Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

69 doelen

CSV downloaden filters wissen

Vlot en vloeiend lezen ✕

  1. NL.001 Begrijpen K1 KO 1.1.1

    Herkennen eenvoudige eindrijm.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eindrijm:
    via rijmpjes en versjes

    Voorbeelden

    Eenvoudige eindrijm:
    kat-mat, koe-moe
  2. NL.002 Begrijpen K2 K3 KO 1.1.1

    Herkennen rijm.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het rijm, rijmen
  3. NL.003 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.1

    Passen rijm toe.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Toepassen:
    • Rijmt het of rijmt het niet?
    • Zoek bij elkaar wat rijmt. Zoek de rijmende woorden.
    • ontbrekende zinnen en woorden aanvullen
    • zelf rijm bedenken

    Voorbeelden

    Rijmt het of rijmt het niet?:
    (a) boom-tak, zak-tak; b) kok-pot, kok-rot
    Zoek bij elkaar wat rijmt:
    (a) maan-haan-ster-kip; b) maan-haan-schaap-man
  4. NL.004 Begrijpen K2 KO 1.1.1

    Herkennen klankgroepen in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankgroepen:
    in korte woorden

    Voorbeelden

    Klankgroepen in woorden:
    in korte woorden: ‘fo-to’, ‘ba-llen’
  5. NL.005 Begrijpen K3 KO 1.1.1

    Herkennen klankgroepen in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankgroepen:
    in langere woorden

    Te hanteren begrippen

    het woord, de klankgroep

    Voorbeelden

    Klankgroepen in woorden:
    in langere woorden: ‘fo-to-toe-stel’, ‘re-gen-boog’
  6. NL.006 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.1

    Verdelen een woord in klankgroepen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

  7. NL.007 Gebruiken K2 K3 KO 1.1.1

    Voegen klankgroepen samen tot een woord.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

  8. NL.008 Begrijpen K2 K3 KO 1.1.2

    Zeggen klanken, een reeks woorden of een zin op.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonologisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Opzeggen:
    Herhalen van wat de leraar of een kleuter voorzegt: trainen van het auditief
    geheugen.
    Klanken:
    • met aandacht voor de uitspraak
    
    Een reeks woorden:
    • 2 tot 4 woorden
    
    Een zin:
    • een eenvoudige, korte zin nazeggen
    • een korte zin aanvullen

    Voorbeelden

    Opzeggen:
    woordenrij onthouden en herhalen; onthoudspel zoals "Ik ga op reis en neem
    mee..."; "Appel, banaan, peer." Luister nu goed, wat ontbreekt: "Appel, peer"; Als je
    /oe/ hoort, sta je recht, als je /ie/ hoort handen omhoog en als je /ee/hoort ga je op
    je hurken zitten.
  9. NL.009 Gebruiken K1 KO 1.1.2

    Onderscheiden klanken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klanken:
    sterk contrasterende klanken

    Voorbeelden

    Sterk contrasterende klanken onderscheiden:
    
    • De leraar laat twee sterk contrasterende klanken horen: “ssss” (slang) en “rrrr”
        (motor). Als de slang sist (“sss”) bewegen de kinderen als een slang. Als de
        motor rijdt (“rrr”) bewegen ze als een motor.
    
    • De leraar vertelt een kort verhaaltje met veel “aaah” en “oooh”-uitroepen. Bij
        “aaah” doet de leraar samen met de kinderen de mond wijd open, bij “oooh”
        vormt iedereen met de handen een “toeter” rond de mond.
  10. NL.010 Begrijpen K2 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Herkennen verschillen en overeenkomsten tussen twee gesproken klanken in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de klank
  11. NL.011 Begrijpen K2 K3 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Herkennen klanken in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    aangeven of een klank wel of niet voorkomt in een woord
    
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden
  12. NL.012 Gebruiken K2 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Onderscheiden de beginklank in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    De beginklank in het woord horen en onderscheiden van andere klanken (auditieve
    discriminatie).
    
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden

    Voorbeelden

    Beginklank onderscheiden:
    • Sorteren op beginklank (M – mand, muts, mama)
    • “Wat klinkt hetzelfde, wat klinkt anders?” (maan-maan, mees-lees)
  13. NL.013 Gebruiken K2 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Onderscheiden de eindklank in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    De eindklank in het woord horen en onderscheiden van andere klanken (auditieve
    discriminatie).
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden

    Voorbeelden

    Eindklank onderscheiden:
    • Sorteren op eindklank (M – oom, bloem, lam)
    • “Wat klinkt hetzelfde, wat klinkt anders?” (boom-boos, lam-lam)
  14. NL.014 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Onderscheiden klanken in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Onderscheiden:
    auditieve discriminatie: De klank in het woord horen en onderscheiden van andere
    klanken.
    
    Woorden:
    • MK-woorden
    • KM-woorden
    • MKM-woorden
    
    Klanken in woorden:
    • beginklank
    • middenklank
    • eindklank
    
    Klanken:
    Een variatie aan klanken

    Te hanteren begrippen

    vooraan, achteraan, in het midden

    Voorbeelden

    Klanken in woorden:
    • Wat hoor je vooraan in /vuur/?
    • Wat hoor je achteraan in /kaas/?
    • Wat hoor je in het midden in /kat/?
    • Wat hoor je vooraan in /ook/?
    • Wat hoor je in het midden in /reus/?
    • Wat hoor je vooraan in /ijs/?
  15. NL.015 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.3

    Verdelen een woord in afzonderlijke klanken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

  16. NL.016 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.3

    Voegen afzonderlijke klanken samen tot een woord.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

  17. NL.017 Gebruiken K3 L1 KO 1.1.2

    Voeren klankbewerkingen uit in woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Klankbewerkingen:
    • toevoeging van een klank
    • weglating van een klank
    • vervanging van een klank

    Voorbeelden

    Toevoeging van een klank:
    Ik voeg vooraan een /b/ toe aan /oom/ en bekom /boom/.
    Weglating van een klank:
    /raap/ zonder /r/ is /aap/.
    Vervanging van een klank:
    Bij het woord /mat/ wissel ik de /m/ in voor een /l/. Zo vorm ik het woord /lat/.
  18. NL.018 Engageren K2 K3 L1 KO 1.1.1; KO 1.1.2; KO 1.1.3

    Tonen hun kennis van klanken in verschillende contexten.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Fonologisch en fonemisch bewustzijn › Fonemisch bewustzijn

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Daniel luistert naar een versje en klapt telkens als hij een woord hoort dat met
        de klank /s/ begint, zoals slang, stoel en sok.
    • Abigail rijmt boom op room en legt uit dat ze dezelfde klankgroep achteraan
        hoort.
  19. NL.019 Begrijpen K2 KO 1.1.4

    Herkennen voor hen belangrijke letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het woord, de letter

    Voorbeelden

    Belangrijke letters:
    • Letters herkennen in woorden die ze vaak tegenkomen.
    • Letters herkennen in woorden die steeds in een letterlijke herhaling in een
        prentenboek voorkomen.
  20. NL.020 Gebruiken K2 KO 1.1.4

    Verklanken voor hen belangrijke letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

  21. NL.021 Begrijpen K3 KO 1.1.4

    H e r k e n n en minstens vijftien letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
    • in verschillende verschijningsvormen
    Letters:
    • korte klinkers
    • lange klinkers
    • tweetekenklinkers
    • medeklinkers

    Te hanteren begrippen

    de klinker, de medeklinker
  22. NL.022 Gebruiken K3 KO 1.1.4

    Verklanken minstens vijftien letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verklanken:
    • met correcte uitspraak
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
  23. NL.023 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.2

    Herkennen alle letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Letters:
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
    • schrijfletters: kleine letter, hoofdletter
    • in verschillende verschijningsvormen

    Te hanteren begrippen

    de korte klinker, de lange klinker, de tweetekenklinker, de medeklinker
  24. NL.024 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2

    Verklanken alle letters.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Klanktekenkoppeling (alfabetisch principe)

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Letters:
    • korte klinkers
    • lange klinkers
    • tweetekenklinkers
    • medeklinkers
    
    Verklanken:
    • leesletters: kleine letter, hoofdletter
    • schrijfletters: kleine letter, hoofdletter
  25. NL.025 Begrijpen L2 L3 GO!-doel

    Begrijpen het doel van het alfabet.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Doel:
    • alfabetisch rangschikken
    • alfabetisch opzoeken

    Te hanteren begrippen

    de letter, het alfabet
  26. NL.026 Begrijpen L2 L3 GO!-doel

    Zeggen het alfabet op.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

  27. NL.027 Gebruiken L2 L3 GO!-doel

    Gebruiken het alfabet bij het opzoeken of rangschikken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

  28. NL.028 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 KO 1.1.4; L4 1.1.2

    Tonen hun kennis van letters in verschillende leescontexten.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Letters › Alfabet

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • In de kleuterklas wordt gewerkt rond het thema verkeer. In de bouwhoek ligt
        een doos met verkeersborden. Dario en Frieke bouwen samen een winkel. De
        parkeerplaatsen bij de winkel duiden ze aan met het verkeersbord waar de
        letter ‘p’ op staat. Zij weten dat dat de letter ‘p’ is van het woord ‘parkeren’.
    • In de schoolbibliotheek staan de boeken alfabetisch gerangschikt. Yaro vindt
        snel een boek dat hij wil lezen door met behulp van het alfabet te zoeken.
        Wanneer hij het uit heeft gelezen kan hij het ook gemakkelijk op de juiste plek
        terugplaatsen door gebruik te maken van de alfabetische volgorde.
  29. NL.029 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen klankzuivere woorden met één lettergreep.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Klankzuivere woorden met één lettergreep:
    pen, boos, juf, reus
  30. NL.030 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen lidwoorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lidwoorden:
    de, het, een
  31. NL.031 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen eenlettergrepige woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenlettergrepige woorden:
    • eindigend op -d of -t
    • eindigend op -ng, -nk
    • met klankgroep aai, ooi, oei
  32. NL.032 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen eenvoudige tweelettergrepige woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Eenvoudige tweelettergrepige woorden:
    • niet samengestelde woorden
    • samengestelde woorden

    Voorbeelden

    Eenvoudige tweelettergrepige samengestelde woorden:
    kastdeur, voetbal
  33. NL.033 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen klankzuivere woorden met medeklinkerclusters vooraan of achteraan.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woorden met medeklinkerclusters:
    • MKMM
    • MMKM
    • MMKMM
    • MMMKM
    • MKMMM
    
    Medeklinkerclusters:
    • inclusief sch-, -ch, -cht

    Voorbeelden

    Woorden met een medeklinkercluster vooraan:
    de kraan, de trap, de strik, het schaap
    Woorden met een medeklinkercluster achteraan:
    de poort, de berg, de herfst, de dag, mol lacht, beer zegt
  34. NL.034 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen verkleinwoorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  35. NL.035 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2

    Lezen woorden met een hoofdletter.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  36. NL.036 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.1; L4 1.1.2

    Lezen woorden met een doffe e klank.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Woorden met een doffe e:
    • in een onbeklemtoonde lettergreep achteraan
    • met voorvoegsel ge-, be-, ver-
    • met achtervoegsel -ig, -lijk
  37. NL.037 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.2

    Lezen woorden met specifieke lettercombinaties.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Specifieke lettercombinaties:
    • eeuw, ieuw en uw
    • eindigend op -b, -p
  38. NL.038 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.2

    Lezen woorden met gesloten lettergrepen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  39. NL.039 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.2

    Lezen woorden met open lettergrepen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de lettergreep
  40. NL.040 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.2

    Lezen frequente woorden waarin specifieke letters en lettercombinaties afwijkend worden uitgesproken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Afwijkende uitspraak:
    • politie (t als s)
    • bureau (eau als oo)
  41. NL.041 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L6 1.1.1

    Lezen frequente leenwoorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    het leenwoord

    Voorbeelden

    Frequente leenwoorden:
    restaurant, computer
  42. NL.042 Gebruiken L4 L5 L6 L6 1.1.1

    Lezen vaak voorkomende afkortingen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Vaak voorkomende afkortingen:
    • EU lezen als ‘Europese Unie’
    • p.7 lezen als ‘pagina 7’
  43. NL.043 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen gekende letters en woorden in eenvoudige zinnen aan een gepast tempo.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

  44. NL.044 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 8 woorden
    • één zin per regel
    • zowel kleine letters als hoofdletters
    • enkelvoudige zinnen
    • korte samengestelde zinnen met ‘en’, ‘maar’
    • leestekens punt, uitroepteken en vraagteken
    
    *in een variatie aan teksten
  45. NL.045 Gebruiken L2 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 12 woorden
    • korte zinnen die betekenisvol zijn afgebroken en doorlopen op de volgende
        regel
    • samengestelde zinnen
    • met klankzuivere en niet-klankzuivere één- en meerlettergrepige woorden
    • leestekens komma, aanhalingstekens en dubbel punt
    • leesgedrag afstemmen op leestekens punt, uitroepteken en vraagteken
    
    *in een variatie aan teksten
  46. NL.046 Gebruiken L3 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 16 woorden
    • lange zinnen met woordgroepen die kunnen doorlopen over de regels heen
    • leesgedrag afstemmen op leestekens komma, aanhalingstekens en dubbel punt
    
    *In een variatie aan teksten
  47. NL.047 Gebruiken L4 L4 1.1.2

    Lezen zinnen*.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vlot lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zinnen:
    • zinslengte: van 1 tot ongeveer 20 woorden
    • zinnen beginnen niet meer noodzakelijk op een nieuwe regel
    • alle soorten woorden komen aan bod
    
    Lezen:
    accuraat en geautomatiseerd
    
    *In een variatie aan teksten
  48. NL.048 Begrijpen L2 L3 L4 1.1.2

    Herkennen bij het lezen woordgroepen in een zin als eenheid.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  49. NL.049 Gebruiken L2 L3 L4 1.1.3

    Lezen woordgroepen in een zin als eenheid met hantering van de leesboog.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  50. NL.050 Gebruiken L1 L2 L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.1.3

    Lezen woorden verstaanbaar en accuraat.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Accuraat:
    • correcte uitspraak versus spellingsuitspraak
    
    Verstaanbaar:
    • articulatie

    Voorbeelden

    Correcte uitspraak versus spellingsuitspraak:
    • De normale uitspraak van pannenkoek is [panəkoek]. Als je een [n] uitspreekt is
        dat een spellinguitspraak.
    • Lezen woorden eindigend op -lijk met de juiste uitspraak zoals het woord
        /natuurlijk/, [natuurlək].
  51. NL.051 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2; L4 1.1.3

    Lezen het woord met intonatie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Intonatie:
    met gepaste klemtoon
  52. NL.052 Begrijpen L3 L4 L4 1.1.3; L4 1.1.12

    Illustreren lezen met intonatie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Intonatie:
    • met gepaste klemtoon
    • met behulp van lees- en woordtekens
    • in functie van de inhoud van de tekst
  53. NL.053 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.3; L4 1.1.12

    Lezen de zin met intonatie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Intonatie:
    • met gepaste klemtoon
    • met behulp van lees- en woordtekens
    • in functie van de inhoud van de tekst
  54. NL.054 Begrijpen L5 L6 L6 1.1.2

    Illustreren lezen met expressie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Expressie:
    • gepast volume
    • gepast tempo
    • natuurlijkheid
    • emotionaliteit
  55. NL.055 Gebruiken L2 L3 L6 1.1.2

    Lezen met het gepaste volume.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  56. NL.056 Gebruiken L2 L3 L4 L6 1.1.2

    Lezen teksten in het gepaste tempo.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

  57. NL.057 Gebruiken L4 L5 L6 L6 1.1.2

    Lezen met natuurlijkheid en emotionaliteit.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Vloeiend lezen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Natuurlijkheid en emotionaliteit:
    • Spreken bij het luidop lezen van teksten op dezelfde manier als bij een gewoon
        gesprek. (natuurlijkheid)
    • Laten het verschil horen tussen een dialoog en een beschrijving. (natuurlijkheid)
    • Geven uitdrukking aan beelden, gevoelens en gedachten. (emotionaliteit)
  58. NL.058 Gebruiken K2 K3 L4 1.1.1; L4 1.1.2

    Lezen frequent voorkomende woorden met behulp van de visuele woordvorm.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    Lezen met behulp van visuele woordvorm:
    • directe woordherkenning zoals de eigen naam
    • woordherkenning op basis van de eerste letter, dikwijls in combinatie met een
        afbeelding
  59. NL.059 Begrijpen L1 L2 L4 1.1.1; L4 1.1.2

    Herkennen verschillende leestechnieken.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Leestechnieken:
    • elementaire leeshandeling
    • lezen met behulp van klankclusters en spellingspatronen
    • lezen met behulp van morfologische analyse
  60. NL.060 Gebruiken L1 L4 1.1.2

    Gebruiken de elementaire leeshandeling bij het lezen van nieuwe woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Elementaire leeshandeling:
    • De letters in een woord verklanken in de juiste volgorde.
    • De juiste volgorde van de klanken onthouden.
    • De klanken samenvoegen tot een woord.
    • Het nieuwe woord betekenis geven.

    Voorbeelden

    Elementaire leeshandeling:
    • /mmmaaannn/, /maan/
    • /lllijijijmmm/, /lijm/
  61. NL.061 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2

    Gebruiken klankclusters en spellingspatronen bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    klankclusters en spellingspatronen:
    • combinaties van medeklinkers
    • combinaties van zowel klinkers als medeklinkers
    • vaste lettercombinaties

    Voorbeelden

    klankclusters en spellingspatronen bij het lezen:
    • Lettercombinaties worden herkend en in één keer gelezen: /z/, /eep/, /zeep/,
        /st/, /ap/, /stap/ (als gevolg van automatisering van de elementaire
        leeshandeling).
    • Cluster: str, spr, kl
    • Spellingpatroon: ak, open, aan
    • Vaste lettercombinaties: aai, ooi
  62. NL.062 Gebruiken L2 L4 1.1.2

    Gebruiken de visuele woordvorm bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Visuele woordvorm:
    de woordvorm en de bijhorende klankvorm is in het geheugen opgeslagen, als gevolg
    van automatisering van de elementaire leeshandeling
  63. NL.063 Gebruiken L2 L3 L4 L4 1.1.1; L4 1.1.2; L6 1.1.1

    Gebruiken morfologische analyse bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Morfologische analyse:
    Het woord opdelen aan de hand van betekenisvolle lettercombinaties.

    Voorbeelden

    Morfologische analyse:
    • Herkennen direct woorddelen in een woord zoals /voet/ en /bal/ in /voetbal/
        (als gevolg van automatisering van de elementaire leeshandeling).
    • Herkennen betekenisvolle lettercombinaties zoals /ge/,/knoei/, /geknoei/;
        /ver/, /geven/, /vergeven/ (als gevolg van automatisering van de elementaire
        leeshandeling).
  64. NL.064 Gebruiken L5 L6 L6 1.1.1

    Lezen onbekende woorden.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Decoderen

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Lezen:
    • met behulp van inzicht in de morfologische opbouw
    • met behulp van kennis van leenwoorden

    Voorbeelden

    Morfologische opbouw:
    • indrukwekkend = samenstelling van indruk (in + druk) en het afgeleide woord
        wekkend (werkwoord wekken + achtervoegsel -end). betekenis: iets dat indruk
        wekt.
    • verdedigingsmiddel = afleiding van het werkwoord verdedigen, verdediging
        (verdedig + -ing), gevolgd door een samenstelling met middel. De -s- is een
        tussenklank (verbindings-s).
    • verstandshuwelijk = samenstelling van verstand en huwelijk, verbonden door
        een tussen-s. betekenis: een huwelijk gebaseerd op verstandelijke
        overwegingen.
    • desinformatie = afleiding met het voorvoegsel des- ('verkeerd', 'misleidend') en
        het zelfstandig naamwoord informatie. betekenis: opzettelijk misleidende
        informatie.
    Leenwoorden:
    multifunctioneel, telecommunicatie, treinconducteur, infantiel, artificieel
  65. NL.065 Gebruiken L1 L2 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Verbeteren eigen fouten bij het lezen.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    met behulp van:
    • leestechnieken
    • afbeeldingen
    • aanwijzingen van anderen
  66. NL.066 Gebruiken L3 L4 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Verbeteren zichzelf wanneer een woord of een regel niet of foutief gelezen is.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Verbeteren:
    met behulp van:
    • de inhoud van de tekst
    • kennis van woord- en leestekens
  67. NL.067 Gebruiken L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Verbeteren zichzelf qua intonatie en expressie.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

  68. NL.068 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.4

    Reflecteren over hoe accuraat de eigen leesvaardigheid is.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie

  69. NL.069 Engageren L3 L4 L5 L6 L4 1.1.2; L4 1.1.3; L4 1.1.4

    Tonen na reflectie verbeteringen in een volgende leesbeurt.

    Nederlands Lezen › Vlot en vloeiend lezen › Leestechnieken › Zelfcorrectie