Leerplannen Leerplandoelen
Leerjaar
Verwerkingsaspect

26 doelen

CSV downloaden filters wissen

Kosmografie ✕

  1. AA.180 Begrijpen K1 KO 4.2.6

    Herkennen de zon.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

  2. AA.181 Begrijpen K2 KO 4.2.6

    Illustreren dat de zon overdag voor licht zorgt.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Te hanteren begrippen

    de dag, de nacht, licht, donker, de zon
  3. AA.182 Begrijpen K3 KO 4.2.8

    Illustreren de beweging van de aarde rond haar as.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De beweging:
    de richting: in tegenwijzerzin (van west naar oost, gezien vanaf de noordpool)
    
    Illustreren:
    door gebruik van een globe (wereldbol)

    Te hanteren begrippen

    de aarde, de wereldbol, de aarde draait
  4. AA.183 Begrijpen K3 KO 4.2.6

    Herkennen de zon, de maan en de sterren.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Herkennen:
    De zon is rond en geeft licht en warmte.
    De sterren zien we als lichtjes aan de hemel.
    De maan zien we niet altijd in dezelfde vorm.
    De zon en maan zien we niet altijd op dezelfde plaats.

    Te hanteren begrippen

    de ster, de maan
  5. AA.184 Begrijpen K3 KO 4.2.7

    Herkennen het ritme van seizoenen in hun directe omgeving.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • In de herfst verzamelt Georges kleurrijke blaadjes uit de schooltuin.
    • De kerselaar staat volop in bloei. “Dat komt omdat het lente is”, meent Jetje.
  6. AA.185 Gebruiken K2 K3 L1 KO 4.2.6; L4 4.2.13

    Bepalen welke dagelijkse gebeurtenissen bij dag en welke bij nacht horen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

  7. AA.186 Begrijpen L1 L2 L4 4.2.14

    Beschrijven kenmerken van seizoenen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Kenmerken van seizoenen:
    de lente:
          De dagen worden langer.
          Het wordt warmer.
          Bomen en bloemen beginnen te groeien.
          Veel dieren krijgen jongen.
    de zomer:
          De dagen zijn het langst.
          Het is vaak warm of heet.
          Veel mensen gaan vaak op vakantie.
          Planten groeien snel.
    de herfst:
          De dagen worden korter.
          Het wordt kouder.
          Bladeren vallen van de bomen.
          Er is vaak wind en regen.
    de winter:
          De dagen zijn het kortst.
          Het is vaak koud, soms is er sneeuw of ijs.
          Veel bomen zijn kaal.
          Sommige dieren houden een winterslaap.

    Te hanteren begrippen

    de lente, de zomer, de herfst, de winter, het seizoen
  8. AA.187 Begrijpen L2 L4 4.2.15

    Beschrijven hoe dag en nacht ontstaan.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ontstaan dag en nacht:
    Een dag duurt 24u omdat de aarde in 24u rond haar as draait.
    Ritme van dag en nacht: De kant van de aarde die naar de zon is gekeerd ontvangt het
    licht, daar is het dus dag. De andere kant ontvangt geen licht, daar is het nacht.
  9. AA.188 Begrijpen L3 L4 4.2.14

    Herkennen het ritme van seizoenen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Ritme van seizoenen:
    De aarde draait om de zon. Daardoor verandert het weer in de loop van het jaar. Dat
    noemen we seizoenen. Elk (meteorologisch) seizoen begint op een vaste datum. Na drie
    maanden begint het volgende seizoen weer.
    Lente: begint op 21 maart
    Zomer: begint op 21 juni
    Herfst: begint 21 september
    Winter: begint op 21 december

    Te hanteren begrippen

    De lente: begint op 21 maart, de zomer: begint op 21 juni, de herfst: begint op 21
    september, de winter: begint op 21 december
  10. AA.189 Begrijpen L4 L6 4.2.18

    Beschrijven de omwenteling van de aarde rond de zon.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Omwenteling:
    De aarde draait in ongeveer 365 dagen (een jaar) rond de zon.
  11. AA.190 Gebruiken L4 L4 4.2.13; L6 4.2.18

    Geven weer hoe omwentelingen van de aarde verband houden met tijdsindelingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tijdsindeling:
    Van een dag: De aarde draait in één dag rond haar as van west naar oost (gezien vanaf
    de noordpool), waardoor we de zon zien opgaan in het oosten en ondergaan in het
    westen)
    Van een jaar: De beweging van de aarde rond de zon duurt een jaar.
  12. AA.191 Begrijpen L4 L4 4.2.15

    Herkennen de tijdzones.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tijdzones:
    De aarde is verdeeld in 24 tijdzones (stroken op de globe waar het overal hetzelfde
    tijdstip is).
    In elke tijdzone is het 1 uur vroeger of later dan in de volgende.
    Hoe westelijker we ons verplaatsen ten opzichte van de nulmeridiaan hoe vroeger het
    wordt.
    Hoe oostelijker we ons verplaatsen ten opzichte van de nulmeridiaan hoe later het
    wordt.

    Te hanteren begrippen

    de tijdzone, de nulmeridiaan

    Voorbeelden

    Tijdzones:
    • Als het in de winter in België 12 uur 's middags is, is het in Japan al avond, namelijk
        het is er 20.00 uur.
    • Mia gaat naar New York. Als het bij ons 12.00 uur is, dan is het in New York nog
        maar 06.00 uur.
  13. AA.192 Gebruiken L4 L4 4.2.15

    Vergelijken de tijdzones van verschillende landen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

  14. AA.193 Begrijpen L5 L6 4.2.18; L6 4.2.17

    Duiden de seizoenen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De seizoenen:
    Worden bepaald door de baan die de aarde volgt rond de zon (in 1 jaar tijd) en de
    schuine stand van de as van de aarde.
    Als de noordelijke helft van de aarde (het noordelijk halfrond) meer naar de zon helt,
    ontvangt die helft meer zonlicht en is het bij ons warmer (vanaf de lente tot en met de
    zomer).
    Vanaf de herfst tot en met de winter helt het noordelijk halfrond weg van de zon en
    ontvangt zo minder zonlicht en is het bij ons kouder.
  15. AA.194 Begrijpen L5 L6 4.2.18

    Duiden een schrikkeljaar.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Een schrikkeljaar:
    Om de vier jaar wordt er één dag toegevoegd omdat de aarde iets meer dan 365 dagen
    nodig heeft om rond de zon te draaien.

    Te hanteren begrippen

    het schrikkeljaar
  16. AA.195 Begrijpen L5 L6 4.2.19

    Beschrijven de omwenteling van de maan rond de aarde.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De omwenteling:
    De maan heeft ongeveer een maand nodig om één keer rond de aarde te draaien.
    De maan draait om de aarde en doordat we de maan steeds vanuit een andere hoek
    zien, lijken haar vormen te veranderen, dit noemen we de maanfases: soms zien we de
    hele maan (volle maan) en soms helemaal niet (nieuwe maan).

    Te hanteren begrippen

    de omwenteling, de volle maan, de nieuwe maan
  17. AA.196 Gebruiken L5 L6 L6 4.2.17

    Geven weer hoe omwentelingen van de aarde en maan verband houden met tijdsindelingen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Tijdsindelingen:
    • De aarde draait om haar as in 24 uren van west naar oost, gezien vanaf de
        noordpool (tegenwijzerzin): een dag.
    • De maan draait rond de aarde in 27,3 dagen.
    • De aarde draait in tegenwijzerzin rond de zon in 365 dagen en 6 uur: een jaar.
    • De schuine stand van de aarde in combinatie met de omwenteling om de zon
        veroorzaakt de seizoenen.
  18. AA.197 Begrijpen L6 L6 4.2.19; L6 4.2.15; L6 4.2.16

    Beschrijven maanfasen en eclipsen.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Maanfasen:
    • 4 maanfasen: nieuwe maan (je ziet de maan bijna niet), eerste kwartier (je ziet de
        “rechterhelft” van de verlichte kant), volle maan (je ziet de hele verlichte maan),
        laatste kwartier (je ziet de “linkerhelft” van de verlichte kant)
        Ontstaan: De maan draait rond de aarde, de zon verlicht altijd één kant van de
        maan, afhankelijk van waar de maan staat ten opzichte van de aarde en de zon zien
        we een ander stukje van het verlichte deel.
        Duur: De volledige maancyclus duurt ongeveer 29,5 dagen, elke fase duurt
        ongeveer een week.
    
    Eclipsen:
    • Maansverduistering/maaneclips: Als de aarde tussen de zon en de maan staat, de
        aarde blokkeert het zonlicht, waardoor de maan donker wordt of roodachtig kleurt.
        Je ziet dit alleen als het volle maan is.
        Zonsverduistering/zoneclips: Als de maan tussen de zon en de aarde staat, de maan
        blokkeert het zonlicht, waardoor het donkerder wordt overdag. Je ziet dit alleen als
        het nieuwe maan is.

    Te hanteren begrippen

    de maanfase, de nieuwe maan, het eerste kwartier, de volle maan, het laatste kwartier,
    de maancyclus, de zonsverduistering, de maansverduistering
  19. AA.198 Begrijpen L6 L6 4.2.14

    Duiden de getijden.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De getijden:
    • De zwaartekracht van de maan trekt aan het water op aarde. Daardoor stijgt en
        daalt het water aan de kust, wat we de getijden noemen, met eb en vloed.
    • springtij: Bij volle maan en nieuwe maan staan de zon, de aarde en de maan
        ongeveer op één lijn. Hierdoor versterken de zwaartekracht van de maan en de zon
        elkaar, wat leidt tot springtij.

    Te hanteren begrippen

    eb, vloed, laagwater, hoogwater, de getijden, het springtij
  20. AA.199 Gebruiken L6 L6 4.2.14

    Geven invloeden van maanstanden.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Invloeden:
    • Getijden (eb en vloed) worden beïnvloed door de maanstand.
    • Andere invloeden

    Voorbeelden

    Andere invloeden:
    • Dieren en planten reageren soms op het licht van de maan.
    • Tijd en kalenders in sommige culturen zijn gebaseerd op de maan.
    • Sommige mensen geloven dat de maan invloed heeft op slaap of gedrag, maar dat
        is niet wetenschappelijk bewezen.
  21. AA.200 Begrijpen L4 L6 4.2.13; L4 4.2.11

    Beschrijven een ster.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Een ster:
    Is een grote, hete bol van gas die licht en warmte uitstraalt.
    Onze zon is een ster.
    ’s Nachts zie je veel sterren aan de hemel.
  22. AA.201 Begrijpen L5 L6 4.2.13; L4 4.2.11

    Beschrijven het zonnestelsel.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Zonnestelsel:
    De zon: als middelpunt van het zonnestelsel, een ster die licht en warmte afgeeft
    De planeten: die rond de zon draaien
    Andere hemellichamen die rond de zon draaien (kometen, asteroïden)

    Te hanteren begrippen

    het zonnestelsel, de komeet, de asteroïde
  23. AA.202 Begrijpen L4 L4 4.2.12; L4 4.2.11

    Beschrijven de planeten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De planeten:
    De 8 planeten in ons zonnestelsel draaien om de zon.
    Elke planeet is anders. Sommige zijn klein en rotsachtig (zoals Aarde en Mars), andere
    zijn groot en gasachtig (zoals Jupiter en Saturnus). De aarde is de enige planeet waar er
    leven is.

    Te hanteren begrippen

    de planeet, Mercurius, Venus, Aarde, Mars, Jupiter, Saturnus, Uranus, Neptunus
  24. AA.203 Begrijpen L5 L6 4.2.13

    Beschrijven het planetenstelsel.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    Het planetenstelsel:
    Een planetenstelsel is een groep planeten die rond een ster draaien.
    Ons zonnestelsel is dus één voorbeeld van een planetenstelsel.
    In het heelal zijn er miljarden andere sterren en veel daarvan hebben ook hun eigen
    planetenstelsel.

    Te hanteren begrippen

    de ster, het planetenstelsel, het zonnestelsel
  25. AA.204 Gebruiken L5 L6 4.2.13

    Geven de relatie tussen ster, zonnestelsel, planetenstelsel.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    MIA

    De relatie:
    • Een ster is een lichtgevende gasbol. Er zijn miljarden sterren in het heelal.
    • Een planetenstelsel is een ster met planeten eromheen. Veel sterren hebben een
        planetenstelsel.
    • Het zonnestelsel is ons eigen planetenstelsel, met de zon in het midden.

    Te hanteren begrippen

    het planetenstelsel, het zonnestelsel, het heelal
  26. AA.205 Engageren K2 K3 L1 L2 L3 L4 L5 L6 GO!-doel

    Tonen hun kennis over kosmografie in verschillende contexten.

    Aardrijkskunde Aardrijkskundige (toegepaste) kennis › Kosmografie

    Toon MIA, begrippen en voorbeelden

    Voorbeelden

    • Laya koppelt het trekgedrag van vogels aan de kennis van de seizoenen.
    • Tijdens een kringgesprek over de dagelijkse routine gebruikt Linus de zon om zijn
        dag te beschrijven: "Als de zon opkomt, sta ik op. Als de zon ondergaat, ga ik
        slapen."