Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

11 doelen

CSV downloaden filters wissen

vak: WT ✕ Bouw van organismen ✕

  1. WT.144 Begrijpen L4 L5 L4 3.2.10; L6 3.2.15

    Beschrijven gelijkenissen en verschillen tussen ouders en nakomelingen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ouders en nakomelingen:
    • mens
    • dier
    
    Gelijkenissen en verschillen:
    Nakomelingen zijn in de regel verschillend van en niet identiek aan hun ouders

    Te hanteren begrippen

    de gelijkenis, het verschil
  2. WT.145 Begrijpen L5 L6 L6 3.1.5; L6 3.2.9; L6 3.2.14; L6 3.2.15

    Herkennen dat mensen en dieren bij het voortplanten erfelijke kenmerken doorgeven.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Doorgeven:
    Eén van de belangrijkste redenen waarom organismen zich voortplanten is het
    voortbestaan van de soort.
    
    Erfelijke kenmerken:
    • uiterlijke eigenschappen: oogkleur, haarkleur, huidskleur, lengte, lichaamsbouw,
        gezichtsvorm
    • medische en biologische eigenschappen: bloedgroep, aanleg voor ziektes,
        allergieën, kleurenblindheid, ontwikkelingsstoornissen

    Te hanteren begrippen

    erfelijk, erven, de erfelijke eigenschap, de erfelijkheid, de oogkleur, de haarkleur, de
    lengte, de bloedgroep, de huidskleur, de allergie, de kleurenblindheid, de vorm van het
    gezicht
  3. WT.146 Begrijpen L5 L6 3.2.9; L6 3.2.16

    Illustreren aangepastheid van organismen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Organismen:
    • mens
    • dier
    
    Aangepastheid:
    • Lichamelijke aangepastheid: fysieke eigenschappen die helpen overleven
    • gedragsmatige aangepastheid: gedrag van een dier of plant dat zijn overleven
        bevordert

    Te hanteren begrippen

    de aangepastheid, veranderen, de schutkleur, de aanpassing

    Voorbeelden

    Lichamelijke aangepastheid:
    Kamelen hebben vet in hun bult om energie op te slaan en sluiten hun neusgaten tegen
    zand.
    Schutkleuren en camouflage helpen dieren om niet op te vallen.
    Uilen jagen ’s nachts. Andere dieren zijn niet aangepast om ’s nachts te jagen en vormen
    dus geen concurrentie voor de uil.
    Gedragsmatige aangepastheid:
    Wolven jagen in groep waardoor ze grotere prooien kunnen vangen dan wanneer ze
    alleen zouden jagen.
    Kamerplanten groeien naar het raam toe om meer licht te vangen.
  4. WT.147 Begrijpen L5 L6 3.2.16

    Illustreren aangepastheid van organismen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Organismen:
    plant
    
    Aangepastheid:
    • aangepastheid aan droogte
    • aangepastheid aan natte of moerassige gebieden
    • aangepastheid aan schaduwrijke plekken
    • verdediging tegen dieren
    • aangepastheid voor voortplanting en verspreiding

    Voorbeelden

    Aangepastheid aan droogte:
    Vetplanten bewaren vocht in hun bladeren of stengels.
    Aangepastheid aan natte of moerassige gebieden:
    Riet heeft holle stengels waarin lucht naar de wortels gaat, zodat ze onder water toch
    kunnen ‘ademen’.
    Aangepastheid aan schaduwrijke plekken:
    Tropische planten met grote bladeren vangen meer licht op in een donkere omgeving.
    Verdediging tegen dieren:
    Doornige struiken zoals de braam, houden grazers op afstand.
    Aangepastheid voor voortplanting en verspreiding:
    Felle bloemen trekken insecten aan voor bestuiving.
  5. WT.148 Begrijpen L6 L6 3.1.5; L6 3.2.9; L6 3.2.11; L6 3.2.13

    Beschrijven evolutie.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Evolutie:
    Een soort is veranderlijk.
    Binnen een soort is er variatie, concurrentie en overerving. De omgeving bepaalt wat
    nodig is om te kunnen overleven.
    De best aangepaste individuen (binnen een populatie) voor die omgeving overleven het
    meest, kunnen dus meer en langer voortplanten en hun genetische kenmerken
    doorgeven. Die kenmerken zullen sterker naar voren komen in de populatie.
    Dit is natuurlijke selectie.

    Te hanteren begrippen

    de evolutie, de natuurlijke selectie, de variatie, de soort

    Voorbeelden

    Evolutie:
    Er zijn witte en grijze vlinders in eenzelfde populatie vlinders die leven tussen witte
    berken. De witte vlinders vallen niet op en worden weinig opgegeten, de grijze vlinders
    worden veel opgegeten door vogels. In deze omgeving zijn de witte vlinders het best
    aangepast. Er wordt een fabriek geplaatst in de omgeving en de berkenstammen
    kleuren grijs van de uitstoot: de witte vlinders vallen nu veel sterker op dan de grijze en
    worden meer opgegeten. In dat geval zijn de grijze vlinders beter aangepast aan de
    omgeving. De omgeving bepaalt of de dieren aangepast zijn of niet. De vlinders zelf
    kunnen zich niet aanpassen.
  6. WT.149 Begrijpen L6 L6 3.2.9; L6 3.2.13

    Illustreren dat soorten uitsterven.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Uitsterven:
    Door natuurlijke oorzaken of door menselijke oorzaken kan een soort uitsterven.
    Uitsterven betekent dat er geen enkel levend exemplaar van een soort meer overblijft.
    Het uitsterven kan geleidelijk of plots gebeuren.
    Het uitsterven van een soort zorgt voor minder biodiversiteit en heeft impact op
    ecosystemen.

    Te hanteren begrippen

    Uitsterven

    Voorbeelden

    Menselijke oorzaken:
    De dodo was een vogel die leefde op het eiland Mauritius. Toen de mens daar kwam,
    werd hij massaal gevangen en uitgeroeid.
    Natuurlijke oorzaken:
    De dinosauriërs stierven ongeveer 65 miljoen jaar geleden uit. Waarschijnlijk gebeurde
    dit door een grote meteorietinslag.
  7. WT.150 Gebruiken L5 L6 L4 3.2.10; L6 3.2.16

    Analyseren veranderingen in organismen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Veranderingen:
    • Sneeuwhazen leven in gebieden met sneeuw in de winter, maar zonder sneeuw in
        de zomer. Sneeuwhazen die hun vacht succesvol wisselen van bruin naar wit in de
        winter overleven meer en krijgen dus meer nakomelingen met hun genen. Na vele
        generaties zijn bijna alle hazen daar wit in de winter.
    • De voorouders van de mens hadden veel lichaamshaar. Dat hielp om warm te
        blijven in koude omgevingen. Toen mensen kleren maakten en vuur gebruikten
        werd dat dikke haar minder belangrijk. Mensen met minder lichaamshaar hadden
        geen nadeel meer en gaven hun eigenschappen door.
  8. WT.151 Gebruiken L5 L6 L4 3.2.10; L6 3.2.14

    Koppelen eigenschappen aan erfelijkheid.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Erfelijkheid en evolutie

  9. WT.152 Begrijpen L5 L6 3.2.9; L6 3.2.12

    Herkennen de bouwstenen van organismen.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Bouwstenen:
    Een cel is het kleinste bouwsteentje van alle levende wezens.
    Cellen zie je niet met het blote oog.
    Sommige organismen bestaan uit heel veel cellen en andere uit slechts één.
    Een cel is de kleinste eenheid van leven.

    Te hanteren begrippen

    de cel, de bouwsteen
  10. WT.153 Begrijpen L6 L6 3.2.9; L6 3.2.12

    Beschrijven dat alle organismen uit één of meer cellen bestaan.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Organismen:
    die uit één cel bestaan: bacteriën en sommige schimmels
    die uit veel cellen bestaan: planten, schimmels, dieren (waaronder mensen)
    Meercellige organismen bestaan uit miljoenen cellen die samenwerken.
    
    Cellen:
    Verschillende cellen kunnen verschillende functies hebben.
    Cellen kunnen zich delen om te groeien of te herstellen.

    Te hanteren begrippen

    de ééncellige, de meercellige

    Voorbeelden

    Meercellige organismen:
    hond, mier, vinvis, spons, zonnebloem, waterlelie, champignon
  11. WT.154 Begrijpen L6 L6 3.2.12

    Illustreren hoe bij de meeste gewervelde dieren uit een bevruchte eicel een meercellig organisme ontstaat.

    Wetenschap en techniek Relatie tussen organismen en tussen organismen en omgevingsfactoren in een biotoop › Bouw van organismen › Cellen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Hoe:
    Door celdeling: de meeste gewervelde dieren zijn meercellige organismen die
    “ontstaan” doordat één cel (een eicel), die bevrucht wordt door een andere cel (zaadcel)
    zich herhaaldelijk deelt en zo steeds meer cellen vormt. Elke mens of dier begint als een
    bevruchte cel. Die cel splitst zich in twee cellen. Die twee worden er vier, dan acht, dan
    zestien… In het begin zijn alle cellen hetzelfde maar na een tijdje krijgen ze verschillende
    functies: sommige worden spiercellen, andere zenuwcellen, enz. Cellen met dezelfde
    functie gaan samenwerken en vormen weefsels en organen.

    Te hanteren begrippen

    de celdeling, de meercellige