatie: €
Te hanteren begrippen
de eurocent, de euro *indien deze muntstukken nog gebruikt worden
-
Tellen verkort een bedrag.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Bedrag: • ≤ 100 euro • ≤ 100 eurocent Verkort: eerst de muntstukken/bankbiljetten met de grootste waarde, dan die met de kleinste
-
Verwoorden dat één euro gelijk is aan honderd eurocent.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
-
Betalen een bedrag.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Bedrag: • ≤ 100 euro • ≤ 100 eurocent Betalen: gepast op verschillende manieren
Voorbeelden
• Paulus betaalt 58 euro met €50, €5, €2 en €1 of met 2 maal €20, €10, €5 en drie maal €1. • Liam betaalt 62 eurocent met 50 eurocent, 10 eurocent en 2 eurocent of met 3 maal 20 eurocent en 2 maal 1 eurocent. -
Bepalen de totale prijs van verschillende artikelen.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Totale prijs: natuurlijke getallen • som ≤ 100 euro • som ≤ 100 eurocent • inclusief notatie
-
Bepalen welk bedrag je moet teruggeven/terugkrijgen.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Bedrag: geen samengesteld bedrag • aftrektal ≤ 100 euro • aftrektal ≤ 100 eurocent Bepalen: door indirect op te tellen of door af te trekken
-
Benoemen alle muntstukken en bankbiljetten.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Wiskundige notatie: EUR, €
Te hanteren begrippen
de euro, de eurocent
-
Betalen een bedrag.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Betalen: gepast op verschillende manieren
Voorbeelden
Vicky betaalt €10,45 met 2 maal €5, 2 maal 20 eurocent en 5 eurocent of met 1 maal €10, 4 maal 10 eurocent en 5 eurocent.
-
Schatten het te betalen bedrag.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Schatten: functioneel afronden
Voorbeelden
Ulricke koopt 3 producten die elk €4,95 €2,9 en €3,55 kosten. Ze heeft enkel een bankbiljet van €10. Ze kan de aankoop niet betalen want het kost ongeveer €11,5.
-
Bepalen de totale prijs van verschillende artikelen.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Totale prijs: inclusief notatie
Voorbeelden
Baziel koopt een zak aardappelen voor €5,5 en een groene kool voor €0,7. Hij betaalt €6,2.
-
Bepalen welk bedrag je moet teruggeven/terugkrijgen.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
-
Geven referentiematen voor geldwaarden.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
-
Schatten aan de hand van de referentiematen de waarde van enkele producten in.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
-
Berekenen het prijsverschil.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Berekenen: door om te zetten naar prijs per stuk
Voorbeelden
Prijsverschil: In winkel X betaal je voor 4 appels €2,40. In winkel Y betaal je voor 6 appels €3,60. In welke winkel zijn de appels het goedkoopst?
-
Berekenen een prijs (inkoopprijs, verkoopprijs, winst, verlies) of percentage als twee van de drie prijzen gegeven zijn.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Te hanteren begrippen
de inkoopprijs, de verkoopprijs, de winst, het verlies
Voorbeelden
• De mama van Ayla heeft een modezaak. Ze koopt 30 jassen aan €42 per jas (inkoopprijs). Ze verkoopt 12 jassen aan €95 per stuk (verkoopprijs) en 15 jassen aan €45 per stuk (verkoopprijs). Ayla rekent uit: de opbrengst is (12 × €95) + (15 × €45) = €1 140 + €675 = €1 815. De totale inkoopprijs is 30 × €42 = €1 260. Dus de winst is €1 815 – €1 260 = €555. • Hans koopt een fiets voor € 800 (inkoopprijs) en verkoopt die voor €600 (verkoopprijs). Hij maakt 25% verlies. -
Berekenen een eenvoudige korting.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Korting: uitgedrukt in procent
Te hanteren begrippen
de korting, het kortingspercentage, de oude prijs, de nieuwe prijs
Voorbeelden
Lina rekent: "Ik krijg 20% korting op een paar schoenen van €90 (oude prijs). 20% van €90 is €18 (de korting). De nieuwe prijs is €90 – €18 = €72. Dus ik betaal €72 voor de schoenen (nieuwe prijs)."
-
Berekenen de prijs van producten.
Wiskunde › Meten en metend rekenen › Geld
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Prijs: in combinatie met een andere grootheid
Voorbeelden
Prijs in combinatie met andere grootheid: 3 • Zalm kost €18/kg. Hoeveel kost kg? 4 • Mijn living meet 7m op 5m. De tegels kosten 22€/m². Hoeveel betaal ik?