11 doelen
vak: WT ✕ Bouw van organismen ✕
-
Beschrijven gelijkenissen en verschillen tussen ouders en nakomelingen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Ouders en nakomelingen: • mens • dier Gelijkenissen en verschillen: Nakomelingen zijn in de regel verschillend van en niet identiek aan hun ouders
Te hanteren begrippen
de gelijkenis, het verschil
-
Herkennen dat mensen en dieren bij het voortplanten erfelijke kenmerken doorgeven.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Doorgeven: Eén van de belangrijkste redenen waarom organismen zich voortplanten is het voortbestaan van de soort. Erfelijke kenmerken: • uiterlijke eigenschappen: oogkleur, haarkleur, huidskleur, lengte, lichaamsbouw, gezichtsvorm • medische en biologische eigenschappen: bloedgroep, aanleg voor ziektes, allergieën, kleurenblindheid, ontwikkelingsstoornissenTe hanteren begrippen
erfelijk, erven, de erfelijke eigenschap, de erfelijkheid, de oogkleur, de haarkleur, de lengte, de bloedgroep, de huidskleur, de allergie, de kleurenblindheid, de vorm van het gezicht
-
Illustreren aangepastheid van organismen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Organismen: • mens • dier Aangepastheid: • Lichamelijke aangepastheid: fysieke eigenschappen die helpen overleven • gedragsmatige aangepastheid: gedrag van een dier of plant dat zijn overleven bevordertTe hanteren begrippen
de aangepastheid, veranderen, de schutkleur, de aanpassing
Voorbeelden
Lichamelijke aangepastheid: Kamelen hebben vet in hun bult om energie op te slaan en sluiten hun neusgaten tegen zand. Schutkleuren en camouflage helpen dieren om niet op te vallen. Uilen jagen ’s nachts. Andere dieren zijn niet aangepast om ’s nachts te jagen en vormen dus geen concurrentie voor de uil. Gedragsmatige aangepastheid: Wolven jagen in groep waardoor ze grotere prooien kunnen vangen dan wanneer ze alleen zouden jagen. Kamerplanten groeien naar het raam toe om meer licht te vangen.
-
Illustreren aangepastheid van organismen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Organismen: plant Aangepastheid: • aangepastheid aan droogte • aangepastheid aan natte of moerassige gebieden • aangepastheid aan schaduwrijke plekken • verdediging tegen dieren • aangepastheid voor voortplanting en verspreiding
Voorbeelden
Aangepastheid aan droogte: Vetplanten bewaren vocht in hun bladeren of stengels. Aangepastheid aan natte of moerassige gebieden: Riet heeft holle stengels waarin lucht naar de wortels gaat, zodat ze onder water toch kunnen ‘ademen’. Aangepastheid aan schaduwrijke plekken: Tropische planten met grote bladeren vangen meer licht op in een donkere omgeving. Verdediging tegen dieren: Doornige struiken zoals de braam, houden grazers op afstand. Aangepastheid voor voortplanting en verspreiding: Felle bloemen trekken insecten aan voor bestuiving.
-
Beschrijven evolutie.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Evolutie: Een soort is veranderlijk. Binnen een soort is er variatie, concurrentie en overerving. De omgeving bepaalt wat nodig is om te kunnen overleven. De best aangepaste individuen (binnen een populatie) voor die omgeving overleven het meest, kunnen dus meer en langer voortplanten en hun genetische kenmerken doorgeven. Die kenmerken zullen sterker naar voren komen in de populatie. Dit is natuurlijke selectie.
Te hanteren begrippen
de evolutie, de natuurlijke selectie, de variatie, de soort
Voorbeelden
Evolutie: Er zijn witte en grijze vlinders in eenzelfde populatie vlinders die leven tussen witte berken. De witte vlinders vallen niet op en worden weinig opgegeten, de grijze vlinders worden veel opgegeten door vogels. In deze omgeving zijn de witte vlinders het best aangepast. Er wordt een fabriek geplaatst in de omgeving en de berkenstammen kleuren grijs van de uitstoot: de witte vlinders vallen nu veel sterker op dan de grijze en worden meer opgegeten. In dat geval zijn de grijze vlinders beter aangepast aan de omgeving. De omgeving bepaalt of de dieren aangepast zijn of niet. De vlinders zelf kunnen zich niet aanpassen.
-
Illustreren dat soorten uitsterven.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Uitsterven: Door natuurlijke oorzaken of door menselijke oorzaken kan een soort uitsterven. Uitsterven betekent dat er geen enkel levend exemplaar van een soort meer overblijft. Het uitsterven kan geleidelijk of plots gebeuren. Het uitsterven van een soort zorgt voor minder biodiversiteit en heeft impact op ecosystemen.
Te hanteren begrippen
Uitsterven
Voorbeelden
Menselijke oorzaken: De dodo was een vogel die leefde op het eiland Mauritius. Toen de mens daar kwam, werd hij massaal gevangen en uitgeroeid. Natuurlijke oorzaken: De dinosauriërs stierven ongeveer 65 miljoen jaar geleden uit. Waarschijnlijk gebeurde dit door een grote meteorietinslag.
-
Analyseren veranderingen in organismen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
Voorbeelden
Veranderingen: • Sneeuwhazen leven in gebieden met sneeuw in de winter, maar zonder sneeuw in de zomer. Sneeuwhazen die hun vacht succesvol wisselen van bruin naar wit in de winter overleven meer en krijgen dus meer nakomelingen met hun genen. Na vele generaties zijn bijna alle hazen daar wit in de winter. • De voorouders van de mens hadden veel lichaamshaar. Dat hielp om warm te blijven in koude omgevingen. Toen mensen kleren maakten en vuur gebruikten werd dat dikke haar minder belangrijk. Mensen met minder lichaamshaar hadden geen nadeel meer en gaven hun eigenschappen door. -
Koppelen eigenschappen aan erfelijkheid.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie
-
Herkennen de bouwstenen van organismen.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Bouwstenen: Een cel is het kleinste bouwsteentje van alle levende wezens. Cellen zie je niet met het blote oog. Sommige organismen bestaan uit heel veel cellen en andere uit slechts één. Een cel is de kleinste eenheid van leven.
Te hanteren begrippen
de cel, de bouwsteen
-
Beschrijven dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Organismen: die uit één cel bestaan: bacteriën en sommige schimmels die uit veel cellen bestaan: planten, schimmels, dieren (waaronder mensen) Meercellige organismen bestaan uit miljoenen cellen die samenwerken. Cellen: Verschillende cellen kunnen verschillende functies hebben. Cellen kunnen zich delen om te groeien of te herstellen.
Te hanteren begrippen
de ééncellige, de meercellige
Voorbeelden
Meercellige organismen: hond, mier, vinvis, spons, zonnebloem, waterlelie, champignon
-
Illustreren hoe bij de meeste gewervelde dieren uit een bevruchte eicel een meercellig organisme ontstaat.
Wetenschap en techniek › Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen
Toon MIA, begrippen en voorbeelden
MIA
Hoe: Door celdeling: de meeste gewervelde dieren zijn meercellige organismen die “ontstaan” doordat één cel (een eicel), die bevrucht wordt door een andere cel (zaadcel) zich herhaaldelijk deelt en zo steeds meer cellen vormt. Elke mens of dier begint als een bevruchte cel. Die cel splitst zich in twee cellen. Die twee worden er vier, dan acht, dan zestien… In het begin zijn alle cellen hetzelfde maar na een tijdje krijgen ze verschillende functies: sommige worden spiercellen, andere zenuwcellen, enz. Cellen met dezelfde functie gaan samenwerken en vormen weefsels en organen.
Te hanteren begrippen
de celdeling, de meercellige